39. FREDERIK BARBAROSSA, KEIZER VAN DUITSCHLAND.
Reading edition
(1152-1190).
In het tegenwoordige koninkrijk Wurtemburg, ten o. van Stuttgart, verheft zich een bergtop, tot de "rauhe Alp" behoorende, die den naam draagt van de hooge Staufen. Op dezen berg stond eens het stamslot van een beroemd Duitsch keizersgeslacht, dat naar den berg den naam van Hohenstaufen ontving. Een der beroemdste vorsten van dit geslacht was Frederik I, die wegens zijn rosachtigen baard van de Italianen den bijnaam "Barbarossa" ontving.
Frederik I was een schoon en krachtig gebouwd man, met een waardig en ontzagwekkend voorkomen, waardoor hij allen, die in zijne omgeving waren, eerbied inboezemde. Zijn oog was vurig en zijne gelaatstrekken drukten welwillendheid en vriendelijkheid uit. Daarbij had de Keizer een edelen, rijken geest, die hem verhief boven de meeste zijner tijdgenooten.
Toen hij tot de keizerlijke waardigheid werd geroepen, had hij den ouderdom van 31 jaren bereikt. Zijn eerste streven bestond daarin, de keizerlijke macht, die onder zijne voorgangers vrij wat verminderd was, te herstellen. Hij deed den machtige hertogen, die naar geheele onafhankelijkheid streefden, gevoelen, dat hij hun heer en meester was. De burchten der roofridders werden gesloopt en weldra heerschten in Duitschland alom weder recht en billijkheid. Wat wonder, dat de Duitsche burgers hem eerden en lief hadden! Ook buiten het rijk eerde men hem als het hoofd der Christenheid; de koningen van Frankrijk, Engeland en Spanje zonden gezanten, om den Keizer de verzekering te geven van hunne vriendschap.
Jammer was het, dat de Keizer, inplaats van met Duitschland tevreden te zijn, zich mengde in de Italiaansche zaken. Gedurende de onrustige regeering zijner voorgangers was de keizerlijke macht in Italië bijna geheel vernietigd. De steden van het vruchtbare Lombardije, en onder deze vooral Milaan, stonden telkens tegen de Duitschers op. Ten einde zijn gezag in Italië te doen gelden, deed hij zes tochten naar dit land. In het jaar 1158 trok hij aan het hoofd van 100,000 man voetvolk en 15000 ruiters over de Alpen om het trotsche Milaan te onderwerpen. Vol schrik onderwierpen zich de steden van Boven-Italië, Milaan uitgezonderd. De stad werd belegerd; de inwoners verdedigden zich dapper, tot de honger hen tot de overgave noodzaakte. Toen de nood tot eene vreeselijke hoogte was geklommen, begaven de voornaamste Milaneezen zich naar 's Keizers legerplaats. Eerst verschenen de aartsbisschop met de overige geestelijken, barrevoets en met gescheurde kleederen; daarna de burgemeester en de adel, allen barrevoets, met ontblooten hoofde, in lompen gekleed en een bloot zwaard om den hals; eindelijk de geheele bevolking, in honderd scharen afgedeeld, barrevoets, met een eind touw om den hals en asch op het hoofd.
Uren lang liet de Keizer de smeekelingen wachten. Eindelijk verscheen hij, maar hun smeeken kon alleen dit uitwerken, dat het leven hun gegund werd. Milaan zelve werd verwoest en de inwoners in de naburige dorpen verstrooid; evenzoo handelde de Keizer met andere oproerige steden.
De willekeurige handelwijze der overwinnaars en de onderdrukking, die de Italianen moesten verduren, spoorden de steden van Lombardije, ook Milaan aan, zich tot een verbond te vereenigen. De muren van Milaan werden weder opgebouwd; smaadschriften tegen den Keizer en zijne gemalin werden op de poorten aangeplakt.
In allerijl werd eene sterke vesting gebouwd, die ter eere van paus Alexander, Frederiks grootsten vijand, Alessandria werd genoemd. In het jaar 1174 verscheen de Keizer voor de vijfde maal in Italië. Dewijl de machtige hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Leeuw, weigerde den Keizer met krijgslieden bij te staan, was Frederik niet tegen de Lombarden opgewassen en werd hij in 1176 bij Legnano geheel geslagen. Het gevolg daarvan was, dat alle vroeger behaalde voordeelen verloren gingen.
Met wrok en toorn in het hart keerde Frederik naar Duitschland terug; voor alles moest Hendrik de Leeuw vernederd worden. Weldra vond hij daarvoor eene gelegenheid. Door zijn trotsch en heerschzuchtig gedrag had Hendrik zich vele vijanden op den hals gehaald, die hem bij den Keizer aanklaagden. Deze daagde hem voor het rijksgericht en daar hij niet verscheen, werd hij in den rijksban gedaan. Twee jaren verzette hij zich nog tegen Frederik, maar moest toen om genade smeeken. Hendrik behield van zijne bezittingen alleen Brunswijk en Luneburg; zijne overige erflanden werden in kleine leenen verbrokkeld.
Als 70jarig grijsaard nam Frederik deel aan den derden kruistocht (1189-1192). Onder de vorsten en ridders, die hem op dezen tocht vergezelden, behoorde ook Floris III, graaf van Holland. Na talrijke moeilijkheden overwonnen te hebben, bereikte Frederik, onder bestendige gevechten met de Turken, het riviertje Selef in Klein-Azië. Wijl het leger slechts langzaam over de smalle brug, die men over dit riviertje geslagen had, kon voorttrekken, sprong de Keizer, het talmen moe, met zijn paard in den vloed om hem over te zwemmen. De grijsaard had echter meer jeugdigen moed dan jeugdige kracht; de golven sleepten hem mede, en toen men hem eindelijk te hulp kwam en aan land bracht, was hij reeds een lijk. (10 Juni 1190).
Groot was de ontzetting en nog grooter de smart over den dood van den beroemden vorst; de kruisvaarders weenden over zijn verlies, en in Duitschland wilde men langen tijd niet gelooven, dat de beschermer des rijks, de beminde Barbarossa, gestorven was. Thans nog verhaalt men in Duitschland elkander de legende, dat Frederik niet gestorven is, maar slaapt in den Kyffhauserherg in Thuringen. Daar zit hij, volgens het verhaal, met zijne helden in eene grot, rondom eene marmeren tafel. Allen zijn in diepen slaap gevallen. De kostbare wijn staat onaangeroerd in steenen vaten. Om de honderd jaren ontwaakt de Keizer en vraagt zijn' schildknaap, of de raven nog om de rots vliegen. Zoolang deze gezien worden, blijft de Keizer waar hij is; wanneer een adelaar de zwarte vogels verdrijft, zal hij te voorschijn komen en het Duitsche rijk in eere en macht herstellen.