XX. De Atlantise Oceaan.
Reading edition
En als een vloot, di in een mist verschimt,
Waast groen, door roerloos kristallijn omglampt,
Atlantis’ Hoofdstad. Op haar pleinen glimt
’t Zeesterren-firmament en flauw-blauw lampt
Er boog aan boog van kwallen. Spichtig klimt
De kreeft er trappen op; veelarmig klampt
Zich d’inktvis om een zuil en dreigend grimt
De muil van haje’ uit hoeken, waar bekamd
Met stelen, bruin, olijfgroen, knol aan knol
Op algenstengels zwelt. Door ’t golfgegrol,
In noodweer rekt soms uit een wigelkuil
Van baren als van spooksels angstgehuil,
Maar zont het zeeveld, dan wit wikend spreid
En zaajt de meew er slechts: Vergetelheid.