13. SOCRATES.
Reading edition
Onder de wijze en edele mannen, die de oudheid heeft aan te wijzen, behoort Socrates in de eerste plaats genoemd te worden. Hij was de zoon van een' beeldhouwer en oefende zich in zijne jeugd in 't handwerk zijns vaders. Doch dit werk kon zijn' dorst naar wijsheid niet bevredigen. Met alle kracht streefde hij er naar, zich zelven zoo veel mogelijk te volmaken, en door leer en voorbeeld het toenemende zedenbederf in Athene te keer te gaan. Door zijn rijken vriend Criton werd hij in de gelegenheid gesteld, de geschriften der wijzen te beoefenen en het onderricht der beroemdste leeraars bij te wonen. Hij maakte echter van zijne wijsheid geene handelszaak, zooals andere geleerden van die dagen, maar trachtte vooral door zijn voorbeeld de voortreffelijkheid zijner leer aan te toonen. Dientengevolge onderwees hij niet in 't een of ander gebouw, maar bevond zich meest op openbare plaatsen, waar gewoonlijk vele menschen bijeenkwamen en deelde daar zijne lessen uit. Ook was hij steeds vergezeld van eene schaar jongelieden, die prijs stelden op zijn onderwijs en geheel met zijne denkbeelden vervuld werden. Onder die leerlingen tellen wij vele beroemde mannen, die naderhand heerlijke werken hebben geschreven, welke de bewondering van tijdgenooten en nageslacht hebben gaande gemaakt. Wij noemen onder velen Euclides, die zooveel prijs stelde op 't onderwijs van Socrates, dat hij er niet tegen opzag een' weg van 8 uren gaans af te leggen, ten einde gedurende een' dag het onderwijs van den geliefden meester te kunnen genieten.
Verder Xenophon. Deze, een zeer schoon jongeling, ontmoette Socrates op de straat en werd door dezen staande gehouden met de woorden: "Waar koopt men meel?" "Wel op de markt," antwoordde de gevraagde. "En olie?" "Ook daar." "Maar waar gaat men heen, om wijs en deugdzaam te worden," vroeg Socrates verder.
Toen Xenophon daarop niet dadelijk wist te antwoorden, zeide Socrates: "Volg mij, ik zal 't u zeggen." Van stonden aan was Xenophon een der ijverigste leerlingen van Socrates. Verder hebben Plato, Antisthenes en anderen zich door hunne geschriften wereldberoemd gemaakt.
En wat leerde die wijze man dan wel? "Ken u zelven" was zijne zinspreuk. Zich zelven te beheerschen, zijne hartstochten in toom te houden, met zoo weinig mogelijk tevreden te zijn: dat waren de hoofdzaken, die hij leerde niet alleen, maar die hij ook in beoefening bracht. Matigheid beschouwde hij als den grondslag der deugd. Wie het minste behoeft, zeide hij, is het meest den goden gelijk. Hij zelf was dan ook een voorbeeld van matigheid in spijs, drank en kleedij, waardoor hij gehard werd tegen koude, hitte, honger en dorst. Zijn van nature driftigen aard wist hij door aanhoudende oplettendheid op zich zelven zoo te bedwingen, dat hij in alle omstandigheden zijne bedaardheid behield en zelfs bij de grofste beleedigingen niet toornig werd.
Hij had trouwens wel gelegenheid zich in geduld en lijdzaamheid te oefenen, want hij bezat eene vrouw, wier naam nu nog dient om een uiterst lastig en onverdraagzaam humeur aan te wijzen. Zij heette Xanthippe. Een enkel staaltje uit vele. Eens was zij weder in eene uiterst kwade bui. Socrates hoorde bedaard en kalm den vloed harer scheldwoorden en verwijtingen aan, maar toen zijne bedaardheid haar nog steeds woedender maakte, verliet hij het huis. Nu goot Xanthippe hem eene kom met water over 't hoofd. Zonder eenigszins boos te worden, zeide Socrates: "Ik dacht het wel, dat op dat onweder nog regen zoude volgen."
Zijn geestige en bezielende taal, maar vooral zijn leven en werken, konden niet nalaten, grooten invloed uit te oefenen op zijne tijdgenooten. Velen, die zich anders weinig om de deugd bekommerden, kwamen door hem tot inkeer.
Zelfs de lichtzinnige Alcibiades (waarover later) moest van hem bekennen: "Door Socrates woorden word ik zoo geroerd, dat mij het hart klopt en de tranen mij in de oogen komen." Een openbaar ambt bekleedde hij niet, maar niettemin kweet hij zich voortreffelijk van zijne plichten als burger. Riep het vaderland zijne zonen op ten strijde, dan vond het Socrates dadelijk bereid, en toonde hij een even dapper krijgsman als wijs leeraar en voorbeeldig mensch te zijn. Maar streng was hij, onverbiddelijk streng. De rijken en aanzienlijken moesten dikwijls harde waarheden van hem hooren, en daarom haatten zij hem en zochten hem ten val te brengen. En werkelijk wisten zijne vijanden het zoover te brengen, dat hij beschuldigd werd, de goden beleedigd en de jeugd bedorven te hebben. Zijne verdediging was waardig en verheven; toch veroordeelde de rechtbank hem tot het drinken van den giftbeker.
Kalm en bedaard hoorde de 70 jarige grijsaard dit vonnis aan. Zijne leerlingen echter waren ten prooi aan de grootste droefheid en wanhoop. "Ach," zegt Apollodorus, "het grieft mij, dat gij zoo onschuldig moet sterven." Glimlachend antwoordt Socrates: "Zoudt gij misschien liever willen, dat ik schuldig stierf?" Maar men wil den geliefden meester bevrijden. Voor geld kan men in Athene veel gedaan krijgen. Criton heeft de wachters omgekocht. Alles is tot de vlucht naar Thessalië voorbereid. Criton kende echter nog niet de strenge beginselen van zijn' leeraar en vriend. "Mijn lieve Criton!" zegt Socrates, "ik heb zoolang de zegeningen genoten van de wetten van den staat, zoude ik er mij nu nog aan bezondigen? En bovendien wijs mij eene plaats aan waar men niet sterft."
De laatste dagen bracht Socrates met zijne geliefde jongeren in den kerker door, sprekende over de onsterfelijkheid der ziel en andere merkwaardige zaken.
Kalm en onverschrokken dronk de edele man den giftbeker. Met hem stierf Griekenlands edelste en beste burger. Pas was Socrates gestorven, of Athene besefte, dat het eene misdaad tegen hem gepleegd had. Men haastte zich zooveel mogelijk, zijne nagedachtenis te huldigen en zijne eer te herstellen, en de rechters, die voor zijnen dood gestemd hadden, werden zoodanig aan de openbare verachting prijsgegeven, dat sommigen de stad verlieten en anderen zich van het leven beroofden.