← Table of contents
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

30. EEN WOEST VOLK OP HET WERELDTOONEEL.

Reading edition

Omstreeks het jaar 375 kwam uit de steppen van Noord-Azië een woest ruitervolk, de Hunnen, te voorschijn. Schrik en angst gingen voor hen uit en geen wonder! Zoo woest en barbaarsch als de Hunnen waren, had men tot dusverre geen volk gezien. Verbeeldt u een klein slag van menschen, met baardelooze en leelijke aangezichten, doorploegd met groote litteekens. Door het onophoudelijk te paard zitten, hadden ze kromme beenen en waren slecht op den gang. Vuur gebruikten ze niet; vleesch en andere spijzen aten ze rauw, evenals de dieren des velds. Zonder kennis van de eenvoudigste werktuigen, zonder vaste woonplaatsen en wetten, zonder huis of haard trokken ze met hunne wagens van plaats tot plaats. Evenmin als het redeloos dier, zegt een geschiedschrijver van hen, kenden ze het onderscheid tusschen goed en kwaad; ze hadden geen' godsdienst en geen geloof.

Toen nu dit volk, dat zeker door de vrees nog zwarter zal zijn afgeschilderd dan het werkelijk was, over de Wolga trok, begon eene belangrijke gebeurtenis, die den grootsten invloed uitoefende op den toestand van Europa n. l. de groote volksverhuizing.

Aan deze zijde der Wolga, in het zuiden van Rusland, woonden toen de Alanen en Gothen. Dit laatste volk was weer verdeeld in Oost- en West-Gothen. De Alanen en Oost-Gothen werden òf door de Hunnen verdrongen òf vereenigden zich met hen. Zoo bleven de Hunnen eerst tot het midden der vijfde eeuw in Zuid-Rusland wonen, en men hoorde weinig van hen.

De West-Gothen, door de Hunnen bedreigd, verkregen van den Romeinschen keizer Valens verlof zich aan den Donau neer te zetten, onder voorwaarde, dat ze den Keizer in zijne oorlogen zouden bijstaan. Toen ze later door de Romeinen onmenschelijk werden behandeld, kwamen ze in opstand en versloegen keizer Valens in 378 in de vlakte van Adrianopel. Plunderend en moordend zwierven de verbitterde West-Gothen nu door het Balkan-schiereiland, totdat het den grooten keizer Theodosius gelukte vrede met hen te sluiten. Hij verleende hun vaste woonplaatsen in Thracië, waar zij volgens hunne eigene wetten en gebruiken leefden.

Theodosius was de laatste alleenheerscher van het Romeinsche rijk. Bij zijn dood (395) verdeelde hij het rijk in twee deelen; het westelijk deel, met Rome tot hoofdstad, kwam onder zijn 11 jarigen zoon Honorius en het oostelijk deel, waarvan Constantinopel de residentie werd, onder den 17 jarigen Arcadius. Van nu af bleef het rijk gescheiden in het Oost- of Grieksche Keizerrijk en in het West- of Latijnsche Keizerrijk. De jonge zonen van Theodosius, die alles behalve schrander en flink waren, kregen ieder een raadsman, aan wien zij de regeering konden overlaten; Arcadius den Galliër Rufinus—en Honorius den Vandaal Stilico.

Weldra braken er oneenigheden uit tusschen de beide rijken of liever tusschen de beide heerschzuchtige ministers. Rufinus haalde Alarik, den dapperen koning der West-Gothen, over om met zijne krijgers naar Italië te trekken; dat was een vruchtbaar en rijk gezegend land, en de Keizer te Rome was machteloos. Alarik liet zich dit geen tweemaal zeggen; hij trok over de Alpen, doch vond bij Stilico zulk een geduchte ontvangst, dat hij moest aftrekken. Honorius, bevreesd voor de toenemende macht van Stilico, vergold hem zijne diensten slecht; hij liet hem in eene kerk te Ravenna door sluipmoordenaars ombrengen.

