19. TWISTEN TUSSCHEN PATRICIËRS EN PLEBEJERS.
Reading edition
Patriciërs en plebejers! wat waren dat voor menschen, vraagt ge voorzeker! Patriciërs waren de aanzienlijken, die veelal een groot grondbezit hadden en geroepen konden worden tot alle ambten en waardigheden, dus de regeerende stand; de plebejers waren het mindere volk, oorspronkelijk bewoners van de veroverde steden, die weinig of geen landbezit hadden en tot geen ambt of waardigheid konden gekozen worden.
De patriciërs maakten van hun recht weldra een schromelijk misbruik. Niet alleen dat zij bij alle gelegenheden aan de plebejers hunne overmacht deden gevoelen, maar daar zij, als de rijken, dikwijls de schuldeischers van de laatsten waren, behandelden zij dezen allervreeselijkst wreed en hardvochtig. Een schuldeischer mocht zijn schuldenaar tot slaaf maken, hem verkoopen, ja zelfs dooden. Recht tegenover den rijke had de arme volstrekt niet, en dus moest hij zich de gruwelijkste dwingelandij en knevelarij laten welgevallen. Toch poogden de plebejers meermalen in dien ondragelijken toestand verandering te brengen. De gelegenheid daartoe bood zich trouwens vaak genoeg aan. Hoe laag de patriciër ook neerzag op den plebejer, hij kon hem toch niet missen, voornamelijk niet in de vele oorlogen, die Rome met zijne naburen te voeren had. Dit wisten de plebejers zeer goed, en daarom weigerden zij eenvoudig te vechten, wanneer er een oorlog uitbrak. Dan moesten de patriciërs hen weer met mooie woorden en groote beloften paaien, om toch de wapens op te vatten.
Even vlug als zij in 't beloven waren, even handig waren zij er ook bij, om die beloften te verbreken, wanneer het gevaar geweken was. Eindelijk echter was 't geduld der verdrukte plebejers ten einde. Zij togen in 494 gezamenlijk uit Rome en naar den zoogenaamden Heiligen Berg met het doel, daar eene nieuwe stad te stichten. Nu waren de patriciërs op hunne beurt in verlegenheid en genoodzaakt iets toe te geven. Zij zonden eenen afgezant naar het volk, wien het gelukte eene verzoening tot stand te brengen. Echter niet dan nadat de schuldenlast verminderd, in de verhouding van schuldeischer en schuldenaar verbetering gebracht en volksvertegenwoordigers (tribunen) aangesteld waren.
Deze tribunen, die uit de plebejers mochten verkozen worden, moesten waken, dat het volk geen onrecht geschiedde en konden dat doen door tegen een besluit van den senaat hun veto (ik verbied het) te laten hooren, waardoor het senaatsbesluit niet ten uitvoer gebracht kon worden.
Met leede oogen zagen de patriciërs zich een deel van hunne vroegere macht over de verachte plebejers ontrukken. Zij haakten dus naar eene gelegenheid, waardoor zij den vroegeren toestand weder in 't leven konden roepen. Die gelegenheid bood zich spoedig aan in een vreeselijken hongersnood. De senaat had in Rome's korenschuur, Sicilië, koren laten opkoopen en wilde het nu gelijkelijk onder 't volk verdeelen. Een zeker trotsch patriciër, Marcius Coriolanus, stelde echter voor, het volk eerst dán koren te verstrekken, wanneer het van zijne verkregene rechten afstand wilde doen.
Toen de plebejers dit vernamen, werden zij woedend en daagden Coriolanus voor eene volksrechtbank. Deze echter, het ergste vreezende, verliet Rome en begaf zich naar Rome's vijanden de Volscen.
Aan 't hoofd van een machtig vijandelijk leger verschijnt hij weldra voor zijne vaderstad. Benarde toestand voorwaar! Van binnen de honger, van buiten een vijand, hunkerende naar den val van de steeds naar meer macht strevende stad. Men zendt boden naar Coriolanus, die hem eene eervolle terugroeping aanbieden. Tevergeefs; de trotsche patriciër wijst hen terug. De priesters, met alle teekenen van hunne waardigheid bekleed, zoeken hem tot den aftocht te bewegen, maar moeten eveneens onverrichter zake terugkeeren.
Maar ziet—daar nadert een stoet vrouwen. Aan 't hoofd er van gaat Coriolanus' moeder, Veturia, vergezeld van zijne gemalin Volumnia. Hij wil eerbiedig zijne moeder begroeten, maar trotsch wijst zij hem op hare beurt terug; zij wil in den verrader van zijn vaderland niet haren zoon erkennen. Dit is voor Coriolanus te veel. "Moeder!" zoo roept hij, "gij hebt Rome gered maar uwen zoon verloren."—Hij heft de belegering op, maar moet volgens sommigen door de verbitterde Volscen zijn omgebracht. (491 v. Chr.)
Lang duurde de strijd tusschen de plebejers en patriciërs; niet zelden kwam het tot bloedige botsingen. Toch wisten de plebejers het eene voorrecht na het andere machtig te worden, totdat omstreeks het jaar 300 v. Chr. de klove tusschen beide standen was aangevuld.
Ondertusschen was Rome wederom den ondergang nabij geweest. De Galliërs, een woest volk, dat eerst in zuidelijk Frankrijk had gewoond, waren in 't noorden van Italië gevallen en drongen zegevierend naar 't zuiden, alles plunderende en verbrandende. Door de hoogst onvoorzichtige handelwijze der Romeinsche gezanten tot woede geprikkeld, togen de Galliërs onder hunnen dapperen aanvoerder Brennus naar Rome, versloegen het Romeinsche leger bij de Allia, een kleinen bijvloed van den Tiber (390), veroverden Rome en verwoestten de stad. De inwoners waren voor 't grootste gedeelte naar 't Capitool gevlucht, waar zij onder aanvoering van den dapperen Manlius den vijand manmoedigen tegenstand boden (ganzen op 't Capitool). Toch zou ook deze sterkte hebben moeten vallen, ware niet te rechter tijd de vroeger wegens zijne trotschheid en overmoed verdrevene Camillus, de veroveraar van Veji, die de verstrooide troepen der Romeinen verzameld had, tot ontzet opgedaagd. De Galliërs werden verslagen en trokken terug. Rome werd schooner herbouwd.