24. DE EERSTE BURGEROORLOG (MARIUS EN SULLA).
Reading edition
Onzedelijkheid en bandeloosheid namen in Rome hand over hand toe. De vroegere eerlijkheid, matigheid en vaderlandsliefde zocht men er tevergeefs. Voor geld kon men alles gedaan krijgen. Dat ondervond Jugurtha, koning van Numidië, een volslagen booswicht. Door misdaden was hij op den troon gekomen, door misdaden hield hij zich erop staande. Hoe onbeschaamd hij echter ook zijne euveldaden pleegde, langen tijd wist hij de senatoren den mond door goud te stoppen, zoodat hij, zelf daarover verbaasd, uitriep: "O Rome, gij zoudt u zelf verkoopen, als maar iemand genoeg voor u bood." Eindelijk was de maat zijner misdaden vol: hij werd gevangen genomen en stierf te Rome den hongerdood (106). Twee mannen hadden zich in den oorlog tegen Jugurtha bijzonder onderscheiden, n.l. Marius en Sulla. De eerste was een ruw, woest mensch van geringe afkomst, maar die door dapperheid en de gunst des volks tot groote macht en aanzien was geklommen. De tweede, jong en van edele afkomst, was de man, op wien de aanzienlijken hunne oogen gevestigd hielden. Feller dan ooit toch stonden de aanzienlijken en geringen tegenover elkander. Voor Marius kwam intusschen spoedig de gelegenheid, dat hij zich voor Rome verdienstelijk kon maken. Ruwe, krijgszuchtige Germaansche volken, bekend onder den naam van Cimbren en Teutonen, waren aan den Donau verschenen (113), hadden het eene Romeinsche leger vóór, het andere ná, verslagen en rukten nu naar Italië en Gallië op.
In dit dreigend gevaar werd Marius vijf jaren achtereen tot consul verkozen. Hij stelde dit groote vertrouwen niet te leur, maar vernietigde eerst de Teutonen bij Aix, in 't Z. van Gallië (102) en snelde vervolgens Catulus tegen de Cimbren te hulp, die dan ook bij Vercellae, in 't N.w. van Italië, geheel verslagen werden (101). Meer dan 100,000 Cimbren zouden in dezen slag zijn omgekomen. Marius was nu de afgod des volks geworden. Een ander gevaar dreigde ondertusschen in 't Oosten. Daar was een tweede Alexander opgestaan in den persoon van Mithridates, koning van Pontus, een land, ten Z. van de Zwarte zee gelegen. Hij veroverde weldra geheel Klein-Azië, en ten einde zijn' haat tegen Rome duidelijk aan den dag te leggen, liet hij op éénen dag in verschillende steden van Klein-Azië 80000 Romeinsche burgers ombrengen. Tegen dezen moordenaar zou een leger worden afgezonden en de aristocraten wisten Sulla, die zich in den oorlog tegen de Italiaansche bondgenooten had onderscheiden, tot opperbevelhebber te doen verkiezen.
Dit was zeer tegen den zin van de partij van Marius. Zij bewerkte een' opstand te Rome; Sulla's voornaamste aanhangers begaven zich tot hem in het leger, en 't viel hem niet moeilijk zijne soldaten, die zeer aan hem gehecht waren, te bewegen, naar Rome op te trekken. Marius' partij moest nu 't onderspit delven; hij zelf zwierf als vluchteling rond en bereikte eindelijk Karthago's puinhoopen, waar hij over de wisseling der fortuin kon nadenken.
't Uur der wrake zou echter spoedig voor hem slaan. Cinna, die bij Sulla's vertrek naar 't Oosten tot consul was aangesteld, riep Marius in het jaar 87 terug en deed daardoor den eersten burgeroorlog ontvlammen. Vreeselijk was de slachting, die onder de aanhangers van Sulla werd aangericht; vijf dagen en vijf nachten werd er onophoudelijk gemoord; Rome's straten stroomden van bloed. Toch zou Rome nog vreeselijker dingen aanschouwen. Sulla had gelukkig tegen Mithridates gestreden (88-84), en toen hij vernam, wat er te Rome gebeurd was, haastte hij zich, vrede te sluiten en zijn leger naar Rome te voeren. Een leger van 200,000 soldaten onder den jongen Marius (Marius zelf was in 86 gestorven) zoude zijn' intocht in Rome beletten, maar tevergeefs. Het bleek tegen Sulla's in den krijg geoefende legioenen niet bestand te zijn. We willen u besparen, lezers, de beschrijving van een bloedbad, zooals de geschiedenis bezwaarlijk een tweede kan aanwijzen. Om er een klein denkbeeld van te geven, melden wij alleen, dat 15 gewezen consuls, 90 senatoren, 2600 ridders en meer dan 100,000 burgers op bevel van Sulla ter dood werden gebracht (83). Nu was de rust hersteld, want ieder sidderde en beefde voor den man, die het leven zijner medeburgers zoo weinig telde. Twee jaren lang heerschte Sulla onder den titel van dictator met onbeperkte macht; toen legde hij plotseling zijn ambt neder, (79) trok zich op een landgoed terug en stierf daar het volgende jaar.