41. DE MAAGD VAN ORLEANS.
Reading edition
Tot het jaar 987 regeerden de nakomelingen van Karel den Grooten over Frankrijk. Toen kwam met Hugo Capet het Capetingische koningsgeslacht op den troon, dat tot 1328 aan het bewind was. In het laatstgenoemde jaar verving het huis van Valois dat van Capet.
Dewijl de koningen van Engeland evenveel aanspraak meenden te hebben op den Franschen troon als het geslacht van Valois, ontstond er tusschen de Franschen en Engelschen een oorlog, die met kleinere en grootere tusschenpoozen meer dan honderd jaren heeft geduurd. Die oorlog bracht soms groote ellende over Frankrijk. Vooral was dit het geval tijdens de regeering van koning Karel VII, die van 1422 tot 1461 Frankrijk bestuurde. Het geheele noorden des rijks tot aan de Loire was in de macht van den Engelschen koning; de schatkist was ledig en het leger van geene beteekenis. Ongelukkig was Karel een onbeduidend en zwak man, die niets durfde ondernemen en het bijna lijdelijk toezag, dat de schoonste provinciën des rijks hem werden ontrukt. Hij was een man, die geen geestdrift wist in te boezemen in de harten zijner soldaten.
Wat de Koning niet durfde of kon, dat vermocht eene zwakke vrouw, of liever een meisje, pas de kinderschoenen ontwassen.
In den jare 1429 verscheen op een kasteel, aan den zuidelijken oever der Loire gelegen, waar de Koning toen zijn verblijf hield, een eenvoudig 17jarig meisje, Jeanne Darc genaamd, de dochter van een' landman uit Domremi. Ze verlangde bij den Koning te worden toegelaten. Toen haar dit eindelijk gelukt was, deelde zij hem mede, dat eene goddelijke verschijning haar den last had opgedragen Orleans te ontzetten en den Koning naar Rheims te voeren. In het eerst wilden Karel en zijne hovelingen haar niet gelooven. 't Was voor de edele ridders ook wat al te vernederend, dat eene vrouw zou volbrengen, wat zij niet durfden te onderstaan.
Het van heilige geestdrift blakende meisje overtuigde evenwel spoedig zelfs de grootste twijfelaars van de waarheid harer woorden, en de Koning besloot haar het opperbevel over het leger toe te vertrouwen. In ridderlijke wapenrusting gedost, met de witte lelievaan in de hand, reed zij weldra op een vurig strijdros aan het hoofd van het leger den vijand te gemoet. Het gezicht van de fiere jonkvrouw, die zoo vast geloofde aan de goddelijkheid harer zending, ontstak de Franschen in geestdrift.
Onder hare leiding waren ze in waarheid onverwinnelijk. Waar zij hare witte banier liet wapperen, weken de Engelschen.
Den 29 April van hetzelfde jaar was ze voor de poorten van Orleans, dat door den vijand werd belegerd.
De stad werd ontzet; de Engelschen werden op de vlucht geslagen en Johanna door duizenden als redster begroet. Dit eerste gelukkige wapenfeit verhoogde den moed der strijders. Thans kreeg zelfs de zwakke Karel moed; hij stelde zich aan het hoofd van het leger en trok op naar Rheims, waar hij gekroond moest worden.
De maagd van Orleans, zoo werd Jeanne thans genoemd, was overal, waar het gevecht het hevigst was.
Wat de wereld eene onmogelijkheid had geacht, geschiedde. De Franschen trokken dwars door het Engelsche leger heen, dat overal het onderspit moest delven. Den 17 Juli trok de Koning de stad Rheims binnen en werd er plechtig gekroond en gezalfd. De maagd van Orleans stond gedurende deze plechtigheid in volle wapenrusting aan zijne zijde, met de lelievaan in de hand. Welk eene heerlijke voldoening voor het edele meisje! Door duizenden werd zij geprezen als de beschermengel van Frankrijk. Maar juist de lof, haar toegezwaaid, verwekte haar vele vijanden onder de hovelingen. Die vijandschap was oorzaak, dat Johanna haar doel om n.l. den laatsten vijand van Frankrijks bodem te verjagen, niet kon bereiken. Na de kroning te Rheims werd zij veel minder dan vroeger ondersteund, te meer, daar de lafhartige Karel het krijgsgewoel reeds lang moede was en verlangde naar de genietingen van het hofleven. Nu kwam er een voorgevoel van een naderend leed op in het hart der maagd, en maar al te spoedig kwam dat leed. In Mei van het jaar 1430 waagde zij met hare mannen een' uitval uit de stad Compiègne, die door de bondgenooten der Engelschen, de Bourgondiërs, belegerd werd. Die uitval mislukte; Jeanne waagde zich te stoutmoedig en werd door de Bourgondiërs gegrepen, die haar aan de Engelschen verkochten. Dezen veroordeelden het edele meisje tot den brandstapel als schuldig aan tooverij. Kalm en gelaten onderging zij te Rouaan deze vreeselijke straf (1431). Koning Karel, die haar zooveel was verplicht, wendde geene enkele poging aan om haar te redden uit de handen harer doodvijanden.