← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

31. MOHAMMED.

Reading edition

In de geschiedenis der Christelijke kerk is sprake van 5 gemeenten, die door zendelingen de omgelegen volken tot het Christendom brachten, en daarom moedergemeenten worden genoemd, n.l. Jeruzalem in Palaestina, Antiochië in Syrië, Alexandrië in Aegypte, Constantinopel in het Grieksche Keizerrijk en Rome in Italië.

Door de bekeering der Germaansche volkeren nam de gemeente van Rome zeer in macht en aanzien toe. Haar bisschop verhief zich weldra boven die van andere gemeenten en werd later als paus het hoofd der kerk. Terwijl de Christelijke kerk zich naar het Westen al meer en meer uitbreidde, geraakte zij in het Oosten, waar de vier eerstgenoemde gemeenten vroeger grooten invloed hadden, deerlijk in verval. En geen wonder! In plaats van een leven te leiden vol liefde en zelfverloochening, zooals Christus het had gewild, streed men daar met de grootste verbittering over allerlei onbegrijpelijke leerstukken. Het Christendom gaf in het Oosten enkel aanleiding tot verdeeldheid en twist; dat het bovenal een godsdienst der liefde is, daaraan werd niet gedacht.

Omstreeks het jaar 600 trad in Arabië een man op, Mohammed genoemd, die de stichter van een nieuwen godsdienst werd, een godsdienst, die het Christendom in Azië en Afrika bijna van allen invloed en macht beroofde.

Arabië is een schiereiland, dat ongeveer zoo groot is als een derde deel van Europa. Het grootste deel van den bodem bestaat uit zandwoestijnen en ontoegankelijke gebergten, hier en daar slechts afgewisseld door vruchtbare plekken, oasen genoemd. De kusten, welke op sommige plaatsen zeer vruchtbaar zijn, werden bewoond door nijvere handelaars, die door een grooten handel in wierook, koffie en specerijen aanzienlijke schatten wonnen. In de woestijnen leefden, evenals in onzen tijd, de Bedoeïnen, rondzwervende herders, die dikwijls van roof leefden en wier eenige rijkdom in paarden en kameelen bestond. Over 't geheel waren en zijn de Arabieren een volk met dichterlijke gaven, met een levendig en diep gevoel. Praatziek zijn ze niet, maar toch kunnen ze hunne meening op eene welsprekende wijze te kennen geven. Evenals de woestijn zijn ze ernstig.

In dit land en onder dit volk en wel in de stad Mekka, werd Mohammed in 571 geboren. Zijn vader Abdallah, uit den aanzienlijken stam der Koreischieten, en zijne moeder Amina verloor hij reeds zeer vroeg. Na den dood zijns grootvaders kwam hij bij zijn' oom Aboe Taleb, een ervaren koopman, die hem op zijn reizen meenam. De knaap wies op tot een schoon en krachtig man, die door zijne edele houding en wegslepende redenaarsgaven weldra in het oog viel. Door zijne kennis en vlijt gelukten meestal zijne ondernemingen; door zijne minzaamheid won hij veler harten. Later kwam hij in dienst van eene rijke koopmansweduwe, Chadidscha, met wie hij in het huwelijk trad. Het geluk lachte hem nu van alle zijden toe. Hij had eene brave echtgenoote, goede zaken en vele vrienden. En toch was hij niet tevreden. De oorzaak lag in het volgende. Wegens zijne zaken had hij dikwijls groote reizen gedaan, en toen veel opgemerkt van de gewoonten en den godsdienst der menschen. Zijn eigen volk zag hij neerknielen voor goden, van menschenhanden gemaakt; hij zag in, dat het nog zeer onbeschaafd en achterlijk was. De Joden waren hem te trotsch en te onverdraagzaam; de Christenen, die hij had leeren kennen, droegen alleen den naam, maar hadden niets van den geest van Christus. Nu ontwaakte in hem de begeerte om de stichter te worden van een nieuwen godsdienst, die het beste van de bestaande godsdiensten in zich zou opnemen.

Voor hij openlijk optrad, zonderde hij zich langen tijd in de eenzaamheid af, om over godsdienstige zaken na te denken. In het jaar 611 trad hij op onder zijn volk met de leer: "Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet." In den beginne was zijn aanhang niet groot. Men lachte hem uit en vooral deden dit zijne eigene stadgenooten, de inwoners van Mekka. Zijne vrouw, zijn neef Ali en zijn schoonvader Aboe Beker waren zijne eerste volgelingen. Toen de aanhangers van Mohammed in aantal toenamen, werden zijne vijanden bevreesd en besloten hem te dooden. Mohammed werd dit gewaar en ontvluchtte de lagen zijner vijanden. In de stad Medina vond bij met zijne aanhangers eene veilige schuilplaats; de inwoners hoorden naar hem en bouwden de eerste moskee of tempel. Zijn aanhang nam nu zoo zeer toe, dat hij weldra aan de spits van een dapper leger naar Mekka optrok. Tegen zijne in geestdrift ontvlamde scharen was de stad niet bestand; zij gaf zich over en de inwoners moesten den Islam (zoo werd de leer van Mohammed genoemd) aannemen. Bij deze verovering bleef het niet; na korten tijd was geheel Arabië in de macht van den profeet. Zijne soldaten, die de verwachting op een hemel met allerlei zinnelijke genietingen tot de grootste doodsverachting voerde, waren onwederstaanbaar.

Nadat Mohammed tien jaren lang met het zwaard zijne leer had verbreid, ondernam hij eene groote bedevaart van Medina naar Mekka, begeleid door eene schaar van wel 100,000 geloovigen. Niet lang na zijne terugkomst begon hij te sukkelen, naar men wil, tengevolge van vergift, hem door eene Jodin toegediend, die de heiligheid van den profeet op de proef wilde stellen. Toen hij zijn einde voelde naderen, liet hij zich naar de moskee dragen en vermaande nog voor 't laatst het bedroefde volk. Hij stierf in 632 en werd te Medina begraven.

De leer van Mohammed is hoogst eenvoudig. Zijne volgelingen hebben aan 5 dingen te gelooven, n.l. aan God (Allah), aan zijne engelen en profeten (buiten Mohammed behooren tot deze laatsten: Adam, Noach, Abraham, Mozes en Christus); aan het laatste oordeel en aan de voorbeschikking d.i. het geloof aan de onveranderlijke, vooruitbepaalde noodwendigheid van alle menschelijke lotgevallen en daden.

De godsdienstplichten der Moslemin (geloovigen) bestaan volgens den Koran (d.i. het boek, waarin de leer van Mohammed is opgeteekend) in dagelijksch wasschen, bidden en vasten op bepaalde tijden en bedevaarten naar Medina en Mekka. De voornaamste deugden zijn: overgave aan, vertrouwen op en dankbaarheid jegens God. In den omgang met de menschen beveelt de Koran: eerlijkheid, dankbaarheid, trouw aan het eensgegeven woord, weldadigheid; strenge straffen bedreigt hij voor meineed, moord, woeker, spel en drank. Een ongelukkig voorschrift was, dat de Mohammedanen hun geloof met het zwaard moesten uitbreiden. "Het zwaard," zegt hij, "is de sleutel van den hemel."

Mohammed's opvolgers, Khalifen genoemd, veroverden weldra Palaestina, Syrië, Aegypte, Perzië en Afrika's noordkust. Overal moest het kruis wijken voor de halve maan. Zoo staken de Arabieren of Mooren, zooals ze in 't N. van Afrika genoemd werden, geroepen door de twistende Westgothische vorsten, zelfs naar Spanje over, maar—daarvan in een nieuw hoofdstuk.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings