III. Serenade.
Reading edition
Als zanger, di voor liefste’s woning beid,
Het rechterbeen spitst vóór, de linkerhand
Toontonkeling van een lied, dat hem geleid,
En schouwt wat wajertaal ze’m tegenspreid:
Als aureool en vleiziek naar één kant,
’t Gelaat en ’t zwart getoet der haren glijd,
Of dat de zangstroom, die zijn monde-wel
Als wirook uitstijgt, welke opwaarts duft,
Als wolk van geur verjaagd word, weggepuft.
Zoo lees ik, Muze, uit uw wajerspel
Of ge’ u afkeurend heenwend van mijn kunst,
Dan wel di toewuift met gebaar van gunst.