XXIX. De Berg van Nikko.125
Reading edition
Op berg, waar door rouwgroen der seder-kronen
De vlinders als uit vrees zijn truggedrongen
Waar bronzig stond na stond heen-dreunt van gongen,
Daar sluim’ren Dzjimmoe-Tenno’s zonne-zonen
In tempels huivend—als uit licht-regionen—
Uit gouden muren, of di afglans vongen
Tot eerbied en ’t nu nog dien afschijn tonen.
De rosse stammen, velen honderd jaren
Staan dicht bijeen als wachters en omringen
Dien naglans van verdwenen Majesteit.
Door ’t somber loof hoort men de winden varen
En in dat zwijgen als de golven zingen
Verdruisend in een Zee van Ewigheid.