← Table of contents
Japanse Verzen

XIV. Nacht.

Reading edition

Der haren zelfs in slaap nog pralen laat

In speldenkrans, naast een lantaarn, glad-wit,

Welks schijn door boze geesten word gehaat,

Luid brommen van muskiten, muggen gaat

Ze trekt, tot offers schroejt—zo over stromen,

Rotswanden glijd en glanst een kleed van blauw

Wanneer Nippón zelf weer ter rust wil gaan

Het Rijk slankt heen, verwaasd in web van dauw.

En, opdat geen vuurdraak het wekt uit dromen,

Spant trouw aan d’einder vol en blank: de Maan.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings