33. KAREL DE GROOTE.
Reading edition
(768-814).
Tijdens de volksverhuizing maakten de Franken zich meester van Gallië. Van het eerste stamhuis, het Merovingische, dat over hen regeerde, is alleen Clovis merkwaardig. Deze vorst, die van 481-511 op den troon zat, vernietigde het laatste overblijfsel van de Romeinsche macht in Gallië, overwon de Allemannen aan den Rijn, drong de West-Gothen over de Pyrenaeën en liet zich met vele zijner onderdanen doopen.
Grooter dan Clovis was Karel de Groote, naar wien het tweede stamhuis, het Karolingische, zijn' naam ontving. Hij was een zoon van Pepijn den Korten, die eerst hofmeester bij den laatsten Merovingischen koning was, maar later door de Frankische grooten tot koning verkozen en door den Paus gezalfd werd. Pepijn liet twee zonen Karloman en Karel na, die volgens de gewoonte der Franken ieder een deel van het rijk ontvingen. Na zes jaren stierf Karloman en Karel werd alleenheerscher.
Naar lichaam en geest was Karel waardig aan het hoofd eener dappere natie te staan. Hij was breed en krachtig van lichaamsbouw, zeven voet groot en had eene edele, eerbiedwekkende houding. In alle lichaamsoefeningen, zooals rijden, jagen, en zwemmen was hij volleerd; in kracht durfde niemand zijner onderdanen zich met hem meten. Zijne oogen waren helder en doordringend; zijn stem was duidelijk en aangenaam; zijne kleeding eenvoudig en krijgshaftig; hij versmaadde allen vreemden tooi en opschik.
Meer nog dan door zijn uiterlijk voorkomen, beheerschte hij de menschen door de kracht zijns geestes. Begaafd met een vasten wil, een doordringend verstand en een juist oordeel, zoowel over groote als kleine zaken, bezat hij tevens een hart, dat blaakte voor het geluk en de beschaving zijner onderdanen. Tegenspoed kon hem niet ontmoedigen, voorspoed hem niet hoogmoedig maken.
Het doel van zijn werken en streven was: de vereeniging van alle Germaansche stammen onder één bestuur. De Christelijke godsdienst zou de band zijn, die allen omslingerde. Dit doel heeft hij door allerlei middelen trachten te bereiken, al kostte het ook stroomen bloeds. Het grootste deel zijns levens bracht Karel in oorlogen door. Reeds dadelijk bij het aanvaarden zijner regeering moest hij oorlog voeren tegen de Saksen, een der machtigste Germaansche stammen, die aan de oostelijke grenzen van zijn rijk woonden. Deze Saksen, heldhaftig van aard en gehecht aan hun alouden godsdienst, deden soms invallen op het Frankische gebied. Karel trok tegen hen op, drong diep in hun land door en dwong hen den Christelijken godsdienst aan te nemen. Maar op dit dappere volk viel weinig staat te maken. Zoodra waren de Frankische legers niet uit hun land vertrokken, of zij stonden weder op, verdreven en doodden de zendelingen, haalden de Christentempels omver en richtten hunne heidensche altaren weder op. Vooral onder hunne dappere aanvoerders Wittekind en Alboïn streden ze dikwijls met goed gevolg. Eerst nadat Karel in 782 te Verden aan de Wezer 4500 Saksen op één dag had laten onthoofden en 10000 met vrouwen en kinderen naar een ander deel van zijn gebied had verbannen, was de tegenstand gebroken. Op het voorbeeld van Wittekind legden ze eindelijk de wapens neder en lieten zich doopen (785).
Ook in Italië en Spanje voerde Karel oorlogen. In 't eerstgenoemde land onderwierp hij Desiderius, koning der Longobarden, die den paus telkens het leven lastig maakte. Een deel van Desiderius gebied schonk hij aan dezen kerkvorst, die daardoor zeer in macht en aanzien toenam. In Spanje, kreeg Karel ter belooning voor de hulp, aan een Arabischen khalif bewezen, het land, tusschen den Ebro en de Pyrenaeën gelegen (Spaansche mark).
Toen hij in den kerstnacht van het jaar 800 te Rome in de St. Pieterskerk bad, zette paus Leo III hem onder de toejuiching van het verzamelde volk de keizerskroon op het hoofd, onder het uitspreken van deze woorden: "Leven en overwinning aan keizer Karel, den doorluchtige, den van God gekroonde, den groote, den vredestichter, den Romeinschen keizer."
Tengevolge van zijne overwinningen verkreeg Karel een rijk, dat zich uitstrekte van den Oder tot den Ebro en van de Noordzee tot de Middellandsche zee.
Met meer recht dan wegens zijne overwinningen mag Karel den bijnaam van den grooten dragen, door hetgeen hij deed ter beschaving en verlichting van zijne onderdanen. Hij zorgde voor de invoering van goede wetten, waardoor zoowel de arme als de rijke ongestoord bezitter van zijn eigendom werd. Mannen, zendgraven genoemd, bezochten op zijn bevel alle deelen van zijn gebied om te onderzoeken of de rechters hun plicht deden. Met al zijne macht bevorderde hij den bloei van den handel en den landbouw. Daartoe liet hij goede wegen aanleggen, kanalen graven en bruggen over rivieren slaan. Onder zijn rechtvaardig en streng bestuur verdwenen de roovers, die voorheen de wegen onveilig hadden gemaakt. De handwerken moedigde hij aan; zelf droeg hij nooit andere kleeding, dan die in zijne staten was vervaardigd. Kunsten en wetenschappen vonden in hem een ijverig beschermer; op gevorderden leeftijd leerde hij nog schrijven en gaf zoo een goed voorbeeld aan zijne edelen, die de wetenschappen verachtten. Groote geleerden als Alcuinus, Eginhard en Angilbert lokte hij aan zijn hof, onderhield zich gaarne met hen en stelde het hoogste belang in hunne gesprekken en hun onderwijs.
Kerken en kloosters verrezen op vele plaatsen op zijn bevel; hij verplichtte de geestelijken om scholen op te richten ter onderwijzing der jeugd. Zorgvuldig liet hij de oude gedichten der Duitschers opschrijven en verzamelen. We zouden te uitvoerig worden, wanneer we al de groote verdiensten van Karel wilden opnoemen. Het aangevoerde is voldoende om te bewijzen, dat hij niet alleen een groot krijgsman, maar ook een uitstekend regent was. Als mensch was Karel voorzeker niet vrij van gebreken, maar, gerekend naar den tijd, waarin hij leefde, waren deze betrekkelijk zeer klein.
De groote man bereikte den ouderdom van 71 jaar. Na eene 46 jarige regeering stierf hij te Aken, waar hij evenals te Nijmegen (Valkhof), Regensburg en Frankfort gaarne zijn verblijf hield. (814) Zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome evenaarde hem wel in ijver voor den Christelijken godsdienst, maar miste geheel en al de groote talenten van zijn' vader. In 817 verdeelde hij reeds het rijk onder zijne drie zonen: Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Toen hij later ten gunste van een vierden zoon Karel, de Kale bijgenaamd, een nieuwe verdeeling wou invoeren, stonden zijne oudste zonen tegen hem op en berokkenden hem veel verdriet. Later gingen ze ook onderling oorlogvoeren en brachten het rijk daardoor deerlijk in verwarring, totdat het verdrag van Verdun (843) daaraan een einde maakte. Daar Pepijn in 840 was gestorven, verdeelden de overgeblevene zonen het rijk aldus: Lotharius kreeg de keizerlijke waardigheid en Middel-Frankrijk of Lotharingen (het land tusschen den Rijn, de Rhône, de Maas en de Schelde), Lodewijk kreeg Oost-Frankrijk of Duitschland en Karel de Kale West-Frankrijk of Frankrijk. Het deel van Lotharius kwam later bijna geheel aan Duitschland.