14. ALCIBIADES (PELOPONNESISCHE OORLOG).
Reading edition
Toen wij over Pericles spraken, hebben wij tevens gewaagd van een' oorlog, die ontstond tusschen Athene en de bondgenooten, met Sparta aan het hoofd (431-404). In dien voor Griekenland zoo treurigen tijd verschijnt een man op het wereldtooneel, die zoowel door de fortuin als door de natuur rijk gezegend was. Wij bedoelen Alcibiades. Van zeer aanzienlijke geboorte, bovenmate rijk, bezat hij tevens een schoonen lichaamsbouw, en had hij, bij een allergunstigsten aanleg, lust en liefde voor kunsten en wetenschappen. Ook was hij, 't geen in Athene niet weinig gold, ruim bedeeld met de gave der welsprekendheid. Hij zoude dus een waardig opvolger van Pericles zijn geworden, wanneer hij rust en bezadigdheid en minder eer- en heerschzucht bezeten had.
De bloedige oorlog tusschen de Grieksche staten had reeds 10 jaren geduurd, toen er door den vrede van Nicias een eind aan werd gemaakt. (421 v. C.) Echter voor korten tijd; de haat tusschen de beide voornaamste steden was te groot, dan dat een duurzame vrede mogelijk geweest ware.
Niemand was blijder, toen de oorlog weder uitbrak, dan de jonge Alcibiades. In den oorlog toch was roem te behalen, kon hij van zich laten spreken, kon hij schitteren. Hij wist dan ook te bewerken, dat er eene groote vloot werd uitgezonden naar Sicilië, om Syracuse en vervolgens het geheele korenrijke eiland te overmeesteren. 't Spreekt van zelf, dat hij zorgde, een der bevelhebbers te worden. Maar zijne talrijke vijanden zochten zijnen ondergang te bewerken. Nog eer de vloot uitliep, waren in Athene op zekeren nacht al de Hermeszuilen (standbeelden aan den god Mercurius gewijd) verminkt, en algemeen beschuldigde men Alcibiades, dat hij met zijne brooddronken soldaten, deze heiligschennis gepleegd had. Men liet hem echter eerst met de vloot uitzeilen, want zijne persoonlijkheid en welsprekendheid waren betooverend, en hij was de lieveling des volks.
In zijne afwezigheid werd hij van heiligschennis beschuldigd, en een schip de vloot nagezonden, om hem te halen.
Alcibiades ging eerst ook werkelijk mede, doch bedenkende, hoe wankel de volksgunst is, wist hij te ontvluchten naar eene veilige plaats. Te Athene werd hij nu ter dood veroordeeld.
"Ik wil hun toonen, dat ik nog leef," zeide hij en vertrok naar Sparta, Athene's doodvijand, waar hij met open armen ontvangen werd. Hier bewees hij den Spartanen dan ook voortreffelijke diensten door hun aanwijzingen te geven, hoe zij Athene het meeste kwaad konden berokkenen. De tocht naar Sicilië mislukte geheel. De aanvoerder Nicias werd openlijk te Syracuse onthoofd en eene groote menigte gevangenen zagen hun leven ellendig verkwijnen in de steengroeven van Syracuse.
Het gelukte Alcibiades intusschen niet, voortdurend het vertrouwen der Spartanen te behouden. Zijn overmoed verwekte hem ook hier vele vijanden en toen hij zijne veiligheid te Sparta bedreigd zag, vertrok hij naar het eiland Samos, waar de Atheensche vloot lag.
Nadat hij zich met zijne vaderstad verzoend had, behaalde de vloot onder zijne leiding verschillende overwinningen op de Spartanen en hunne bondgenooten. Nu was hij weder de man des volks. Hij, de ter dood veroordeelde, werd onder het gejubel der menigte te Athene ingehaald; de zuil, waarop zijne misdaad gegrift was, in zee geworpen en het opperbevel over de land- en zeemacht hem opgedragen. Eenige maanden later werd het hem echter weer ontnomen, toen zijn onderbevelhebber, in weerwil van zijn uitdrukkelijk bevel, in zijne afwezigheid slag leverde tegen de Spartanen, welke slag met de vernietiging der Atheensche vloot eindigde. Hij vluchtte vervolgens naar Thracië en daarna naar den Perzischen stadhouder in Klein-Azië; maar de Spartanen, zijnen invloed en zijne bekwaamheden vreezende, vervolgden hem ook hier, en lieten hem door sluipmoordenaars om 't leven brengen. (404).
Dat was het uiteinde van den schitterenden en hoogbegaafden, maar zelfzuchtigen en eerzuchtigen Alcibiades.
Athene ging nu met rassche schreden zijnen ondergang te gemoet. Lysander, de Spartaansche veldheer, versloeg de Atheners geheel en al; een vijandelijk leger bezette de stad; de muren werden afgebroken, de vloot weggevoerd, de democratische regeering afgeschaft en een aristocratisch bestuur (30 tirannen) er voor in de plaats gesteld. Athene's grootheid was voor altijd te niet.