← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

5. CROESUS EN CYRUS.

Reading edition

In 't jaar 549 v. Chr. biedt Sardes, de hoofdstad van 't Lydische rijk, ons het treurige tooneel aan van strijd en verwoesting. Vóór de muren der stad is een slag geleverd, waarin de Lydiërs het onderspit hebben gedolven, en nu dringen de overwinnende Perzen over de lijken hunner vijanden in de veege stad, alles vernielende, wat hun in den weg komt en roovende, wat van hunne gading schijnt. Tusschen die bewijzen van moord en verwoesting zien wij een' brandstapel opgericht en een' man daarop vastgebonden, wiens voorkomen, ook in dezen rampzaligen toestand, zijne vorstelijke afkomst verraadt. 't Is de ongelukkige Croesus, weleer de rijkste van alle vorsten van Azië, de beheerscher van het machtige Lydië, die nu op bevel van Cyrus, den koning der Perzen, ter eere der goden zal geofferd worden. De houtmijt wordt aangestoken, en reeds stijgen de vlammen omhoog. Daar hoort men den ongelukkige tot driemaal roepen: "O Solon! Solon! Solon!" Cyrus, verwonderd over dezen uitroep, vraagt naar de beteekenis dezer woorden, en, nadat hij den gevangene heeft laten afklimmen, verhaalt Croesus het volgende: "Voor eenige jaren kreeg ik aan mijn hof een bezoek van den wijsten man uit geheel Griekenland, die de geheele wereld doorreisde, om nog meer kennis op te doen. 'k Liet hem al mijne paleizen, al mijne schatten zien. Ze lieten hem onverschillig. 'k Vroeg hem nu, welke man de gelukkigste was, dien hij op zijne vele reizen gezien had. Hij noemde mij een' burger Tellus uit Athene, die, na een gelukkig leven geleid te hebben, hoog bejaard in een zegevierenden slag den heldendood voor 't vaderland gevonden had. Toen ik hem daarop vroeg, wien hij nadien Tellus als den gelukkigste beschouwde, noemde hij twee Grieksche jongelingen, die bij gelegenheid van een groot feest hunne oude moeder in eenen wagen naar den tempel trokken, door 't volk luide werden toegejuicht wegens hunne kinderlijke liefde en vervolgens door vermoeidheid overmand, in slaap vielen, om nooit weer te ontwaken.

Toen ik, misnoegd, dat hij mijn geluk zoo gering schatte, hem vroeg of hij mij dan niet gelukkig achtte, sprak hij deze merkwaardige woorden: "O Croesus, niemand is vóór zijnen dood gelukkig te noemen. Als ik bedenk, dat het leven wel eens zeventig jaren duurt, dan denk ik tevens, hoeveel er in dien tijd veranderen kan. Deze woorden mishaagden mij toen. Hoe ondervind ik nu echter, hoezeer de wijze man recht had." Dit verhaal maakte op den veroveraar eenen diepen indruk. Tot nog toe had de gelukszon hem steeds beschenen. Bij zijne geboorte reeds door zijn' grootvader Astyages, koning van Medië, ter dood gedoemd, had eene medelijdende herdersvrouw zijn leven weten te redden. Ook later was hij meermalen in levensgevaar, maar telkens was het door toevallige omstandigheden afgewend. Toen hij man geworden was, had hij zich aan 't hoofd der Perzen, zijne stamgenooten, gesteld, en aan 't Medische rijk en aan de regeering van den verwijfden Astyages een einde gemaakt. Vervolgens had hij den rijksten staat van Azië vernietigd, en de machtigste monarch van Klein-Azië stond als gevangene voor hem.

Maar zou dat geluk hem altijd blijven toelachen? Hoe licht kon de grillige fortuin ook hem den rug toekeeren en van overwinnaar overwonneling maken! Cyrus schonk dadelijk den gevangen vorst het leven niet alleen, maar liet hem aan zijne tafel eten en hield hem als een wijzen raadsman hoog in eere.

Hij liet het bij deze veroveringen niet blijven. Nadat hij de Aziatische Grieken onderworpen had, trok hij op Babylon aan. Met geweld was echter tegen deze reuzenstad weinig uit te voeren. Daarom trachtte hij haar door list te nemen. Hij leidde het water van den Euphraat door een dieper kanaal om de stad, waardoor de rivier ondieper werd, en de soldaten konden zoodoende in de stad dringen. Juist terwijl koning Belsasar een overdadig feest vierde ter eere van den god Bel werd de wereldstad door de zegevierende Perzen ingenomen. (Daniël). Zijne veroveringszucht bracht hem echter ten val. In de nabijheid van de Kaspische zee woonde een arm, maar krachtig en vrijheidlievend bergvolk, de Massageten. Ook dit volk moest onderworpen worden. Nu verliet hem echter de fortuin. Cyrus werd in eene hinderlaag gelokt, 't leger werd geslagen, hij zelf sneuvelde. Tomiris, de koningin der Massageten, liet zijn hoofd afhouwen en in een vat met bloed dompelen, zeggende: "Drink u nu zat, barbaar." Een ander verhaal evenwel laat Cyrus in hoogen ouderdom eenen natuurlijken dood sterven.

Welke van deze verhalen het echte is, is moeilijk uit te maken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings