← Table of contents
Japanse Verzen

XXXIX. Sayonara.138

Reading edition

De laatste rozige’ eiland-toppen stuiven

Reeds weg in witte wazen, di aantijgen

Van ’t Oosten, waar straalloos de Zon golf-kuiven

Voor zilveren kim koolrood berimpt.—Nog nijgen

—’t Kleed eng saamvattend—geisha’s tot mij, schuiven

De lucht betrippend nader: lachend stijgen

Zij achter ’t zeil van ’t witte schip en wuiven

Er wind in met hun wajers. Maar plots zijgen

Zij in ’t azuur bijeen met droef geöog,

Waar ’t zog—hun loop te snel—de kiel navloog.

Tans: arme moesmé’s, hoe met lonken, wenden

Gij m’ook wilt houden in Uw tooverban,

Kan ’k slechts van ver U nog wat kussen zenden

Als laatst: »Vaarwel!«—»Tot weerziens!«—aan … Japan!

Amsterdam. 1898–1902.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings