← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

6. BELEGERING EN VEROVERING VAN TROJE.

Reading edition

(Van ± 1194 tot 1184 v. C.)

Paris, de zoon van Priamus, koning van Troje (eene stad in Klein-Azië, niet verre van de str. der Dardanellen, toen Hellespont geheeten), had Helena, de vrouw van den Spartaanschen koning Menelaüs, geroofd en was met haar naar zijne geboortestad gevlucht.

De verbitterde Menelaüs riep nu de voornaamste Grieksche vorsten en helden op, tot een' krijgstocht tegen het rijke Troje.

De meeste vorsten van Griekenland gaven aan deze oproeping gehoor en weldra togen 100,000 strijders, op 1200 schepen, naar de vijandelijke stad.

De aanvoerder van den tocht was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Verder worden als hoofdpersonen genoemd de sluwe Ulyssus, de bedaarde en ervaren Nestor, de dappere en sterke Achilles en vele anderen.

Troje was echter eene sterke stad, en, konden de Grieken roemen op eene menigte dappere mannen, de Trojanen mochten bogen op Hector en Aeneas, die voor de dapperste Grieken niet behoefden onder te doen. De belegering had reeds negen jaren geduurd en nog stonden de muren van Troje even vast als altijd.

Veel bloed was reeds vergoten; de edele Hector en de dappere Achilles waren den heldendood gestorven; men begon aan 't welslagen der onderneming te wanhopen, ja, men sprak er zelfs van om scheep te gaan en het vaderland weder op te zoeken.

Toen verzon de sluwe Ulysses de volgende list:

"Weet gij wat, vrienden," riep hij vroolijk uit, "laat ons een groot houten paard timmeren en in zijn binnenste de dapperste Grieken verbergen. De anderen moeten intusschen met de schepen terugtrekken, maar vooraf al hetgeen zij achterlaten, verbranden, opdat de Trojanen, wanneer zij dit van hunne muren zien, in den waan komen, dat wij het beleg opbreken. Een moedig man moet zich in de nabijheid van het paard verbergen en de vijanden wijs maken, dat hij uit het leger der Grieken is gevlucht, omdat hij door hen slecht behandeld is.

Vervolgens moet hij bewerken, dat de Trojanen het paard binnen de muren der stad brengen. Wanneer onze vijanden zich dan zorgeloos aan den slaap overgeven, geeft hij ons een teeken. Wij kruipen uit het paard, laten de anderen, die inmiddels met de schepen zijn teruggekeerd, binnen en verwoesten de stad."

Toen Ulyssus uitgesproken had, prezen allen zijn vindingrijk verstand, maar de zoon van Achilles stond driftig op en zeide: "Dappere mannen zijn gewoon hunne vijanden in 't open veld te bestrijden, daar moeten wij onze meerderheid boven de Trojanen toonen." Ulyssus bewonderde den dapperen jongeling en antwoordde: "Gij ziet wel, wakkere man! daar zelfs uw vader, die een halfgod in moed en sterkte was, deze sterke stad niet konde veroveren, dat dapperheid in de wereld niet alles kan uitrichten."

De voorslag werd nu aangenomen: een ontzaggelijk groot paard werd getimmerd, de dapperste helden begaven zich door eene zijdeur in den buik van het monster en de overigen trokken zich terug. Vol vreugde kwamen weldra de Trojanen aansnellen en zagen met verbazing het gevaarte aan. Zij beraadslaagden nu, of zij het verbranden dan wel in de zee werpen zouden.

Dat degenen, die in den buik van het paard zaten, bij deze beraadslaging niet zeer pleizierig te moede waren, laat zich denken.

Een Trojaansch priester sprak waarschuwende: "Meent gij, dat eene gave der Grieken geen bedrog verbergt? Vertrouwt het ding niet!"

Met die woorden stiet hij er met eene ijzeren lans in, en uit de diepte dreunde het als uit een kelderhol.

Ondertusschen kwam de Griek aanloopen, die zich in de nabijheid van het paard verborgen had. Hij speelde zoo meesterlijk zijne valsche rol, dat allen hem geloofden. Hij sprak aldus: "Tot hiertoe was alle hoop der Grieken op de hulp der godin Pallas gebouwd. Sedert echter uit den tempel, dien zij bij u te Troje heeft, haar beeld is gestolen, is de godin vertoornd geworden, en het geluk heeft de wapenen der Grieken verlaten. Nu zijn zij weggegaan om het beeld wederom op te sporen. Vooraf echter bouwden zij nog dit houten paard, dat zij als zoenoffer voor de beleedigde godin achterlieten. Zij maakten het zoo groot, opdat gij, Trojanen! het niet binnen de poorten uwer stad kondet bergen, dewijl alsdan de bescherming van Pallas u ten deel zou vallen."

Dit nu was juist voor de Trojanen een prikkel om het paard binnen de stad te halen. Zij braken een gedeelte van den muur af om den onheilbrengenden gast een' weg te banen.

Zij maakten raderen onder de voeten van het paard en trokken het jubelend binnen, zonder acht te slaan op de waarschuwingen van Kassandra, de profetes.

Vervolgens gaven zij zich tot in het holle van den nacht aan de uitgelatenste vreugde over bij maaltijd en drinkgelag. De bedrieger was intusschen ook in de stad geslopen en zwaaide vervolgens een brandende fakkel in de lucht, als een teeken voor de in de nabijheid toevende Grieken om weder te naderen. Toen klopte hij zacht aan den hollen buik van het paard en de opgesloten helden kwamen stilletjes te voorschijn. Met uitgetrokken zwaarden drongen zij in de huizen en eene vreeselijke slachting werd onder de slapende Trojanen aangericht.

Brandende fakkels werden in de huizen geslingerd en weldra stond Troje op vele plaatsen in lichten brand.

Te gelijkertijd stormden de andere Grieken de stad binnen en doodden alles, wat hen in handen kwam.

Zij behaalden een onmetelijken buit en sleepten vrouwen en kinderen naar het strand. Menelaüs voerde zijne vrouw Helena weder mede. Priamus en zijne zonen werden gedood; de koningin en hare dochters, waaronder ook de edele Andromaché, de vrouw van Hector, werden als slavinnen onder de overwinnaars verdeeld.

Troje werd met den grond gelijk gemaakt. Ziedaar een kort overzicht van de merkwaardige belegering, zooals die door Homerus in een beroemd dichtstuk: de Ilias, wordt verhaald.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings