XXVI. Naar de post.
Reading edition
Een moesmé tript, één arm uit paarse mouw
Als stengel rijzend van een lotusblad,
Waarop de hand, die ’t zonnescherm omvat,
Uitvlagt als bloem, naar ’t postkantoor en nauw
Perst zij het mondje saam in spanning: wat
Wel ’t antwoord is, nu z’als verliefde vrouw
Een brief penseelde en met vouw op vouw
Dan droomt ze, hoe fluks een vuurspuwend beest,
Dat trouw steeds trugkeert, ’t Zonneland doorgiert,
’t Epistel naar haar blanken minnaar draagt.
En als hij later ’t in ver land herleest,
Schijnt de chrysanth, die den post-zegel siert
Herinnerings-bloem in storm vandaar vervlaagd.