← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

37. EEN KEIZER EN EEN PAUS.

Reading edition

(Hendrik IV en Gregorius VII.)

In 't laatst van December 1076 ondernam een klein reisgezelschap eene moeielijke reis langs onbegaanbare wegen over de Alpen. Het bestond uit man, vrouw, kind, een' vriend en een klein getal mannelijke en vrouwelijke bedienden. De winter was buitengewoon streng; de bergen, waarover de tocht plaats had, waren zoozeer met sneeuw en ijs bedekt, dat men, zonder gevaar, noch te voet, noch te paard langs de steile en gladde helling af dalen kon. De reizigers lieten zich daardoor niet afschrikken; zij wilden en moesten in Italië wezen. De mannen kropen nu eens op handen en voeten, leunden dan weder op de schouders der gidsen of lieten zich, wanneer hun voet uitgleed, vallen en rolden verder. De vrouwen werden op ossenhuiden geplaatst en zoo door de gidsen naar beneden getrokken. De paarden werden met samengebonden pooten voortgesleept, en daardoor kwamen de meesten om. Na ongelooflijke moeite en inspanning stonden de reizigers eindelijk op den bodem van Italië. Aan uitrusten konden ze evenwel niet denken. Voort ging het, totdat ze eindelijk den 25 Januari 1077 aankwamen bij het sterke slot Canossa, niet ver van het stadje Reggio gelegen. In dat slot bevond zich op dat oogenblik paus Gregorius VII, een man, die zich als levensdoel gesteld had: de verheffing van de kerk boven den staat. Alle vorsten en koningen moesten hunne macht ontleenen aan den paus. De paus was gelijk de zon, de keizer van Duitschland de maan. Hij was verder een man van een streng-zedelijken levenswandel, die alle krachten inspande om de misbruiken, die in de Christelijke kerk heerschten, uit te roeien.

Daarom ijverde hij tegen de simonie, d. i. tegen den koop en verkoop van geestelijke ambten; tegen de investituur, d.i. tegen het recht, dat de vorsten tot dusverre hadden uitgeoefend, om priesters met ring en staf, als teeken hunner waardigheid te bekleeden. Verder dreef hij met ijzeren volharding het coelibaat of het ongehuwde leven der geestelijken door. Tot dien strengen, machtigen man nu richtten de reizigers hunne schreden. De voornaamste van hen werd binnen den tweeden ringmuur van het kasteel toegelaten. Hier stond hij drie dagen lang met een wollen hemd bekleed, in de open lucht, blootshoofds en barrevoets, zonder eenige spijs of drank te nuttigen. Die man onderging dit alles, om daardoor den Paus te bewegen den banvloek op te heffen, dien deze over hem had uitgesproken. Eindelijk op den vierden dag liet Gregorius den boeteling voor zich komen en ontsloeg hem van den ban, onder voorwaarde, dat hij naar Duitschland zou gaan en daar de verdere beslissing van zijn lot afwachten.

Wie was die man, vraagt ge, die zich zulk eene vernedering moest laten welgevallen? Die man was de koning van Duitschland, Hendrik IV. Waarom hij zich zoo moest vernederen, zullen we u verhalen.

Hendrik IV had het ongeluk zijn' vader reeds te verliezen, toen hij nog maar zes jaren oud was. Eerst was een zekere Hanno, aartsbisschop van Keulen, een streng man, zijn opvoeder en later bisschop Adalbert van Bremen, die hem in alles zijn' zin gaf en daardoor in den grond bedierf. Ook boezemde deze hem een grooten haat in tegen de Saksen, en juist deze haat maakte hem wreed en onrechtvaardig.

Nauwelijks had hij de regeering aanvaard, of hij toonde den Saksen, wat ze van hem te wachten hadden. Hij liet in hun land sterke kasteelen bouwen en daarin soldaten leggen, die het land afstroopten en de bewoners uitplunderden. De Saksische edelen smeekten den Koning, dat hij die geweldenarij zou laten ophouden, maar hij verhoorde hunne beden niet. Nu was hun geduld uitgeput; met een leger van 60000 man brachten ze Hendrik zoo in 't nauw, dat hij Saksen in allerijl verlaten moest. De kasteelen werden omvergehaald, en thans nog ziet men hier en daar in den Harts er de ruïnes van. Hendrik begaf zich naar Worms (1075) en verzamelde er een leger, waarmee hij zijne vijanden overwon. Zwaar had het ongelukkige Saksen het nu te verantwoorden. Het land werd verwoest, de bewoners van vrijheid of leven beroofd. Door den nood gedwongen, wendden de Saksen zich tot den Paus en smeekten hem om hulp.

Deze hoorde bereidwillig hunne klachten aan en vermaande Hendrik zijne onderdanen beter te behandelen.

Toen dit niet baatte, kwamen er pauselijke afgezanten, die hem bevalen binnen 60 dagen te Rome voor eene geestelijke rechtbank te verschijnen. Wanneer hij niet kwam, zou de banvloek over hem worden uitgesproken. Hendrik was woedend, toen hij dit hoorde. De pauselijke gezanten joeg hij met spot en schimp uit het land, maar Gregorius liet zich niet vervaard maken: hij sprak den banvloek over Hendrik uit. Daarbij werden de Christenen ontslagen van alle eeden, die ze den Koning hadden gezworen; geen onderdaan of dienaar mocht hem meer gehoorzamen, geen priester hem de heilige sacramenten toedienen; ieder moest hem schuwen als de pest.

In 't eerst lachte Hendrik wat om den ban; maar toen hij bemerkte, dat de Duitsche vorsten er niet zoo over dachten, ja zelfs een besluit namen om een anderen koning te verkiezen, wanneer hij niet binnen 't jaar van den ban ontslagen was, besloot hij zich voor den Paus te vernederen. Vandaar, dat we hem als een ellendigen boeteling bij Canossa zagen. De boete, Hendrik opgelegd, was in de oogen van vele zijner onderdanen veel te streng geweest. Het medelijden werd daardoor opgewekt, en het gelukte hem een groot leger op de been te brengen, waarmede hij eerst zijne vijanden in Duitschland ten onder bracht en daarna naar Italië toog om zich op den Paus te wreken. Rome werd twee jaar belegerd en in het derde jaar veroverd. Hendrik wilde zich met den Paus verzoenen, wanneer deze hem als keizer wilde kronen. Dit aanbod wees Gregorius met verontwaardiging van de hand. Daarop liet Hendrik Clemens III als paus verkiezen, en deze zette hem de keizerskroon op het hoofd. Gregorius ontkwam de gevangenschap door de vlucht naar Salerno, waar hij den 25 Mei 1085 stierf. Zijne laatste woorden waren: "Ik heb de gerechtigheid liefgehad en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik hier in ballingschap."

Hendrik had een jammerlijk uiteinde. Door zijne vroegere vrienden verlaten, ja zelfs door zijne eigene zonen, Koenraad en Hendrik, bedrogen en verraden, stierf hij in het jaar 1106 te Luik; juist toen hij toebereidselen maakte om zijn ontaarden zoon Hendrik te beoorlogen. Waarlijk, wij gevoelen innig medelijden met den man, die zich door eigen schuld zooveel ongeluk en lijden op den hals haalde. Hij sprak waarheid, toen hij eens uitriep: "Ik lijd voor de zonden mijner jeugd, zooals nog geen vorst geleden heeft."

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings