← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

40. IETS OVER DE CHRISTELIJKE KERK IN DE MIDDELEEUWEN.

Reading edition

Langzamerhand breidde het Christendom zich uit onder de volken van Europa. Vooral was dit het werk van edele mannen, die als zendelingen hun leven waagden onder de ruwe heidenen. Onder deze zendelingen hebben vooral Willebrordus, Winfried of Bonifacius, Ludger en Ansgar uitgemunt. De eerste, dien men den apostel der Nederlanders mag noemen, stierf omstreeks 739. De tweede, ook bekend onder den naam van apostel der Duitschers, werd in 755 door de heidensche Friezen bij Dokkum vermoord. Ludger, een Friesch edelman, die tijdens Karel den Grooten leefde, predikte met goed gevolg het Christendom in Friesland, Groningen en het n.w. deel van Duitschland. Ansgar eindelijk, die het Christendom bracht tot de Denen en Zweden, noemt men wel den apostel van het Noorden. Hij overleed in het jaar 865. Het laatst van alle Europeesche volken (omstreeks het jaar 1000) namen de Russen het Christendom aan.

Behalve dit volk en de Grieken erkenden de overige volken den bisschop van Rome, die later uitsluitend den naam van paus (papa, vader) ontving, als het opperhoofd der kerk. Beide eerstgenoemde volken vereerden als zoodanig den patriarch van Constantinopel.

Ten gevolge van den naijver tusschen beide kerkvorsten werd in het jaar 1054 de Katholieke kerk verdeeld in de Latijnsche met Rome en de Grieksche met Constantinopel tot hoofdstad.

Gedurende de Middeleeuwen was er dikwijls strijd tusschen den paus en den keizer van Duitschland, daar beiden streefden naar de oppermacht. Vroeger hebben we dit reeds opgemerkt, toen we spraken over keizer Hendrik IV.

Door verschillende oorzaken, maar bovenal door de gezegende werking van het Christendom namen de Europeërs toe in beschaving; hunne zeden werden zachter en beter. Dit ging evenwel niet eensklaps, maar langzamerhand; het goede toch wordt door de menschen niet zoo spoedig opgenomen als het booze en onreine.

De Christelijke kerk was in de Middeleeuwen niet in alles zoo, als ze wezen moest. Sommige menschen merkten er verkeerdheden en gebreken in op en poogden die op de eene of andere wijze te verbeteren; gewoonlijk zonder goed gevolg. Dit beproefden onder anderen de Waldenzen, zoo genoemd naar een' koopman uit Lyon, Petrus Waldus. Wijl ze zich met de toenmalige kerkleer niet konden vereenigen, werden ze ketters genoemd en vreeselijk vervolgd.

Omstreeks het jaar 1460 tastte een professor aan de hoogeschool te Oxford, Johannes Wiklef, de gebreken in de kerk aan; vooral ijverde hij zeer tegen sommige monnikenorden. De geschriften van dezen man werden naar Duitschland gebracht en daar gelezen door Johannes Huss, hoogleeraar aan de toen beroemde hoogeschool te Praag.

Deze kwam daardoor tot dezelfde inzichten en sprak toen openlijk uit, wat naar zijne meening in de kerk niet deugde.

Daarom werd hij voor eene aanzienlijke kerkvergadering gedaagd, die van 1414 tot 1418 in de stad Constanz werd gehouden. Huss, die niets goeds van dit concilie verwachtte, weigerde eerst te verschijnen, doch werd daartoe overgehaald door keizer Sigismund, die hem vrijgeleide beloofde. Daarop vertrouwende, verscheen hij dan ook voor de rechtbank der aanzienlijke geestelijken en vorsten. Dewijl hij niet kon en wilde herroepen, wat hij vroeger geleerd en geschreven had, wisten zijne vijanden te bewerken, dat Sigismund hem aan zijn lot overliet. Dat lot was vreeslijk genoeg; hij werd tot den brandstapel veroordeeld en onderging in 1415 dit wreede vonnis. Zijne aanhangers in Boheme, woedend over de lafhartigheid en trouweloosheid van Sigismund, grepen naar de wapens, en zoo ontstond de zoogenoemde Hussietenoorlog, (1419-1436) die den Bohemers veel bloed en tranen heeft gekost.

Behalve de zaak van Huss, moest het concilie te Constanz maatregelen beramen om eene groote scheuring, die er in de Latijnsche kerk was ontstaan, te doen ophouden en eene hervorming in hoofd en leden te bewerken.

Omstreeks dezen tijd waren er toch niet minder dan drie mannen, welke elkander den pauselijken zetel betwistten. De kerkvergadering zette 2 pausen af, haalde den derden over te bedanken en benoemde in 1417 een nieuwen paus, Martinus V genaamd.

Hoe meer het einde der Middeleeuwen naderde, des te meer pogingen werden er òf door enkele mannen, òf door vereenigingen aangewend om de Christelijke kerk te zuiveren van hare gebreken. Ons vaderland mag ook roem dragen op zulke mannen. Wij noemen slechts: Rudolf Agrikola, geboren te Baflo, een dorp in de provincie Groningen, Wessel Gansfort, een Groninger van geboorte, Desiderius Erasmus van Rotterdam, en niet het minst Geert Groote, de edele stichter van de Broederschap des gemeenen Levens.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings