4. EEN HANDELSVOLK.
Reading edition
Wanneer onze zeelieden tegenwoordig vreemde landen gaan bezoeken, zijn zij voorzien van goede kaarten, kompassen en zeevaartkundige werktuigen, en waar zij komen, vinden zij een gul onthaal. In ouden tijd was dit echter geheel anders.
Kaarten, kompassen en dergelijke zaken waren onbekend; de landen, die men bezocht, waren door ruwe, vijandelijk gezinde menschen bewoond.
Wij moeten dus wel bewondering gevoelen voor een volk, dat alleen met de zon des daags en de poolster des nachts tot gids, niet alleen alle landen aan de Middellandsche zee durfde bezoeken, maar zich door de zuilen van Hercules (Straat van Gibraltar) een' weg baande naar de tineilanden (Scilly-eilanden) bij Engeland, ja, dat zelfs volgens de overlevering, niet schroomde, de Baltische zee te bezoeken en geheel Afrika om te zeilen.
Dat onversaagde volk was het Phoenicische. Het woonde in een smal, vochtig en ongezond, maar vruchtbaar kustland, tusschen den Libanon en de Middellandsche zee gelegen, dat door de Grieken Phoenicië (Palmenland) genoemd werd. De ligging van hun land aan eene zee, die toen het meest bevaren werd en aan den Libanon, wiens cederbosschen heerlijke en overvloedige bouwstoffen voor de schepen leverden, bracht de Phoeniciërs er als van zelve toe hun geluk op zee te beproeven.
Wat zij er zochten n.l. schatten, hebben zij verkregen; want oude schrijvers roemen als om strijd de pracht en weelde, die in de Phoenicische steden Tyrus en Sidon heerschten. 't Was trouwens ook geen wonder. De Phoeniciërs hadden toen den alleenhandel, dien zij door het verspreiden van allerlei schrikverwekkende fabelen als van nevelzeeën, zeemonsters, vliegende slangen, reuzenvogels en dergelijke wisten te behouden. Zij dreven als echte kooplieden handel in alles: koren, zilver, barnsteen, tin en niet het minst in slaven, die zij soms op zeer vreemde manier wisten machtig te worden; want de Phoeniciërs oefenden bij het zeer eerbaar beroep van handelaar, het alles behalve eervolle van zeeroover uit.
Havenplaatsen zijn voor een handeldrijvend volk eene behoefte. Daarom legden zij op verschillende plaatsen aan de Middellandsche zee koloniën aan. Zoo ontstonden op Cyprus, op Sicilië, op Sardinië, in Spanje (Gades=Cadix) en op de kust van Afrika (Carthago) Phoenicische volkplantingen, die weldra tot hoogen bloei kwamen.
De rustelooze handelsgeest der Phoeniciërs zocht intusschen ook elders handelswegen te openen en een levendige karavanenhandel met Aegypte, Babylon en Indië was alras een gevolg van hun streven.
Zulk een ondernemend en naar winstbejag strevend volk moest ook wel op het gebied der nijverheid vorderingen maken. Vele uitvindingen worden dan ook aan hen toegeschreven, misschien echter niet alle met recht. Zoo zegt men, dat de Phoeniciërs het glas hebben uitgevonden. Eenige zeelieden wilden n.l. op de zandige Syrische kust een vuur ontsteken, en namen, daar niets anders dadelijk voor de hand lag, een paar stukken salpeter, om hun' ketel er op te zetten. Door de hitte smolt de salpeter en het zand en verbond zich tot eene doorzichtige stof, het glas. Ook de ontdekking van de purperverf wordt aan hen toegeschreven. Even als bij de meeste uitvindingen was een toeval hiervan de oorzaak.
Een herdershond komt bij zijn' heer met een rooden muil. De herder meent, dat zijn hond bloedt, neemt eene vlok wol en veegt hem den muil af, maar ziet tot zijne groote verwondering, dat de roode kleur niet van bloed, maar van iets anders komt, en dat de wol met eene fraaie, roode stof doortrokken is. Hij merkt naderhand op, dat de hond de zich aan het strand bevindende slakken doorbijt en vandaar den rooden muil verkrijgt, en nu is de grondstof gevonden, waaruit de vindingrijke geest der Phoeniciërs weldra de prachtigste kleurschakeeringen weet te voorschijn te brengen.
Wij kunnen dus niet nalaten, bewondering te koesteren voor zulk een ondernemend en vindingrijk volk.
Zien we het echter in zijn maatschappelijk- en burgerlijk leven, dan bevalt het ons evenmin als de Babyloniërs.
Wij vinden dan een volk, dat geene moeite ontziet, om schatten te verzamelen, maar slechts met het doel om ze naderhand in de schandelijkste ongebondenheid te verkwisten.
We treffen verder bij hen een' godsdienst aan, die in zedeloosheid en wreedheid alle godsdiensten der Oostersche volken verre overtreft.
Menschenoffers waren bij den Baäl- en Molochdienst zeer gebruikelijk.
Van een Phoeniciesch rijk kan eigenlijk geen sprake zijn. 't Schijnt, dat iedere groote stad haar eigen koning en haar eigen bestuur had, maar tevens, dat de eene stad soms voor eene tijdlang de oppermacht over de andere uitoefende.
Tyrus en Sidon waren altijd de meest aanzienlijke steden.