← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

38. EEN KLUIZENAAR EN EEN RIDDER.

Reading edition

Palaestina, het land waar Jezus geleefd en geleden had, waar hij in nederigheid geboren en, door zijne vijanden gesmaad, aan 't kruis gestorven was, trok ten allen tijde de aandacht der Christenen tot zich. Men geloofde in de Middeleeuwen, dat een gebed, op eene der heilige plaatsen van dat land tot God opgezonden, eerder verhoord werd dan ergens anders. Daarom ondernamen vele geloovigen de verre reis naar het Heilige Land om daar te bidden en zich te verootmoedigen voor den Heer. Zulke menschen noemde men bedevaartgangers. Zoo lang Palaestina tot het Grieksche keizerrijk behoorde, werden de bedevaartgangers niet gestoord, ja, nadat de Arabieren het hadden veroverd, konden ze zelfs ongehinderd hunne godsdienstplichten vervullen. De Arabieren waren te verdraagzaam of te onverschillig, dan dat ze menschen van eene andere godsdienstige overtuiging wilden hinderen. Anders werd het, toen de dweepzieke Turken meester werden van 't Heilige Land. Nu werden de bedevaartgangers niet alleen in hunne vrome overpeinzingen gestoord, maar ook vervolgd, in de gevangenis geworpen en gekweld. 't Was natuurlijk, dat door deze handelingen de verontwaardiging der Christenen werd opgewekt.

In het jaar 1094 verscheen in Italië en Frankrijk een man, blootshoofds en barrevoets, rijdende op een' ezel. Hij heette Peter en was afkomstig van Amiëns in Frankrijk. Een lang pelgrimskleed, om de middel door een ruw touw bijeengebonden, omgaf zijne magere leden. In zijne ontvleesde handen hield hij een crucifix. Zijne groote, zwarte oogen lagen diep in het hoofd en gloeiden van geestdrift. Wanneer hij eene stad of een dorp bezocht, liepen ouden en jongen samen om den vreemden, huiveringwekkenden man te zien en naar zijne woorden te luisteren. Die man kwam uit het Heilige Land. Met gloeiende verven schilderde hij de ellenden en jammeren, die een pelgrim daar moest verduren en toonde in zijn eigen lichaam de striemen en wonden, hem door de Turken geslagen. Vervolgens wekte hij zijne toehoorders op, om het zwaard aan te gorden en het land, dat voor de Christenen de hoogste waarde had, het schoone land, waar, behalve zoovele geloofshelden, de Verlosser der wereld had geleefd, te ontrukken aan de handen der ongeloovigen. Zijne bezielende woorden brachten een ongelooflijken indruk te weeg.

Paus Urbanus II riep twee groote kerkvergaderingen bijeen, de laatste te Clermont in Frankrijk, waar hij de Christenen aanspoorde tot den heiligen strijd. "God wil het! God wil het!" klonk het uit duizenden kelen. Vorsten, ridders, vrije mannen en lijfeigenen hechtten zich een rood kruis op de schouders ten teeken, dat ze het voornemen hadden naar Palaestina te trekken.

Terwijl de ridders zich gereed maakten, begaven zich reeds in het voorjaar van 1096 twee benden kruisvaarders, bestaande uit het schuim van allerlei natiën, naar Palaestina op weg. Ze voerden niets uit; honger, ziekte en het zwaard der Turken maaiden hen bij hoopen weg, voor ze het Heilige Land hadden bereikt.

In den herfst van hetzelfde jaar trok een weluitgerust en geoefend leger, bestaande uit meer dan 100,000 geharnaste ruiters en 200,000 man voetvolk, onder den edelen Godfried van Bouillon naar Palaestina. Tweemaal werden de Turken geslagen. Antiochië werd na eene maandenlange belegering stormenderhand ingenomen. Eerst na drie moeitevolle jaren bereikten de kruisvaarders Jeruzalem. Van het groote leger begroetten slechts 30000 man de heilige stad; de overigen waren òf door honger, hitte en het verraad der Grieken gevallen òf hadden zich eigendunkelijk van het hoofdleger gescheiden. Bij het gezicht van Jeruzalem waren alle moeiten vergeten; een ongekende ontroering maakte zich van de kruisvaarders meester; zij omhelsden elkander, kusten den heiligen grond en schreiden tranen van vreugde. De verovering der stad was evenwel niet gemakkelijk; 60000 Mohammedanen verdedigden haar met beleid en moed. Men trachtte haar te bestormen; tevergeefs: de Turken sloegen elken aanval zegevierend af. Weken lang werd de stad belegerd. Een brandende dorst kwelde de belegeraars, daar de Turken uren in het rond het water der bronnen ondrinkbaar gemaakt hadden. Mijlen ver moest het hout voor de belegeringswerktuigen gehaald worden. Eindelijk worden er toebereidselen tot een nieuwen storm gemaakt. Ladders, belegeringswerktuigen en torens worden getimmerd. Vooraf gaan de belegeraars, met de priesters aan het hoofd, een plechtigen optocht doen om de stad. Den 14 Juli 1099 naderen zij hare muren. Een hagelbui van steenen en werpspiesen begroet de Christenen; zij echter schrijden voorwaarts over bergen van lijken. De oorlogswerktuigen worden bij de muren gebracht. Reeds jubelt het leger der Christenen. De nacht, die voorloopig een einde maakt aan den strijd, daalt te spoedig naar den zin der kruisvaarders. Nauwelijks daagt de morgen of de strijd begint opnieuw. De Turken strijden met de grootste verbittering. Brandende pekkransen, steenen, balken, zelfs lijken worden de belegeraars naar het hoofd geslingerd.

Zij wijken; de Turken jubelen over de overwinning, maar—te voorbarig. Daar bemerkt Godfried van Bouillon op den Olijfberg eene ridderlijke gestalte in witte wapenrusting, die een helderstralend schild omhoog houdt. "Zie daar," roept hij "een cherub met vlammend zwaard, dien God ons ter hulpe zendt." "God wil het! God wil het!" dondert het door de gelederen en in wilde haast dringen ze voorwaarts. Godfried beklimt het eerst den muur. De zijnen volgen; schaar op schaar dringt naar boven en—Jeruzalem is veroverd. Een verschrikkelijk moordtooneel biedt de stad nu weldra aan. Mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen worden zonder mededoogen om het leven gebracht. De moord huist in de ongelukkige stad. Binnen de ruime en sterke muren des tempels zoeken duizenden redding; tevergeefs: de tempel wordt stormenderhand genomen en de ongelukkigen verslagen. Beken bloeds stroomen door de straten; 10000 vijanden zijn gedood en nog is er geen einde aan het moorden. Slechts Godfried bezoedelt zijne handen niet met bloed. Barrevoets, zonder helm en harnas, spoedt hij zich naar de kerk van het Heilige Graf om den Heer te danken voor de overwinning. Eerst na drie dagen zijn de krijgers het bloedvergieten moede. Nu worden de straten gereinigd; de overwinnaars wasschen het bloed van hunne handen en in witte kleederen gehuld, gaan ze in plechtigen optocht naar het Heilige Graf. De geestelijkheid komt hen te gemoet met hoogopgestoken kruisen en vrome liederen zingend, en vol eerbied knielt de schare ter neder. Godfried werd tot koning van Jeruzalem verkozen. De edele ridder weigerde. Hij wilde geen gouden kroon dragen, waar Jezus gebloed had onder eene doornenkroon; hij vergenoegde zich met den titel van beschermer des Heiligen Grafs.

Een jaar daarna blies hij den laatsten adem uit; zijn lijk werd in de kerk van het Heilige Graf begraven.

Vele kruistochten werden in lateren tijd ondernomen; meer dan 7 millioen Christenen namen daaraan deel; doch slechts het kleinste deel daarvan zag het vaderland weder. Het doel van deze reusachtige ondernemingen werd niet bereikt; Palaestina kwam wel tijdelijk, maar niet bestendig in de macht der Christenen. In het jaar 1291 viel de stad Ptolemais, het laatste overblijfsel van het koninkrijk Jeruzalem, in handen der Turken. Toch zijn de kruistochten niet onvruchtbaar geweest voor de beschaving der wereld. Ten gevolge van deze tochten herleefde de handel, die vooral de Italiaansche steden: Genua, Venetië en Pisa tot grooten bloei bracht en nam de beschaving toe onder de volken van West-Europa. Kunsten en wetenschappen werden sedert dien tijd vlijtiger beoefend, en—wat wel het belangrijkste gevolg was—uit de verachte en versmade lijfeigenen kwam de vrije stand der burgers te voorschijn.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings