35. HENDRIK I EN OTTO I.
Reading edition
In het jaar 911 overleed de laatste nakomeling van Karel den Grooten, die over Duitschland het bewind voerde. Hij heette Lodewijk en droeg den bijnaam het kind.
Gedurende zijne zwakke regeering en die van zijne meeste voorgangers verkeerde Duitschland in een hoogst ongelukkigen toestand. De leenmannen namen gaandeweg in macht en aanzien toe. Ze stoorden zich bedroefd weinig aan hunne zwakke leenheeren en deden, wat ze verkozen. De weinige vrijen, die tot dusverre hunne onafhankelijkheid hadden weten te bewaren, werden door den nood gedwongen hunne bezittingen in eigendom af te staan aan den een of anderen machtigen heer, die hen tegen ruwe aanvallen kon beschermen. Deze gaf hun dan die bezittingen als een erfelijk leen terug. Het recht van den sterkste heerschte in dien tijd onbeperkt. Tot nog grooter ongeluk deden de Noormannen, Slaven en Hongaren juist toen hunne verwoestende invallen. Nergens vonden zij een leger, dat hen op hunne plundertochten stuitte; want er was volstrekt geen eenheid in het rijk. Aan dien ongelukkigen toestand werd een einde gemaakt door Hendrik I, die van 919 tot 936 de teugels van het bewind in handen had. Vóor hem had Koenraad van Frankenland als koning geregeerd, doch dezen was het niet gelukt, zich door de machtige hertogen te doen eerbiedigen. Bij zijn' dood beval hij Hendrik, hertog van Saksenland, zijn grootsten tegenstander, als zijn opvolger aan. Zijne edelmoedige daad droeg heerlijke vruchten.
Hendrik toch was een man, naar lichaam en geest geschikt om te regeeren. Hij had een koninklijk voorkomen, was groot en breed van gestalte, bezat een scherp verstand en was bedachtzaam en vriendelijk. 't Duurde niet lang, of al de oproerige hertogen erkenden zijne oppermacht. Lotharingen werd door hem aan Duitschland gehecht, en de Wenden, die in het n.w. van het rijk invallen deden, werden onderworpen. Met de Hongaren sloot hij een' wapenstilstand van negen jaren, onder voorwaarde, dat hij hun eene jaarlijksche schatting zou opbrengen. Wel was dit zeer vernederend voor Duitschland; maar de Koning had daarvoor zijne goede redenen. De Duitschers waren nog te zwak om het wilde ruitervolk te weerstaan; hij nam echter dadelijk vele heilzame en goede maatregelen, om hen daarvoor geschikt te maken. In de eerste plaats was hij er op bedacht om de orde en de veiligheid in het rijk te herstellen; de roovers ging hij met zoo krachtige hand te keer, dat ze weldra uitgeroeid waren. Daar het land bijna overal open was, stichtte hij vooral aan de oostelijke grenzen van het rijk versterkte steden en burchten, waarin de landlieden in tijd van nood eene veilige schuilplaats konden vinden. Ten einde de steden bevolkt te krijgen, gebood hij, dat van negen landlieden éen, bij loting te bepalen, zich er in moest nederzetten. De menschen, die zich in een' burcht of burg metterwoon gingen vestigen, werden burgers genoemd en ontvingen van den vorst vele voorrechten, waardoor ze zich gemakkelijk in hun lot leerden schikken. Wijl de nederlagen, die de Duitschers van de Hongaren leden, vooral aan eene verkeerde wijze van oorlogvoeren waren toe te schrijven, bracht hij ook daarin eene groote verbetering. De zware wapens werden door lichtere vervangen, en, behalve voor voetvolk, zorgde hij voor geoefende ruiters.
Eindelijk waren de negen jaren verstreken. Daar kwamen de Hongaarsche gezanten bij Hendrik om de schatting op te eischen.
"Dat is al, wat ik voor u heb," zei Hendrik op vastberaden toon en liet hun meteen een verminkten hond aanreiken. De gezanten waren woedend en beloofden zich vreeslijk te zullen wreken. Ze lieten het niet bij het zeggen. Een groot leger Hongaren drong moordend en plunderend tot in het hart van Duitschland door. Niet verre van Merseburg had Hendrik zijn leger geposteerd; daar kwam het in 993 tot een' slag. De Koning gewende eerst zijne soldaten aan het gezicht en de krijgsbewegingen der Hongaren. Toen hunne woede jegens dit woeste volk was opgewekt, schaarde hij zijn leger in slagorde. Zijne woorden vuurden den moed der zijnen zoodanig aan, dat ze uitriepen: "Wij willen strijden voor Gods altaren, voor de eer des rijks en voor de veiligheid der onzen!"
Hevig en onwederslaanbaar was de aanval der Duitschers; maar ook de Hongaren hielden zich dapper. Op hunne vlugge rossen stoven zij op den vijand in, doch moesten wijken voor Hendriks dappere krijgers. De Hongaren delfden het onderspit; in allerijl sloegen ze op de vlucht en werden acht dagen lang door de overwinnaars achtervolgd, die in de legerplaats de gevangen vrouwen en kinderen juichend bevrijdden en er een onmetelijken buit vonden.
Drie jaren na deze schitterende overwinning overleed Hendrik; zijn zoon Otto werd tot zijn' opvolger gekozen en met groote pracht te Aken gekroond. Evenals zijn vader was hij een krachtig en wijs regent, die ten volle den bijnaam van den grooten verdient, hem door tijdgenoot en nakomeling geschonken.
Ontzag en eerbiedwekkend was Otto's voorkomen. Het doel van zijn leven en werken was het voorbeeld van Karel den Grooten ná te volgen. Evenals deze was hij een geducht vijand, die zijne tegenstanders ter neder wierp en verpletterde; berouwhebbenden daarentegen behandelde hij met onuitputtelijke grootmoedigheid. Hij was een voorstander van het recht en woonde nu hier, dan daar in het rijk om daardoor de eenheid tusschen de verschillende stammen te bevorderen. Hij bevorderde de uitbreiding van het Christendom; onder zijn bestuur werd het tot de Denen en de Slaven gebracht.
Jammer, dat deze groote vorst het grootste deel zijner regeering op het slagveld moest doorbrengen. Sommige Duitsche hertogen weigerden hem als opperheer te erkennen en moesten daartoe door de scherpte des zwaards worden gedwongen. Veel verdriet veroorzaakten hem de samenzweringen, die door zijn naijverigen broeder Hendrik tegen hem gesmeed werden om hem van troon en leven te berooven. Gelukkig wist hij ze alle te verijdelen en betoonde zich telkens vergevensgezind. De Wenden en de Denen werden door hem onderworpen, ja zelfs de Polen moesten zijne opperheerschappij erkennen.
Het hoogste doel van zijn wenschen, de keizerskroon, kwam ook in zijn bezit. Door de vervolgde koningin Adelheid ter hulp geroepen, snelde hij in 951 naar Italië, overwon de vijanden der schoone en deugdzame vrouw en nam haar ten huwelijk. Daardoor werd hij koning van Italië. Op een tweeden tocht (962) liet Otto zich tot keizer kronen. Sedert dien tijd droegen de Duitsche koningen den titel van keizer, ofschoon in den beginne slechts zij dien mochten dragen, die in Rome door den Paus waren gekroond.
In het jaar 955 waagden de Hongaren weder een verwoestenden inval. In onafzienbare scharen trokken de woeste roovers het land door en riepen: "Onze paarden alleen kunnen den oorlog wel ten einde brengen; zij zullen de Duitsche rivieren en meren uitdrinken en de dorpen en steden onder hunne hoeven verpletteren. De Duitschers zijn zeker verloren, tenzij de aarde zich voor hen opene of de hemel op ons neerstorte." In de nabijheid van Augsburg op het Lechveld kwam het tusschen het leger van Otto en de Hongaren tot een' slag. Het Duitsche leger was wel niet talrijk, maar vol vertrouwen op God. Voor het begin van den strijd gebruikte de Koning met zijne krijgers het heilige avondmaal. Hierop knielden ze neder en smeekten God om hulp. De slag nam nu een' aanvang. De Duitschers streden met heldenmoed. De vijand werd overhoop geworpen en maakte zich in wilde vlucht uit de voeten. Meer dan 100,000 krijgers dekten, volgens het volksverhaal, met hunne lijken het slagveld.
Sedert deze overwinning herhaalden de Hongaren hunne verwoestende invallen niet meer. Niet lang daarna namen ze het Christendom aan, en daardoor werden hunne zeden zachter en vredelievender. Otto de groote stierf in het jaar 973. In den dom te Maagdenburg rust zijn gebeente, en op de markt van die stad is een standbeeld te zijner eere opgericht.