← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

18. EEN VRIEND VAN ZIJN VADERLAND (BRUTUS).

Reading edition

250 Jaren lang regeerden er koningen over Rome. Slechts onder een enkelen van deze en wel onder den opvolger van Romulus, den Sabijn Numa Pompilius, bleef het zwaard rusten.

Numa maakte zich voor Rome verdienstelijk door het geven van wijze wetten en de regeling van den godsdienst. Zijn tienjarig bestuur was de gelukkigste tijd, dien Rome onder zijne koningen had. De meeste zijner opvolgers waren er op bedacht Rome's grondgebied te vergrooten, zoodat de tempel van Janus door Numa, den man des vredes, gesticht, maar zelden gesloten was. Deze tempel n.l. mocht alleen in vredestrijd gesloten worden.

Langzamerhand werden de volken in de onmiddellijke nabijheid van Rome door de oorlogzuchtige Romeinen onderworpen en wel het eerst de bewoners van de moederstad Alba Longa (Horatiërs en Curatiërs). De laatste der koningen was Tarquinius om zijne trotschheid de trotsche (superbus) geheeten. Door vele misdaden en bezoedeld met het bloed zijns schoonvaders Servius Tullius was hij tot den troon gekomen; door geweld en wreedheid zocht hij zich staande te houden. Hij begon zijne regeering met het dooden van al de leden zijner familie, met uitzondering van Lucius Junius, die, door zich onnoozel te houden, den dood ontkwam en als een onschadelijk wezen ten speelbal der hovelingen aan het hof bleef leven. Daarom kreeg hij den bijnaam van Brutus (de onnoozele). Tarquinius maakte zich intusschen door zijne trotschheid bij aanzienlijken en geringen meer en meer gehaat, totdat de schandelijke daad van zijn' zoon Sextus de maat deed overvloeien. Terwijl Tarquinius eene vijandelijke stad belegerde, ging Sextus de vrouw van een' der legeraanvoerders, Collatinus, op eene gruwelijke wijze beleedigen.

Lucretia, zoo heette de vrouw, liet daarop haren man en eenige beproefde vrienden uit het leger komen, verhaalde hun het voorgevallene en, den aangedanen smaad niet willende overleven, haalde zij een' dolk voor den dag en stak zich dien in het hart.—Nu toonde Brutus, dat zijne onnoozelheid slechts schijn was. Hij liet het lijk van Lucretia naar de markt brengen, verhaalde aan 't verzamelde volk de toedracht der zaak, trok den dolk uit de borst der edele vrouw en riep vervolgens het volk op om het juk van den gehaten tiran af te schudden.

Zijne woorden vonden algemeenen bijval. Men sloot de poorten, terwijl Brutus naar het leger snelde en daar wist te bewerken, dat ook dit den Koning afvallig werd en naar Rome terugkeerde. 't Koningschap werd afgeschaft en Rome tot eene republiek verklaard. In de plaats des konings kwamen nu twee mannen, consuls genaamd, die slechts voor één jaar gekozen werden, aan het hoofd van den staat.

't Volk koos uit dankbaarheid als eerste consuls de beide bevrijders van de tirannie: Brutus en Collatinus. 't Was er echter verre af, dat de verdreven Koning lijdelijk in zijne afzetting berustte. Eerst zocht hij in Rome ten zijnen gunste eene samenzwering te smeden. Werkelijk lieten zich eenige aanzienlijke jongelieden, die den glansrijken hofstaat en de schitterende feesten, door den Koning gegeven, boven de vrijheid stelden, overhalen om pogingen aan te wenden ter herstelling van het koningschap. De samenzwering werd echter toevallig door een' slaaf ontdekt en de schuldigen gevat. Onder dezen behoorden twee zonen van Brutus en twee neven van Collatinus.

Brutus toonde, dat de vrijheid van zijn vaderland hem boven alles dierbaar was. Hij zelf sprak, naar luid van het volksverhaal, over zijne zonen het doodvonnis uit, en nadat dit werkelijk aan hen voltrokken was, liet hij de natuur recht wedervaren. Hij omhulde zijn gelaat met zijnen mantel en ging weenend naar zijne woning. Collatinus poogde tevergeefs zijne neven te redden, maar verloor daardoor 't vertrouwen des volks, zoodat hij genoodzaakt was Rome te verlaten. Toen deze poging mislukt was, zocht Tarquinius op eene andere wijze te slagen. Hij zocht en vond hulp bij Porsenna, koning van Clusium (in Etrurië). Deze verscheen weldra met een machtig leger voor Rome's poorten en bracht de stad in 't uiterst gevaar. Bijna ongeloofelijke blijken van heldenmoed werden er tijdens deze belegering door de Romeinen gegeven.

Eeuwige roem verwierf zich in de eerste plaats Horatius Cocles. De Romeinen hadden een' uitval gedaan, maar werden door de Etruskers verslagen. Nu vloden zij naar de stad terug, op den voet gevolgd door de zegevierende vijanden. Gelukte het dezen met hen over de Tiberbrug te komen, dan waren zij in de stad en Rome was verloren. Daar houdt plotseling een dapper man stand. Hij beveelt zijnen makkers in allerijl de brug achter hem af te breken, terwijl hij alleen den strijd tegen de overmacht op zich neemt. Toen hij aan 't kraken der balken verneemt, dat de overtocht belemmerd is, werpt hij zich in den Tiber en komt, in weerwil van de pijlen der vijanden, behouden aan den anderen oever. Had Cocles voor 't oogenblik de stad gered, toch bleef haar toestand altoos nog hachelijk, te meer daar een hongersnood de ellende kwam vermeerderen. Daar weet een Romeinsch jongeling, Mucius, in de vijandelijke legerplaats en in 's Konings tent te dringen. Hij heeft vooraf aan den senaat verzocht den Koning te mogen dooden. Niet wetende, wie van de beide aanwezige personen de Koning is, doodt hij den geheimschrijver. Natuurlijk wordt hij gegrepen en door den Koning met de verschrikkelijkste straffen bedreigd. Doch Mucius roept uit: "Zie, hoe weinig hij om zijn leven geeft, wien groote roem voor oogen staat." En zijne rechterhand in 't vuur houdende, dat op een in de nabijheid staand altaar brandde, liet hij haar zonder een teeken van smart te toonen, verbranden. Ontzet over zulk eene onverschrokkenheid liet de Koning den jongeling van 't altaar wegsleuren en schonk hem de vrijheid. Nu verklaarde Mucius, die vervolgens den eerenaam Scaevola (linkerhand) kreeg, dat nog 300 jongelingen gezworen hadden den Koning te dooden. Hij was de eerste en had zich vergist, een ander na hem zou gelukkiger zijn.

Deze verklaring vervulde den Koning met schrik en ontzetting, zoodat hij zich geneigd toonde tot onderhandeling. Hij liet de zaak van Tarquinius varen, en, nadat de Romeinen hem oorlogsvergoeding en gijzelaars hadden verstrekt, toog hij naar zijn land terug.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings