32. SPANJE IN DE MIDDELEEUWEN.
Reading edition
In het jaar 711 werd in het Z. van Spanje, in de nabijheid van k. Trafalgar, een veldslag geleverd, die 7 dagen duurde, tusschen de uit Afrika overgestoken Arabieren onder Tarik en de West-Gothen onder hunnen koning Roderik. Gewichtig waren de gevolgen van dezen slag. Roderik werd geheel verslagen en het Spaansche schiereiland, behalve de bergachtige streken van Gallicië, Asturië en Biscaye, viel in de handen der Arabieren of Mooren. In de pas genoemde streken trokken de West-Gothen zich terug, wachtende op den geschikten tijd om het hun ontroofde weer te heroveren.
De Arabieren, blakende van ijver voor hun Mohammedaansch geloof, waren met Spanje alleen niet tevreden; zij poogden zich ook meester te maken van Frankrijk, maar werden in 732 tusschen Tours en Poitiers door den hofmeester Karel Martell volkomen geslagen.
De Arabische vorsten in Spanje waren tot het jaar 755 geheel afhankelijk van de khalifen, die als opvolgers van Mohammed het groote Arabische rijk bestuurden; na dien tijd vestigden zij er een onafhankelijk rijk. Cordova, aan den Guadalquivir, werd daarvan de hoofdstad. Deze stad werd door de Mooren tot een der prachtigste steden van Europa gemaakt. Volgens een verhaal, dat zeker niet van overdrijving is vrij te pleiten, was zij 5 uren lang en 3 uren breed, telde 600 moskeën en bezat prachtige wit marmeren paleizen, omgeven van de sierlijkste tuinen. De Alcazar of Koningsburcht, op een heuvel gelegen, muntte boven alle gebouwen uit in schoonheid.
Terwijl de overige volken van Europa meest allen nog zeer onbeschaafd en ruw waren, begon het in Spanje reeds geheel anders uit te zien.
Onder de Moorsche vorsten had men voortreffelijke regenten, die den bloei des lands en de welvaart der bewoners door goede maatregelen bevorderden. Kunstenaars en geleerden werden aangemoedigd en ondersteund. Vooral bloeiden de dicht- en bouwkunst, de geneeskunde, sterrekunde en wiskunde.
De Christenen hadden over 't geheel in Spanje niets te klagen; zij mochten ongehinderd en in 't openbaar hun' godsdienst uitoefenen en gingen niet gebukt onder zware belastingen. Wel werden zij soms hevig vervolgd, maar hadden er dan ook dikwijls zelven aanleiding toe gegeven.
Den hoogsten trap van bloei bereikte het khalifaat van Cordova onder Abd Errahman III, die van 912-961 regeerde. In zijn' tijd was de roem, die van de Arabische scholen en geleerden uitging, zoo groot, dat zelfs Christenen het niet beneden zich rekenden om in Spanje wijsheid op te doen. Zoo verhaalt men van een' Franschman Gerbert, die later als Sylvester II den pauselijken zetel beklom, dat hij in Spanje ter schole ging. In het volle gevoel zijner macht verwisselde Abd Errahman den titel van emir met dien van khalif en opperhoofd der geloovigen.
Niet lang na hem begon de macht der Mooren af te nemen. De West-Gothen drongen uit hunne gebergten steeds voorwaarts en ontrukten hun het eene stuk lands na het andere, waarvan kleine vorstendommen werden gemaakt. Toen nu in 1031 het khalifaat van Cordova zich oploste in verscheidene kleine Moorsche koninkrijken en de vroegere eensgezindheid geweken was, nam de macht der Christenen gestadig toe. Van weerszijden werd er met verbittering gestreden; men beschouwde het als een Godwelgevallig werk elkander elken duim breed gronds te betwisten. In deze oorlogen maakte een zekere Rodrigo Diaz, bijgenaamd de Cid (heer) zich door zijne heldendaden beroemd.
In het jaar 1236 moest Cordova bukken voor de macht van den koning van Castilië. De Mooren hielden zich evenwel nog twee en een halve eeuw staande in Granada, eene stad, die, evenals Cordova, kon bogen op de prachtigste gebouwen. Nog heden ten dage staren de reizigers vol bewondering op de ruïnen van het eens zoo schoone en groote paleis, de Alhambra.
Langzamerhand hadden de Christenen in Spanje drie koninkrijken gesticht n.l. Castilië, Arragon en Portugal. In het laatst der 15de eeuw huwde koning Ferdinand van Arragon met koningin Isabella van Castilië en daarmee was de grondslag gelegd voor Spanje's toekomstige macht. De Mooren ondervonden die in het jaar 1492, toen hun laatste bolwerk, Granada, zich aan het vereenigde leger van Ferdinand en Isabella moest overgeven. Bij de overgave werd den Mooren volkomene vrijheid van godsdienst toegestaan. De Christenen kwamen hunne beloften slecht na. Eerst trachtte men de Mooren door overreding, en toen dit niet baatte, door geweld tot het Christendom te bekeeren. Velen hunner verlieten liever het land, waar ze waren geboren en staken naar Afrika over; anderen gingen in schijn tot de Christelijke kerk over en werden Morisco's genoemd.
Onder Philips II kwamen de Morisco's in opstand, omdat deze hun wilde dwingen afstand te doen van hunne eigenaardige taal, zeden en gewoonten; zij werden evenwel door Philips halfbroeder, Don Jan van Oostenrijk, weder tot onderwerping gebracht.
Om de schijn-christenen onder de Mooren op te sporen werd de inquisitie of de rechtbank van geloofsonderzoek ingesteld. Toen evenwel het eene noch het andere baatte, gaf Philips III in 1609 bevel, dat de nog aanwezige afstammelingen der Mooren het land moesten ruimen.
Achthonderd duizend Mooren verlieten toen hun vaderland en staken naar Afrika over, waar velen zich als zeeroovers op hunne onderdrukkers trachtten te wreken. Spanje kreeg daardoor een grooten knak; bloeiende steden en dorpen werden ontvolkt; lachende streken, door gemis aan werklieden, veranderd in woestijnen. Ook den Joden trof een dergelijk lot. Dezen vonden in andere landen, vooral in Nederland, (Portugeesche Joden) eene veilige schuilplaats.