← Table of contents
Japanse Verzen

III. Serenade.

Reading edition

Als zanger, di voor liefste’s woning beid,

Het rechterbeen spitst vóór, de linkerhand

Toontonkeling van een lied, dat hem geleid,

En schouwt wat wajertaal ze’m tegenspreid:

Als aureool en vleiziek naar één kant,

’t Gelaat en ’t zwart getoet der haren glijd,

Of dat de zangstroom, die zijn monde-wel

Als wirook uitstijgt, welke opwaarts duft,

Als wolk van geur verjaagd word, weggepuft.

Zoo lees ik, Muze, uit uw wajerspel

Of ge’ u afkeurend heenwend van mijn kunst,

Dan wel di toewuift met gebaar van gunst.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings