← Table of contents
Japanse Verzen

XVIII. IV. Hoeyoe.102

Reading edition

Het pijnhout stompt bevacht na ’t eindloos vlokken-stoejen

’t Getak uit, stil, in ’s Winters witte Oceaan,

Waarin hoogrood alleen gelijk het Zonbal-gloeien

Voor lage lucht—weekgrijs—brugjes en torii’s staan.

Zelfs uit plantages, waar de tee-struik dan gaat bloejen

Ziet men slechts fleur van sneew, van witte vlammen slaan;

Een blank-papier gehucht, welks daken wit bewoejen,

Blokt er als in krijtbleke bergkom op de Maan.

Maar fabuleuzer nog dan, als de bloemen pronken,

Bij ’t zinken van de Zon, wanneer als zilver zand

Sneeuwkorrels tintelen, haar rosé hun wit doet kwijnen.

Nippón glinst, schittert in mieljoenen wintervonken,

Start, sterrelt tot één Rijk van rozig diamant.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings