29. EENE VERDRUKTE SECTE TOT EER VERHEVEN.
Reading edition
Constantijn de Groote (323-337).
Toen Augustus keizer van 't Romeinsche rijk was, werd in de kleine stad Bethlehem in Judea Jezus Christus, de stichter van den Christelijken godsdienst, geboren. Hoewel gering en onaanzienlijk naar de wereld, heeft hij voor de beschaving, veredeling en verbetering van ons geslacht meer gedaan dan al de keizers van het machtige Romeinsche rijk te zamen. Op zijn dertigste jaar trad hij openlijk als leeraar onder zijn volk op. Doch, wijl hij alle menschen, hetzij ze rijk of arm waren, onverbloemd de waarheid deed hooren, haalde hij zich den haat van velen op den hals, die het eindelijk zoo ver wisten te brengen, dat hij gevangengenomen en gekruisigd werd. Met zijn' dood verdwenen zijne beginselen en zijn geest niet van de aarde. Tijdens zijn leven had Jezus twaalf leerlingen om zich verzameld, die later zijn' godsdienst, het Christendom, niet alleen in Palaestina maar ook in andere landen predikten. Zoo werd het Christendom weldra ook in Europa, onder de beschaafde Grieken en Romeinen verkondigd. Vooral armen en verdrukten namen begeerig een' godsdienst aan, die zich bovenal de aankweeking van algemeene menschenliefde ten doel stelde. Hevige vervolgingen hadden de Christenen van sommige Romeinsche keizers door te staan. Ze werden als honden geslagen, gemarteld en gedood. Duizenden verloren hun leven op den brandstapel, aan het kruis of op eene andere barbaarsche wijze. Doch het bloed der martelaren bleek het zaad der kerk te zijn. Hoe meer de Christenen werden vervolgd en onder hunne vervolging nog liefde voor hunne vijanden en een onbezweken geloofsmoed aan den dag legden, des te grooter werd hun aantal. De vervolgingen hadden verder nog dit gunstig gevolg, dat de Christelijke gemeente bevrijd bleef van dezulken, die alleen uit eigenbelang zich bij haar aansloten. In de vierde eeuw kwam er verademing voor de verdrukte Christenen. Ze hadden dit te danken aan Constantijn den Grooten, een man, die als een der bekwaamste keizers van Rome bekend staat.
Constantijn had, vóór hij aan de regeering kwam, vele mededingers te overwinnen. Zijn' voorspoed in den oorlog had hij vooral aan de krachtige hulp der Christenen te danken, die in grooten getale in zijne legers dienden. Vandaar dat hij zeer gunstig jegens hen gestemd was, waartoe zeker ook zal hebben bijgedragen, dat zijne moeder Helena eene Christin was.
Anderen schrijven zijne gunstige gezindheid toe aan een buitengewoon verschijnsel in de lucht, dat hij zou hebben waargenomen. Toen hij namelijk met zijn leger tegenover dat van zijn' mededinger Maxentius stond, wendde hij zich in een vurig gebed tot God om bijstand. En ziet! er gebeurde een wonder. Op klaarlichten dag meende Constantijn boven de zon het teeken des kruises te zien staan, met dit opschrift: "In dit teeken zult gij overwinnen." Groot en verschillend was de uitwerking van dit verschijnsel. De Heidenen vreesden er het ergste van; de Christenen werden vervuld met vroolijken moed. Daardoor gesterkt trokken ze naar Rome en veroverden de stad na een bloedig gevecht.
Wat er van dit verhaal ook zij: zeker is het, dat Constantijn na zijne overwinning zijn leger een nieuwen standaard gaf in den vorm van een kruis, labarum genoemd. De Christenen konden zich sedert dien tijd in zijne veelvermogende bescherming verheugen. Jegens de Heidenen was hij verdraagzaam; zij mochten als van ouds hunne goden vereeren.
In het jaar 330 verplaatste hij den zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat naar hem Constantinopel werd genoemd. Deze stad werd door hem met vele prachtige paleizen en trotsche kerken versierd en begon weldra zoo te bloeien, dat zij het oude Rome in de schaduw stelde.
Helena, de vrome moeder des Keizers, liet boven de plaats, waar men vermoedde, dat Jezus begraven was, eene prachtige kerk bouwen, die nog in wezen is.
Nadat Constantijn het Christendom tot godsdienst van den staat had verklaard, kwam het Heidendom in minachting; en velen haastten zich een' godsdienst aan te nemen, waardoor ze den keizer welgevallig werden. De Christelijke kerk werd daardoor niet beter. De oude reinheid van zeden, nederigheid en godsvrucht maakten dikwijls plaats voor heidensche losbandigheid, hoogmoed en praal.
Constantijn, hoewel een beschermer der Christenen, bleef den titel behouden van opperpriester; ook gaf hij soms blijken van wreedheid en bijgeloof. Zoo liet hij zijn eigen hoogbegaafden zoon Crispus en zijne gemalin Fausta om het leven brengen. Eerst, toen hij op 65 jarigen leeftijd zijn einde voelde naderen, liet hij zich doopen. Den 22 Mei 337 blies hij den laatsten adem uit.