17. DE STICHTING VAN ROME.
Reading edition
(753).
We willen nu Griekenland, dat langen tijd het tooneel der wereldgebeurtenissen was, verlaten en verplaatsen ons met onze gedachten naar het heerlijke Italië. Nog altijd blijft Rome de merkwaardigste stad van Italië niet alleen, maar in vele opzichten ook van de wereld. Vooreerst wegens hare oudheid, waarin weinige steden van Europa met haar kunnen wedijveren, maar ook vooral wegens de groote rol, die zij langen tijd in de geschiedenis der wereld heeft gespeeld en in zekeren zin nog speelt. Het verhaal van de stichting dezer stad is zoo wonderlijk, dat men aan eene sage moet denken, waarin waarheid en verdichting zoodanig dooreengemengd zijn, dat de eerste moeielijk is aan te wijzen, het verhaal luidt aldus:
Na de verwoesting van Troje vluchtte de koningszoon Aeneas met eenige getrouwen naar Italië, en wel naar 't landschap Latium, welks koning hem vriendschappelijk opnam. Zijn zoon Ascanius stichtte de stad Alba Longa, die weldra de hoofdstad werd van een koninkrijk van dien naam. De achtste koning, Procus genaamd, liet bij zijn overlijden twee zonen na, Numitor en Amulius, van welken de oudste hem zou opvolgen.
Numitor werd echter door zijn heerschzuchtigen, jongeren broeder van den troon gestooten, die ook zijn' zoon op de jacht doodde en zijne dochter Rhea Silvia dwong Vestaalsche maagd (priesteres van Vesta) te worden, waardoor zij de gelofte moest afleggen, nimmer te huwen.
In weerwil van die gelofte huwde zij in stilte en kreeg tweelingzonen. Toen Amulius dit gewaar werd, was zijne woede grenzenloos. Hij liet de moeder in de gevangenis, de kinderen in den Tiber werpen.
De Tiber was juist buiten zijne oevers getreden, en de kinderen bleven, toen 't water wegliep, in hun mandje op het droge staan. Eene wolvin, die daar kwam, zoogde de van honger schreiende knaapjes en een specht deelde de voedsterzorgen met haar.
Zoo werden zij door Faustulus, herder van Amulius, gevonden. Deze, wel wetende, wat er gebeurd was, giste dadelijk de afkomst der kinderen en, bewogen met hun lot, nam hij ze mee naar zijne vrouw, die ze als hare kinderen opvoedde. De knapen, Romulus en Remus genaamd, onderscheidden zich reeds spoedig van de andere herdersknapen door hunnen moed. Zij verdedigden de kudden van hunnen pleegvader tegen wilde dieren en roovers. Ook kwamen zij niet zelden in strijd met andere herders over de beste kudden. Bij een gevecht met Numitors herders werd Remus eens gevangengenomen en voor Numitor gevoerd. Nu snelde Faustulus met Romulus spoedig naar Numitor en ontdekte het gansche geheim. Dadelijk waren de driftige jongelingen er op bedacht, zich op hunnen wreeden oudoom te wreken. Zij riepen hunne gezellen op, overvielen Amulius in Alba Longa, doodden hem en herstelden Numitor in zijne verloren waardigheid. Deze gaf hun tot loon een stuk land, ongeveer ter plaatse, waar zij door Faustulus gered waren, met den raad, daar eene stad te bouwen. De broeders volgden dien raad en bouwden eene stad, die natuurlijk eerst zeer onaanzienlijk was. Toen het bouwen gedaan was, moest de stad eenen naam hebben. Nu ontstond er twist tusschen de beide broeders, wie dien zou geven. Daar men 't niet eens kon worden, wilde men de beslissing aan de goden overlaten. Deze zouden door de vlucht hunner vogels (de adelaars) aanwijzen, wie de eer zouden hebben, de stad te benoemen. Maar ziet! nu ontstond er weer verschil, daar Remus het eerst zes arenden en Romulus er kort daarna twaalf zag.
Remus beweerde, omdat hij ze 't eerst gezien had, de gunsteling der goden te zijn, terwijl Romulus hetzelfde volhield, omdat hij de meeste vogels gezien had.
Toen Remus zijn' broeder daarenboven nog bespotte over de geringheid van den bouw, en ten bewijze daarvan over den ringmuur heensprong, werd Romulus zoo toornig, dat hij zijn' zwaard greep en zijn' broeder versloeg. Nu had hij dus geenen mededinger meer, en zijne stichting kreeg den naam van Rome.
Thans kwam het er op aan bewoners in de stad te krijgen. Daarom noodigde Romulus allen uit, onverschillig wie, om zich in de nieuwe stad metterwoon te vestigen.
Dat de bevolking, die er kwam, niet van de allerfijnste soort was, laat zich licht begrijpen, en dat de inwoners van Rome weldra niet ter goeder naam en faam bekend stonden, eveneens. Daarom konden de Romeinen ook geene vrouwen ten huwelijk krijgen, hoeveel moeite zij daartoe ook aanwendden. Zij gingen nu hunne toevlucht tot list en geweld nemen. Romulus noodigde de omliggende volken, vooral de Sabijnen, uit tot een groot feest. Deze kwamen in de vreedzaamste stemming der wereld ongewapend met hunne vrouwen en dochters. Te midden van het feest evenwel vielen de gewapende Romeinen op de niets kwaads vermoedende vrouwen aan en sleepten ze in hunne huizen, terwijl hare mannen, broeders en vaders vluchtten. Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.
Romulus ruimde zijn' medekoning echter spoedig uit den weg en regeerde overigens zoo willekeurig en wreed, dat hij den algemeenen haat der aanzienlijken (patriciërs) op zich laadde. Dezen maakten hem daarom in een raadsvergadering van kant en vertelden aan 't volk, dat hij uit hun midden ten hemel was gevaren.