Nauwelijks was dit Alarik ter ooren gekomen, of hij besloot van de gunstige gelegenheid gebruik te maken en weer een' inval te doen in Italië. Nu was er geen Stilico om hem tegen te houden. De Romeinen zelven waren zoo ontzenuwd, dat ze hoegenaamd niets tegen den dapperen Germaan konden uitrichten. De verdediging van hun gebied lieten ze dan ook aan vreemde legioenen over. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten drong Alarik Italië binnen en ging op Rome los. Rome was toen nog eene stad, die een millioen inwoners telde. Waren dezen, evenals in de dagen van ouds, dapper en vaderlandslievend geweest, dan zou Alarik zich zijne stoutheid zeker zeer berouwd hebben.

Hij sloot de stad zoo nauw in, dat er spoedig gebrek aan levensmiddelen ontstond. Vreeselijk werd de toestand in Rome; honger en pest sleepten duizenden ten grave. Nu werd er een gezantschap tot den Koning gezonden, dat hem eerst met dreigende woorden trachtte te verschrikken. Toen hij daarover in een luid gelach uitbarstte, spraken ze een toontje lager en vroegen wat Alarik eischte, wanneer hij wilde afzien van de plundering. Hij zeide: "Al het goud en zilver, alle kostbaarheden en alle slaven, die aanspraak hebben op den naam van barbaar." "En wat wilt ge ons dan laten?" vroegen de afgezanten ontsteld. "Uw leven," zei Alarik op trotschen toon.

Om bloedvergieten te voorkomen matigde hij evenwel zijne eischen; hij verkreeg 5000 pond goud, 30000 pond zilver en buitendien nog vele balen kostbare kleedingstoffen.

Ten gevolge van de dwaasheid van Honorius, die in geen vergelijk met Alarik wilde treden, trok hij in 410 nogmaals naar Rome en veroverde en plunderde het. Met schatten beladen trokken de Gothen naar Beneden-Italië. Hier werd Alarik ziek en stierf; zijn lijk werd op plechtige wijze in de bedding van het riviertje de Busento begraven.

Ataulf, zijn zwager, verliet het verwoeste land en vestigde zich met zijne Gothen in zuidelijk Gallië. Hier werd onder Wallia het West-Gothische rijk gesticht, dat Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad kreeg. De West-Gothen breidden hun gebied later ook over Spanje uit, waar zich sedert 409 de Alanen, Sueven en Vandalen hadden neergezet. De Vandalen, door de West-Gothen benauwd en geroepen door den Romeinschen stadhouder, Bonifacius, staken in 429 naar Afrika over, onderwierpen een groot deel van de noordkust, veroverden Carthago en plunderden van hier uit de kusten van Italië, Sicilië en Sardinië.

De Britten konden zich, nadat Stilio de Romeinsche legioenen naar Italië ontboden had, niet tegen de uit het noorden komende Picten en Schotten staande houden en riepen daarom de hulp in van de in Duitschland wonende Angelen en Saksen. Dezen onderwierpen in 449 het zuiden van Engeland en stichtten er zeven kleine koninkrijken.

VERVOLG.

Omstreeks het jaar 450 lieten de Hunnen weer van zich hooren. Verschillende stammen van dit volk, waarbij zich ook vele andere volken aansloten, waren omstreeks 440 onder het bestuur van Atilla of Etzel gekomen, die door zijne tijdgenooten de geesel Gods werd genoemd. Hij was een merkwaardig man, zoowel naar het lichaam als naar den geest.

Ofschoon klein van gewas, had hij een groot hoofd, diepliggende oogen, een platten neus, eene breede borst, zeer veel lichaamskracht en een trotschen gang. Voor zijne vijanden verschrikkelijk, was hij toch vol goedheid jegens zijne vrienden. Om zich heen zag hij gaarne pracht; doch hij zelf was zeer eenvoudig. Bij gastmalen werden zijne gasten met gouden en zilveren gereedschap bediend. Volgens de gebruiken van zijn volk at hij geen brood, maar gebruikte slechts een weinig vleesch. Na ieder gerecht ging de beker rond; dan werd er gedronken op Atilla's welzijn en prezen zangers in heldenzangen zijne daden. Terwijl zijne gasten vroolijk waren en schertsten, bleef hij zelf ernstig en bedaard. Alleen als zijn jongste zoon binnentrad, verhelderde zijn gelaat en liefkoosde hij hem.

Deze machtige vorst, voor wien vele volken beefden en Constantinopel en Rome sidderden, trok in het jaar 451 met een leger van 700,000 man naar het Westen. De schrik ging voor hem uit. Duitschland had het hard te verantwoorden; dorpen en steden gingen in vlammen op; lachende velden werden veranderd in woestijnen. Na over den Rijn getrokken te zijn, viel hij in Gallië.

Het West-Romeinsche rijk had toen in Aëtius een groot veldheer. Deze bracht de geheele macht des rijks op de been en verbond zich met vele Duitsche stammen als de Alanen, West-Gothen, Franken en Bourgondiërs, om met hen de macht van den Hunnenkoning te breken. In de groote vlakte, door de ouden de Catalaunische velden genoemd, waarin de stad Chalons ligt, kwam het tusschen beide legers tot een treffen.

Voor de slag begon, verzamelde Atilla zijne bevelhebbers om zich en zeide: "Weest mannen! Grijpt aan, slaat u door des vijands gelederen en werpt alles ter neer. Veracht de Romeinen, hunne slagorde en schilden; valt de Alanen en West-Gothen aan; in hen is de kracht des vijands. Ziet naar mij; wie mij niet volgt, is een kind des doods."

De slag was boven alle beschrijving hevig en bloedig; van weerszijden werd er met moed en verbittering gestreden; want er zou nu beslist worden, wie de overwinning zou behalen; de beschaafde wereld of de barbaarschheid. Reeds hadden de Hunnen het centrum tot wijken gebracht en de Romeinen vloden; ook de West-Gothen weken en hun Koning werd gedood, terwijl hij hen aanvuurde tot den strijd. Doch zijn dood deed de zijnen zoodanig in woede ontvlammen, dat zij zich opnieuw onder bevel van den zoon des overledenen in het strijdgewoel wierpen en de Hunnen op de vlucht sloegen. Bij het vallen van den nacht moest Atilla zich in zijn' wagenburcht terugtrekken. Bij de 200,000 dooden en gewonden bedekten het slagveld; het bloed vloeide in stroomen, en de gewonden dronken er van om niet van dorst te versmachten.

Den volgenden dag werd de slag niet hervat. Atilla keerde naar den Rijn terug, zonder door den vijand achtervolgd te worden. In 't volgende jaar ondernam hij nog een' rooftocht naar Italië en stierf in 453 onder geheimzinnige omstandigheden, die nog niet zijn opgehelderd.

Toen de schrik van zijn' naam zijne volken niet meer in bedwang hield, weigerden ze de gehoorzaamheid aan zijn' opvolger. De Hunnen keerden terug naar het Oosten, vanwaar zij gekomen waren. Het grootste deel van 't gebied, door Atilla veroverd, viel den Oost-Gothen in handen.

Te midden van de stormen der volksverhuizing viel het West-Romeinsche rijk in duigen, dat reeds lang van alle macht en aanzien beroofd was en ten speelbal van de vreemde soldaten had gestrekt. In 476 zette Odoacer, een aanvoerder van Duitsche krijgslieden, Romulus Augustulus af als keizer en noemde zich koning der Germaansche volken in Italië. Met deze gebeurtenis eindigt gewoonlijk de geschiedenis der oudheid.

Een nieuw volk, de Germanen, liet van nu af zijn gezag in Europa gelden; de meeste landen, vroeger tot het Romeinsche rijk behoorende, zooals Spanje, Gallië, Brittanje, België, Nederland enz. werden door Germaansche volksstammen in bezit genomen. Eerst waren ze wel ruw en onbeschaafd, maar door den invloed des Christendoms en de meerdere beschaving, die ze als onwillekeurig van de overwonnelingen overnamen, werden hunne zeden langzamerhand verzacht en verbeterd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings