27. EEN DAPPER GERMAAN (HERMAN).
Reading edition
Hoogstwaarschijnlijk zal binnen kort de 1200 voet hooge Grotenburg, een top van het Teutoburgerwoud, met een waarlijk reusachtig standbeeld versierd worden. Het is het Hermansgedenkteeken, eene schepping van den vaderlandslievenden Jozeph Ernst von Bandel uit Anspach in Beieren. Op een koepelvormigen onderbouw van 95 voet zal het 90 voet hooge, uit koper gegotene standbeeld van Herman, den bevrijder van Duitschland, opgericht worden "in het midden der landstreken, waar hij zijne heldendaden verrichtte, ver heen ziende in 't vrije vaderland en van verre gezien als een wegwijzer ter plaatse van onzen roem." (von Bandel). 't Is dus wel een belangrijke zaak, wel een gewichtig persoon, waaraan wij te denken hebben.
Laat ons zien. De wereldbedwingende Romeinen hadden hunne heerschappij ook in Duitschland uitgebreid en zoowel door kracht van wapenen als door list, verraad en omkooping een groot gedeelte er van onderworpen. Een voor vrijheid en vaderland dweepend jongeling, Herman, vorst der Cherusken, die in Rome in alle kunsten en wetenschappen der Romeinen was onderwezen, vatte het stoute plan op, den vrijen Duitschen bodem van de overweldigers te bevrijden. Voorzichtigheid en beleid aan dapperheid parende, wist hij langen tijd vriendschap met de Romeinen te veinzen, terwijl hij in 't geheim zijn grootsch ontwerp voorbereidde. Eindelijk is hij gereed. Vele dappere Duitsche scharen zijn bereid, alles voor de vrijheid ten offer te brengen. Varus, de gehate Romeinsche stadhouder van de landen aan beide zijden des Rijns, trekt op 't bericht, dat een Duitsche stam is opgestaan, naar de Wezer.
Als geoefend veldheer valt Herman niet terstond de vijanden aan, maar verzwakt hen door onophoudelijke, kleine aanvallen en lokt ze zoodoende in het dichte Teutoburgerwoud. 't Is een vreeselijk weer. De regen valt bij stroomen neder; de storm huilt akelig door de takken der boomen. De uitgeputte Romeinen kunnen zich ternauwernood staande houden op den doorweekten, glibberigen en drassigen bodem. Daar verheft zich boven het geloei van den storm het krijgsgehuil der Duitschers; een hagelbui van pijlen en steenen valt neer op de verschrikte Romeinen en dunt vreeselijk hunne gelederen.
Schrik en ontzetting maken zich van hen meester. Nergens vertoont zich eenige uitkomst, nergens redding. Verschrikkelijk is de slachting, die onder de Romeinen wordt aangericht. Varus, ten einde raad en zijne nederlaag niet willende overleven, stort zich in zijn zwaard. Een gevolg van dezen roemrijken slag was, dat de Romeinen uit Duitschland verdreven werden. (9 j. n. Chr.) Wel poogden eenige jaren later Tiberius en Germanicus de nederlaag van Varus te wreken, de laatste zelfs met goed gevolg; maar de Romeinen zagen toch in, dat een volk, 't welk bij eendracht zulk eene kracht kon ontwikkelen, niet geschikt was een slavenjuk te torschen en bepaalden zich in 't vervolg tot verdediging der grenzen door 't stichten van versterkte kasteelen aan den Rijn en den Donau, die later den oorsprong aan verscheidene steden hebben gegeven.