← Table of contents
Japanse Verzen

XVI. De Dochters van Atlantis.

Reading edition

En zo in ’s vorsten vuist de irisbrand

Des Adelaars tal van volken overschóót,

Stil boog voor zachte keizerinne-hand

Kameel, rendier en hond, ’s mans lotgenoot,

En duif en pauw, der bloemen vlammen-stand,

Magnolia-legioen en leliën-vloot.

Zo star in wapenpraal de lijfwacht stond

Aan poorten van de lotoszuilen-zaal,

Waar gasten lagen aan het vorstelijk maal,

Ranonkelrank langs gulden gordels wond

Een keur van danseressen sluiering

Of hun gewank aan zichtb’re ritme hing.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings