21. EEN MAN VAN ZIJN WOORD (REGULUS).
Reading edition
Omstreeks het jaar 888 stichtte Dido, zuster van den Phoenicischen koning Pygmalion, op de noordkust van Afrika eene kolonie, die den naam kreeg van Karthago. Deze kolonie werd weldra door handel en zeevaart rijk en machtig; zij strekte haar gebied niet alleen uit over een groot gedeelte van Afrika's noordkust, maar ook over Sardinië, Corsica en meer dan de helft van Sicilië. 't Kon wel niet anders, of twee volken als de Romeinen en de Karthagers, die beide naar de wereldheerschappij streefden, moesten in botsing met elkander komen. Er was slechts eene aanleiding noodig, en die liet niet op zich wachten. De Mamertijnen, ontslagen huurtroepen van Agathocles, tiran van Syracuse, maakten door roof en plundering het geheele eiland Sicilië onveilig en bemachtigden zelfs de stad Messana, die zij, na haar uitgemoord te hebben, als wijkplaats bij hunne strooptochten bezigden. Aan dezen stand van zaken poogden de Syracusanen een eind te maken. Hun koning Hiero viel de Mamertijnen met een leger aan en bracht hun zulk eene gevoelige nederlaag toe, dat ze naar hulp moesten uitzien. Een gedeelte hunner zocht ondersteuning bij de Romeinen; de overigen bij de Karthagers.
Het schoone en rijke Sicilië was eene te begeerige prooi voor Rome, dan dat het de bede der roofzuchtige Mamertijnen zoude afwijzen, hoewel het er vast op konde rekenen, dat de strijd met het machtige Karthago dan niet kon uitblijven. Weldra stak in een donkeren stormachtigen nacht een Romeinsch landingsleger op vlotten over de straat van Messina en veroverde verschillende versterkte plaatsen. Door een verbond met Syracuse zocht Rome de Karthagers geheel van Sicilië te verdrijven. Dezen echter wreekten zich door met hunne machtige vloten de kusten van Italië te bestoken en aan den handel van Rome's bondgenooten een geducht nadeel toe te brengen. De Romeinen zagen zeer goed in, dat zij in 't bezit van eene vloot moesten zijn, als ze met kracht tegen de Karthagers wilden optreden.
Met ontzaggelijk veel moeite en groote inspanning bouwden ze nu naar het voorbeeld van een gestrand Karthaagsch oorlogschip eene vloot. Ieder schip had aan weerszijden enterbruggen, waardoor het met een vijandelijk schip verbonden kon worden, en zoo veranderde het zeegevecht eenigszins in een landgevecht. Met deze vloot bevocht de consul Duilius de eerste overwinning op de Karthagers bij Mylae, eene kleine plaats in het n. o. van Sicilië (260). Nu werden de Romeinen overmoedig. Eene vloot van 330 schepen met een groot leger aan boord, zeilde onder bevel van den dapperen consul Regulus naar Afrika. De Karthagers werden herhaalde malen verslagen, en reeds stonden de zegevierende Romeinen voor Karthago's poorten, toen er Grieksche hulptroepen landden onder aanvoering van den bekwamen Spartaan Xantippus.
Nu werden de overwinnaars op hunne beurt overwonnelingen; het grootste gedeelte van 't schoone leger sneuvelde, de rest viel met den dapperen aanvoerder in handen der vijanden. In weerwil van de overwinning wenschten de Karthagers niets liever dan een eervollen vrede. Om dien te verkrijgen zonden zij, volgens het verhaal, den gevangen consul als afgezant naar Rome, na hem vooraf te hebben doen zweren naar Karthago terug te keeren, ingeval hij den vrede niet tot stand bracht. Regulus komt te Rome, kwijt zich van zijne opdracht, maar raadt tevens den senaat aan den oorlog met kracht vol te houden, daar de Karthagers uitgeput zijn. Noch de welmeenende raad van den senaat, noch de dringende beden zijner vrienden zijn in staat, hem ontrouw aan zijns eens gegeven woord te smaken. Hij keerde naar Karthago terug, waar een vreeselijke dood hem wachtte. Nu is 't u zeker ook duidelijk, waarom men Antonius Hambroek wel den Nederlandschen Regulus noemt.
Het einde van dezen oorlog, den eersten der zoogenaamde Punische oorlogen, (264-241) was, dat de Karthagers het korenrijke Sicilië ontruimen en eene groote som voor oorlogskosten aan de Romeinen moesten betalen.