XXVII. Satsoema-Vazen.120
Reading edition
In rijk vertrek, waarbuiten vlokken dalen
In wintergrijs, staan zwijgend bij ’t rom-rommen
Van haardvuur, vazen met hun tuit als schalen,
Di stilte heffen, van oud goud omglommen
En ’t blank pors’lein, beöuweld met ovalen,
Vleeskleurig, ’t zwart besnord gezicht van drommen,
Van goud.—
Van goud.— En wijken weer de kille stromen,
Di eerst door reten van de vensters breedden,
Dan schijnt van ’t goud, dat ruig hangt neergegleden
En van hun randen hitte uit te stomen,
Alsof z’er weer de zonnegloed verbreiden,
Die hen bedroop in vroeger lente-tijden.