XXXVI. Fin-d’Eres.72
Reading edition
Ook ik wil d’oude Metropolen prijzen
Maar meer de jong’ren, waar het velo-zwiren
Den weerschijn overijlt der licht-paleizen:
Hotels, café’s, waarin dwerg-palmen tiren
Als van stads-zwoelte, waar de treinen grijzen
Van stof langs stage zwaaj van hun kwartiren
Als ewig jagend rad, of di ze’ ontgiren,
Terwijl de telegraaf met dalen, rijzen
Hijgt, zwoegend door hun stoom.—
Hijgt, zwoegend door hun stoom.— Doch niet met schempen
Zal ik de stem van mijn gevoelens dempen,
Di klagend luid of fluisterend toch verkonden,
Wat in di Sentra niet werd weergevonden
Van feodale praal uit vroeger Leven,
Di hun de Niwe Era wéér zal geven.