← Table of contents
Japanse Verzen

XXXII. De Val van Peking.69

Reading edition

Geen japans masker zi ’k meer grijnzend grimmen,

Wit-borstelig wenkbrauw-boog en spitse baard,

Om puilende’ oogen koperkleurig glimmen,

Dat aan een hemel leeg van goden staart,

Waar sinds de Dertiende’ Eew een stadig klimmen

Di na ’t asketies, middeneews verschimmen

Verkonden, dat Nirwana blijft bewaard

Voor hen, di om hun ziel hun vlees niet schonden.

Want spoedig word daar hoger Schoon gevonden

Dan in ’t Feudale Rijk, waar—rond getogen—

De bonzen bedelden, waar daimiyo’s vlogen

Ter valkenjacht, waarvan—den val nabij

Als heel Oud-China—’k zonder treuren schei.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings