← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

36. KIJKJE IN DE MIDDELEEUWSCHE MAATSCHAPPIJ.

Reading edition

I.

In het begin der Middeleeuwen was een groot deel van West-Europa nog bedekt met groote, ondoordringbare wouden; slechts hier en daar merkte men eenige steden en dorpen op. De eerste hadden haar ontstaan vooral aan Romeinsche legerplaatsen te danken. De Germaan hield toen nog niet van het wonen in steden, die hij als gevangenissen beschouwde; hij leefde liever op zijne hoeve, te midden der vrije natuur. Daar was hij onbeperkt gebieder over al zijne onderhoorigen en lijfeigenen, die zijne akkers bebouwden en zijn vee verzorgden. Hij zelf bemoeide zich daar niet mee; hij hield zich enkel bezig met jacht en vischvangst en nog het liefst met den krijg, want de Germanen waren over 't geheel zeer oorlogzuchtig. Zij waren dan ook recht in hun element, wanneer zij onder hunne zelfgekozen aanvoerders ten strijde konden trekken en rijken buit behalen. Dat de landbouw tengevolge daarvan op een zeer lagen trap stond, is gemakkelijk na te gaan. Van de graansoorten werden alleen haver en gerst verbouwd; in de 6de eeuw na Christus kwam de rogge en in de 8ste eeuw de tarwe naar West-Europa. Aan bemesting stoorden de Germanen zich niet: de lijfeigenen waren te lui of te onwillig om zich op de verbetering van den grond toe te leggen; vandaar dat hij slechts karige vruchten opleverde. Eerst nadat sommige kloosterlingen zich met ijver op de verbetering van den landbouw toelegden en hunne landerijen gingen bemesten, kwam daarin eenige verandering. Het aantal steden nam vooral in Duitschland zeer toe, nadat de Saksische keizers hunne onderdanen dwongen daarin een verblijf te zoeken. Vooral was dit het geval tijdens de kruistochten, toen de vrijgeworden lijfeigenen zich bij een kasteel of klooster gingen neerzetten en om deze nederzettingen muren bouwden ter beveiliging tegen de aanvallen der vijanden. De steden van toen zagen er geheel anders uit dan de tegenwoordige. De straten waren smal en bochtig; de huizen hoog en somber; plaveisel en straatverlichting waren voor de 15de eeuw eene ongekende weelde. In de huizen zag het ook al zeer eenvoudig uit; langs de wanden stonden banken; schoorsteenen kende men niet; glasruiten waren zeer zeldzaam. Steenen huizen zag men weinig; alleen paleizen, kerken en kloosters waren van steen opgetrokken; de meeste gebouwen bestonden uit hout.

Toen de bewoners der steden, poorters genoemd, later door handwerken en handel rijk werden, nam de weelde verbazend toe; de banken werden vervangen door sierlijk gebeeldhouwde stoelen; de grond werd met prachtige tapijten en de wanden met groote kristallen spiegels versierd. Dit alles was eene navolging van hetgeen de Westerlingen tijdens de kruistochten in het Oosten hadden gezien.

De spijzen zouden ons zeer vreemd en walgelijk zijn voorgekomen. Behalve het vleesch van varkens, paarden enz. gebruikte men ook dat van ooievaars, raven en zeehonden, alsmede walvischtongen. Vorken waren voor de 16de eeuw onbekend; men bracht de vaste spijzen met de hand naar den mond.

Ook de kleeding verschilde veel van de onze. De mannen droegen nauwsluitende tot de voeten reikende broeken, een wambuis en lederen schoenen of klompen; slechts aanzienlijke lieden droegen een' rok. Alleen in den oorlog bedekte men het hoofd met een' helm; in vredestijd liep men ongedekt. Hemden kende men niet; den hals droeg men bloot.

Na de kruistochten kwam in deze eenvoudige kleedij eene groote verandering. Men zag nu de mannen korte zijden lijfrokken dragen, met goud doorwerkt; ook soms een overkleed van zijde of fluweel, omzoomd met kostbaar bont. Broek en kousen waren uit één stuk en van laken vervaardigd. Aanzienlijke vrouwen kleedden zich in een lang, slepend gewaad, met goud doorstikt, met paarlen en edelgesteenten bezet en met wapens versierd. De wetten waren in den beginne niet geschreven, maar berustten op aloude gebruiken en instellingen. Bij de Franken mocht men ten tijde van Karel den Grooten geen vrij man tuchtigen; iedere misdaad kon door eene boete, weergeld genaamd, afgekocht worden. Hoe onbillijk ons thans dit weergeld ook moge schijnen, het had toch deze goede zijde, dat de bloedwraak, die nog ten huidigen dage bij sommige Oostersche volken vreeselijke gevolgen na zich sleept, er door voorkomen werd. Een' moord op een gewonen vrije kon men afkoopen met 200, van een graaf met 600 en van een lijfeigene met 35 goudstukken. Voor elk lichaamsdeel, dat gewond werd, voor elk scheldwoord, dat men elkaar naar 't hoofd wierp, was eene boete bepaald. Onder voorzitterschap van een' graaf of schout kwamen de schepenen, gewoonlijk de aanzienlijkste bewoners eener gouwe, bijeen om het recht uit te spreken. Kon de onschuld van den beklaagde niet duidelijk in 't licht worden gesteld, dan moest hij zich onderwerpen aan een zoogenaamd godsoordeel, dat uit een tweegevecht, uit de water- of vuurproef of iets dergelijks bestond.

Wanneer iemand de waterproef moest ondergaan, werd hij in een groot met water gevuld vat geworpen. Dreef hij boven, dan was hij door God gericht en ontving de straf der schuldigen; zonk hij, dan werd hij onschuldig verklaard en op vrije voeten gesteld, zoo hij ten minste nog leefde.

De onveiligheid van leven en bezittingen was in de Middeleeuwen ongelooflijk groot. Nergens bijna was men zijn leven zeker. Vooral de weinige vrijen, die er na de invoering van het leenstelsel overbleven, hadden het zwaar te verantwoorden. De eene stad was bijna onophoudelijk in oorlog met de andere; vandaar dat de burgers, zelfs in de residentie van den Paus, hunne huizen versterkten met zware balken en ijzeren traliën. Sommige adellijke heeren maakten er een beroep van, weerlooze landlieden en vreedzame reizigers van al het hunne te berooven en te mishandelen. Gewoonlijk was er geene macht in de wereld sterk genoeg om de boosdoeners te vatten en naar verdienste te straffen. De geestelijkheid trachtte door den Godsvrede ten minste eenige verademing te verschaffen. Daarbij werd op straffe van den banvloek bepaald, dat men de twisten van Donderdag-avond tot Maandag-morgen moest laten rusten.

Die onveiligheid en de schaamteloosheid der booswichten riepen in Duitschland eene instelling in het leven, onder den naam van veemgerecht bekend. Het woord veem is, naar men zegt, afkomstig van een woord, dat zooveel beteekent als verbannen, vloeken.

Het veemgerecht bestond uit een' voorzitter, die vrijgraaf heette en uit minstens 14 vrijschepenen, die men ook wetenden noemde, omdat ze bekend waren met de geheimen der heilige veem. Door een vreeselijken eed waren de rechters gehouden te zwijgen. Wie desniettegenstaande een geheim verklapte of iemand, door het veemgerecht ingedaagd, het vluchten mogelijk maakte, werd op huiveringwekkende wijze ter dood gebracht. De veemrechters erkenden slechts den keizer van Duitschland als hun opperhoofd; hij werd daarom ook ingewijd in al hunne geheimen.

De rechters kwamen in 't geheim op de eene of andere afgelegene plaats, in een bosch of op eene heide, te zamen, eerst bij dag, later alleen bij nacht. Wanneer iemand, hoog of laag, eene misdaad begaan had, werd hij door een der vrijschepenen aangeklaagd. Den volgenden dag werd dan op de deur van den beschuldigde eene indaging vastgehecht, waarbij hij werd opgeëischt om zich op een bepaalden tijd voor het veemgerecht te stellen ter verantwoording. Voldeed hij niet aan dezen eisch, dan werd hij zonder vorm van proces door een' der veemvechters of een' zijner handlangers om het leven gebracht. Verscheen bij wel ter bestemde plaatse, dan werd hij geblinddoekt en langs vele slingerpaden voor vermomde rechters gebracht. Kon de beklaagde zich met grond vrijpleiten van de hem ten laste gelegde misdaad, dan werd hij op even geheimzinnige wijze weer weggeleid; zoo niet, dan werd hij ter dood veroordeeld en het vonnis dadelijk aan hem voltrokken.

In den beginne werkte het veemgereecht krachtig de bandeloosheid tegen; later ontaardde het. De betere inrichting der gewone rechtbanken, de grootere macht der vorsten om de misdaden te keeren en de ontaarding van het veemgerecht zelf veroorzaakten, dat het tegen het einde der Middeleeuwen van alle macht en invloed was beroofd.

II.

Ten einde wat nauwkeuriger met den maatschappelijken toestand in dit tijdvak der geschiedenis bekend te worden, is het noodig, dat we nog iets vertellen van enkele instellingen en inrichtingen, die in de Middeleeuwen ontstonden en bloeiden.

In de eerste plaats het leenstelsel. Wanneer dit is ingevoerd, valt moeielijk te zeggen; het is langzamerhand ontstaan.

Het bestond hoofdzakelijk hierin, dat vorsten of aanzienlijke personen stukken land, uitgestrekte bosschen of vischrijke wateren voor persoonlijk gebruik afstonden aan die lieden, welke hun den een of anderen dienst hadden bewezen. De gever werd leenheer (souverein), de ontvanger leenman (vasal) genoemd. In den beginne stonden de bezitters van een vrij eigendom (allodium) in rang boven de leenmannen. Dit veranderde, toen de leenmannen door de vorsten met de aanzienlijkste ambten werden begiftigd, en zij hunne leenen erfelijk en door aankoop, verovering of erfenis grooter maakten. De vrije mannen kregen het nu zwaar te verantwoorden; menig machtig leenman aasde op hunne bezittingen, en daardoor waren ze genoodzaakt, die in eigendom aan een machtig vorst of heer af te slaan om ze daarna in leen weer terug te ontvangen. Daardoor verwierven zij zich de bescherming van den leenheer; zij waren nu niet alleen verplicht om op te komen ter verdediging van het vaderland, maar moesten in alle omstandigheden bij de eerste oproeping van den leenheer met gewapende mannen hem ter hulpe snellen. Weldra vond men in 't grootste deel van Europa slechts enkele leenheeren, vele leenmannen en geestelijken en voor de rest enkel lijfeigenen, die vooral te platten lande een treurig lot hadden. Uit deze lijfeigenen kwam, ten gevolge der kruistochten, de burgerstand te voorschijn; terwijl de adel van den nieuwen tijd grootendeels afkomstig is van de leenmannen.

De erfelijke leenen werden verdeeld in zwaard- en spille- leenen, terwijl men op sommige plaatsen ook zonneleenen had. Een zwaardleen was een leen, waarbij alleen een man kon opvolgen; bij een spilleleen had ook eene vrouw daartoe het recht. De bezitter van een zonneleen was van niemand afhankelijk dan van God en de zon; het was dus eigenlijk geen leen, maar een vrij eigendom of allodium.

Eene andere eigenaardige instelling was het ridderwezen. Evenmin als van het leenstelsel kan men zeggen, wanneer of hoe het ontstaan is. Dit is zeker, dat het langzamerhand werd ingevoerd bij alle Germaansche volken. Even zeker is het, dat Hendrik I van Saksen de grondslagen voor het ridderwezen heeft gelegd, en dat de kruistochten veel tot den bloei er van hebben bijgedragen. Een ridder dan was iemand, hetzij van adel of niet, die in den strijd te paard zat, met helm en harnas bedekt. Hij moest het Christendom verbreiden, weezen, weduwen en ongelukkigen beschermen tegen alle verdrukking; hij moest het onrecht wreken en de eer der vrouwen verdedigen. Verder moest hij zich onderscheiden door ootmoed voor God, menschlievendheid, dapperheid in den strijd en hoffelijkheid jegens de vrouwen. Voorwaar! eene grootsche en moeielijke taak. In rang stonden de ridders boven alle adellijken, die den ridderslag niet hadden ontvangen; bij aanzienlijke feesten zaten ze aan afzonderlijke tafels; bovendien hadden ze het recht om anderen tot ridder te slaan. De zonen der ridders werden gewoonlijk tot hun zevende jaar aan de zorg hunner moeders toevertrouwd; vervolgens moesten ze tot hun 14de jaar als edelknaap of page de vrouw van een vreemden ridder dienen en ontvingen dan onderwijs in muziek en dichtkunst, in loopen, zwemmen, rijden, schieten en in den wapenhandel. Daarna moesten ze nog 7 jaren als schildknaap in dienst van een' ridder vertoeven en ontvingen nu de laatste voorbereiding voor hun later leven. Ze moesten de paarden van hunnen heer verzorgen, zijne wapens poetsen en hem aan tafel bedienen. Voorts moesten ze zich oefenen in den wapenhandel en de onafscheidelijke metgezel zijn van hunnen heer in den strijd. Had de schildknaap bewijzen van moed en bekwaamheid gegeven, dan volgde met veel plechtigheid de ridderslag.

Nu mocht hij deelnemen aan de tournooien of steekspelen, die door vorsten en aanzienlijke ridders werden gegeven, en waarop hij zijne kracht en behendigheid kon toonen. Behalve met steekspelen vermaakten de edelen en ridders zich met de jacht op herten, beren, vossen, wilde zwijnen enz. Bijzonder geliefd was de valkenjacht, of liever de jacht, die men met afgerichte valken op klein gedierte hield.

Al deze vermaken hadden slechts in den zomer plaats; in den winter leidden de edelen over het geheel in hunne burchten een zeer vervelend leven. Waarmee zouden ze zich bezig houden? Lezen en schrijven hadden ze niet geleerd; dat was goed voor geestelijken en monniken: een rijke bron van genot was dus voor hen gesloten. Wel konden ze zich soms eens verlustigen in de grappen van hunnen nar of potsenmaker, maar ook dit werd op den duur vervelend.

Gelukkig waren ze, wanneer een rondtrekkende zanger bij tijd en wijle door schoone liederen hunne verveling kwam verdrijven. De aanvankelijk zoo schoone instelling van het ridderwezen ontaardde later op verregaande wijze. We behoeven slechts te spreken van de roofridders om dit aan te toonen. Deze mannen belemmerden met hunnen drom van woeste krijgers dikwijls den handel der nijvere burgers en stroopten de om hun' burcht gelegen streken af. Meestal leefden ze onderling in voortdurenden krijg en stoorden zich aan wet noch orde.

Wat het veemgerecht ter beteugeling van de roofzucht en baldadigheid der ridders deed, zagen we reeds. Eene andere instelling, die betere vruchten in dit opzicht heeft opgeleverd, was het Hanze-verbond. De verregaande onveiligheid te lande en ter zee noopte de kooplieden zich te vereenigen ter onderlinge bescherming. Dit deden ook eenige kooplieden te Lubeck en te Hamburg en hunne vereeniging werd het Hanze-verbond genoemd. Weldra kreeg het een grooten en weldadigen invloed. De meeste kooplieden van West-Europa werden leden van dit verbond en vandaar, dat het eene machtige vloot en een weluitgerust leger tot zijnen dienst kreeg, waardoor ontzag aan de zeeroovers en de roofridders werd ingeboezemd.

In de Middeleeuwen merkte men over 't geheel een streven naar vereeniging op. Daardoor ontstonden b.v. ook de gilden. Gilden waren vereenigingen van handwerkslieden, die hetzelfde beroep uitoefenden. Zij waakten er ten strengste voor, dat geen onbevoegde zich aanmatigde iets te vervaardigen en te verkoopen. Wilde een gezel zich als meester vestigen, dan moest hij eerst in een proefstuk van zijne bekwaamheid blijken geven (beunhazen). De gilden kregen weldra een grooten invloed op het bestuur der steden, waarin ze gevestigd waren; vooral was dit het geval in de Vlaamsche steden Gent, Brugge en Antwerpen.

Het getal kloosters, zoowel voor monniken als nonnen, nam in de Middeleeuwen verbazend toe. Zij waren dikwijls de schuilplaatsen voor verdrukten en vervolgden en de kweekplaatsen der wetenschappen, die door de edelen zoo verschrikkelijk werden verwaarloosd.

Wanneer we onzen maatschappelijken toestand vergelijken met dien der Middeleeuwen, dan mogen we dankbaar zijn, dat de tijden van ruwheid, barbaarschheid, onderdrukking en vervolging tot het verledene behooren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings