THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
I. Eucl. Zijt gij daar even van het land gekomen, Terpsion! of reeds eene poos geleden?
Eucl. [Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.
Ter. Waar dan?
Ter. Was hij dood of levend?
Eu. Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in het leger ontstaan is.
Ter. Toch niet de roode loop?
Eu. Juist.
Ter. Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!
Eu. Een uitstekend man, Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.
Ter. Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.
Ter. Dat is goed.
Ter. En daaraan hebt gij goed gedaan, Euclides!
Eu. [Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek en lees.—
So. Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?
Theo. Dat zal gebeuren. Theaetetus! kom hier bij Socrates.
So. Ja, doe dat, Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig een gelaat ik heb; want Theodorus zegt, dat ik er een heb, dat op het uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide, dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven, of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van de muzijk?
Theaet. Dat zouden wij onderzoeken.
Theaet. Dat is waar.
So. Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt, omdat hij er verstand van heeft, of niet.
Theaet. Ik geloof ja.
So. Maar is Theodorus dan een schilder?
So. Maar is hij ook geen meetkunstenaar?
Theaet. Wel zeker, Socrates!
So. En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en wat meer tot de opvoeding behoort?
Theaet. Ik geloof ja.
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij bereidwillig zich vertoonde?
Theaet. Ongetwijfeld, Socrates!
Theaet. Dat zou goed zijn, Socrates! Maar zie eens, of hij het ook schertsend zeide.
So. Dat is de gewoonte van Theodorus niet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.
Theaet. Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.
So. Zeg mij dan nu: leert gij van Theodorus het een en ander van de meetkunst?
Theaet. Ja.
So. En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?
Theaet. Ik hoop er meê te beginnen.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. En de kundigen zijn kundig door kunde?
Theaet. Ja.
So. Maar verschilt dit nu van kennis?
Theaet. Wat?
So. De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dus is kennis en kunde hetzelfde?
Theaet. Ja.
So. Gij hoort, Theaetetus! wat Theodorus zegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?
Theaet. Het moet wel, Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.
IV. So. Wel zeker, als wij maar kunnen.
So. Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.
Theaet. Wat zegt gij daar, Socrates?
So. Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?
Theaet. Niets anders.
So. Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?
So. Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?
Theaet. Ja.
Theaet. Juist.
So. Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?
Theaet. Waarschijnlijk.
Theaet. Wel neen.
Theaet. Neen.
Theaet. Juist zoo.
So. Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men, wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Wat meent gij, Theaetetus?
So. En hebt gij zoodanig iets gevonden?
Theaet. Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.
So. Zeg op.
Theaet. Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.
So. Goed zoo.
Theaet. De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.
So. Opperbest: maar wat nu verder?
Theaet. Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.
So. Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.
Theaet. Edoch, Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks zoekt; zoodat Theodorus nu weder een leugenaar schijnt.
Theaet. Wel neen.
Theaet. Waarlijk, bij Zeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.
Theaet. Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt, Socrates! zal het blijken.
VI. So. Komaan dan; want daareven zijt gij goed voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.
So. [Dat is geen wonder], mijn beste Theaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.
Theaet. Dat heb ik reeds gehoord.
So. Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?
Theaet. Wel neen!
Theo. Wel zeker.
So. Wil ik u dan de reden eens zeggen?
Theaet. Gaarne.
So. Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.
Theaet. Wel zeker.
Theaet. Wel zeker.
Theaet. Dat is zoo.
So. Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?
Theaet. Neen, maar van dezelfde.
Theaet. Dat is niet waarschijnlijk.
So. Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Ja!
Theaet. Ja.
Theaet. Ja, dikwijls.
So. Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?
Theaet. Ja: dat zegt hij.
So. Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wij Protagoras gelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?
So. Edoch het komt aan ieder alzoo voor.
Theaet. Ja.
So. Dat is: ieder voelt het zoo.
Theaet. Juist.
So. Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?
Theaet. Ongetwijfeld.
IX. So. Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer als Homerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?
Theaet. Dat is niet gemakkelijk, Socrates!
Theaet. Ongetwijfeld.
So. En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.
Theaet. Zeer zeker.
Theaet. Ja.
Theaet. Ongetwijfeld.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Ik geloof, Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.
X. So. Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.
Theaet. Maar hoe dan?
Theaet. Neen, waarlijk niet.
So. Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?
Theaet. Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.
Theaet. Hoe en wat meent gij?
Theaet. Wel neen.
Theaet. Dat is waar.
Theaet. Dat zou ik zeer gaarne willen.
Theaet. Ja.
So. Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.
Theaet. Ongetwijfeld.
Theaet. Het komt mij althans zoo voor.
Theaet. En bij de Goden, Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.
Theaet. Ik geloof nog niet.
Theaet. Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?
Theaet. Waarlijk, Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.
Theaet. Niet bijzonder, Socrates!
So. Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.
Theaet. Vraag op!
Theaet. Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.
Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid, Socrates!
Theaet. Socrates! ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en [ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.
Theaet. Welke meent gij?
So. Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.
Theaet. Dat is ongetwijfeld waar.
Theaet. Ja.
Theaet. Dat zou waarlijk allergekst wezen.
So. Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?
Theaet. Ik geloof van neen.
Theaet. Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.
So. Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?
Theaet. Ik geloof van ja.
So. Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?
Theaet. Noodzakelijk.
Theaet. Ja.
So. En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?
Theaet. Zeer zeker.
So. Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den zieken Socrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?
Theaet. Meent gij den zieken Socrates in zijn geheel, aan den gezonden Socrates in zijn geheel?
So. Goed begrepen! juist dat meen ik.
Theaet. Zeker ongelijk.
So. En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?
Theaet. Dat zal ik.
So. Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezonden Socrates aantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.
Theaet. Waarom zou dat niet?
So. Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?
Theaet. Natuurlijk.
So. Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.
Theaet. Ja.
Theaet. Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.
Theaet. Ja.
Theaet. Ongetwijfeld.
Theaet. Dat is waar.
So. En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.
Theaet. Waarlijk niet.
Theaet. Ongetwijfeld.
Theaet. Zeer zeker, Socrates!
So. Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?
Theaet. Natuurlijk.
So. Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgens Protagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.
Theaet. Dat schijnt zoo.
Theaet. Dat kan niet anders.
Theaet. Noodzakelijk zóó, Socrates!
Theod. Theaetetus zal het dulden, Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?
Theaet. Wat gij zegt, Socrates! is beter; doe zoo.
XVI. So. Weet gij nu, Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriend Protagoras verwonder?
Theod. Wat meent gij?
Theod. Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.
Theaet. Dat mag niet, Socrates! zouden gij en wij zeggen.
So. Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij en Theodorus zegt.
Theaet. Ja zeker: op eene andere wijs.
Theaet. Wel zeker.
So. Mooi! Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen. XVIII. Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.
Theaet. Wat toch?
Theaet. Hoe dat, Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.
So. Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?
Theaet. Ja zeker.
So. Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?
Theaet. Ja.
So. Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.
Theaet. Ja.
So. Is dat een geheugen van niets of van iets?
Theaet. Zekerlijk van iets.
So. Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?
Theaet. Wel zeker.
So. Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?
Theaet. Ja.
So. Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.
Theaet. Dat is waar.
So. Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.
Theaet. Dat zegt gij zeer naar waarheid.
So. Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Ik geloof van ja.
So. Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt, dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar, Theaetetus! wat gaan wij doen?
Theaet. Hoe zoo?
So. Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.
Theaet. Hoe dat?
So. Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.
Theaet. Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.
Theaet. Dat schijnt zoo.
Theod. Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.
XIX. So. Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?
Theod. Wat zullen wij antwoorden, Theaetetus?
Theaet. Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.
Theaet. Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.
So. Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.
Theaet. In zooverre, ja.
Theaet. Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.
Theaet. Zeer gaarne.
XXI. Theod. Gij schertst, Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.
Theod. Wel zeker heb ik daarop gelet, Socrates!
So. Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?
Theod. Zeker.
Theod. Wat! Zou dan Theaetetus niet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?
Theod. Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.
XXII. So. Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of] Protagoras ons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?
Theod. Ja.
Theod. Gij zegt de waarheid.
Theod. Hoe?
So. Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder zoo toeschijnt, ook zoo is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt?
Theod. Ja, dat zegt hij.
Theod. Niets anders.
So. Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?
Theod. Ongetwijfeld.
So. Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling, Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens, Theodorus! of het iemand der aanhangers van Protagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.
Theod. Dat is ondenkbaar, Socrates!
Theod. Hoe dat?
So. Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?
So. Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?
Theod. Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.
So. En hoe is het nu met Protagoras zelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meer niet dan wel waar is?
Theod. Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.
So. Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.
Theod. Ongetwijfeld.
So. Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?
Theod. Noodzakelijk.
So. Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?
Theod. Wel neen!
So. Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.
Theod. Het schijnt zoo.
Theod. Ja.
So. Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid van Protagoras voor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.
Theod. Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.
Theod. Zoo komt het mij althans voor.
Theod. Zoo komt het mij althans voor.
Theod. Hoe meent gij dat dan?
Theod. Hoe zoo?
Theod. Hoe meent gij dat, Socrates?
So. Eveneens, Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavin Thales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar, Theodorus?
Theod. Ja zeker, en gij zegt de waarheid.
Theod. Gij zegt het juist zoo als het gebeurt, Socrates!
Theod. Socrates! wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.
Theod. Welke meent gij dan?
Theod. Ongetwijfeld, Socrates!
Theod. Socrates! ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.
Theod. Dat zou het.
So. Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.
Theod. Natuurlijk.
Theod. Wel neen.
So. En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?
Theod. Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.
Theod. Ongetwijfeld.
So. Komaan! laten wij dan Protagoras of eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen. Protagoras! de mensch is immers, volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?
Theod. Ja.
So. Maar, Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?
Theod. Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.
Theod. Natuurlijk.
So. En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.
Theod. Wel neen!
So. Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij, Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?
Theod. Wel zeker, Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.
Theod. Dat is zeer waar.
Theod. Ongetwijfeld.
So. Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.
Theod. Ik geloof, Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.
XXVII. Theod. Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken van Jonie zeer bloeit, want de navolgers van Heracliet staan dezelve krachtig voor.
So. Daarom, mijn waarde Theodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.
Theod. Socrates! wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken, wat beide partijen zeggen.
Theod. Dat doe ik.
So. Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd?
Theod. Ik geloof van ja.
Theod. Dat zegt gij goed.
So. Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?
Theod. Bij Zeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat zij zeggen zouden: op beide wijzen.
Theod. Gij zegt volkomen de waarheid.
Theod. Dat is noodig.
Theod. Ja.
So. Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben, [namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?
Theod. Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.
Theod. Alzoo.
So. Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats wisselt, maar verandert, zoodat ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?
Theod. Daar alles in beweging is, mag dat niet.
So. Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is, het woord zien niet meer bezigen dan het woord niet zien, en van niet ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.
Theod. Wel neen.
Theod. Ja.
So. Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven, dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.
Theod. Dat schijnt zoo.
Theod. Gij zegt goed.
Theod. Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.
So. Dus, Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet toestemmen, dat het gevoel kennis is. Of Theaetetus moest iets anders zeggen.
Theod. Theaetetus! leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet gebeuren], maar houd u gereed, om Socrates over de rest te woord te staan.
Theaet. Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever hooren.
So. [Dat is waar], Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek van Theaetetus gehoor te geven.
Theod. Waarom niet?
Theod. Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.
So. Theaetetus! onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?
Theaet. Ja.
So. Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij, geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.
Theaet. Ja.
Theaet. Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede wij alles waarnemen.
Theaet. Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.
Theaet. Tot niets anders.
So. Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?
Theaet. Waarom niet?
So. Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.
Theaet. Wel neen.
So. Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden, dat beiden zijn?
Theaet. Ja.
So. Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten opzigte van zich zelven hetzelfde is?
Theaet. Natuurlijk.
So. En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?
Theaet. Ook dat.
So. Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn?
Theaet. Misschien wel.
Theaet. Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.
So. Theaetetus! gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik vraag.
Theaet. Maar waarlijk, Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat, naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.
Theaet. Welnu, het komt mij zoo voor.
XXX. So. Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest algemeene.
Theaet. Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.
So. Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid?
Theaet. Ja.
So. En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?
Theaet. Ja.
So. Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen, door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.
Theaet. Zeer zeker.
So. Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven, sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en studie het deel worden van die [weinigen], wier deel zij worden?
Theaet. Zeer zeker.
So. Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid niet [bereiken kan]?
Theaet. Neen.
So. Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan?
Theaet. Hoe zou dat mogelijk zijn, Socrates?
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Dat zou onbillijk zijn.
So. Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm zijn?
Theaet. Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.
So. Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.
Theaet. Dat is noodzakelijk.
So. En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet bereiken kan?
Theaet. Neen.
So. Dus ook de kennis niet?
Theaet. Neen.
So. Dus, Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?
Theaet. Het schijnt van neen, Socrates! en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.
Theaet. Dit nu, Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.
XXXI. Theaet. Het is onmogelijk, Socrates! alle meening voor kennis te verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten iets anders te zeggen.
So. Het is beter, Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen, dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden, waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten, de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?
Theaet. Ja: want dit komt mij nu zoo voor.
Theaet. Hoe meent gij dat?
Theaet. Wat meent gij toch?
So. Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen.
Theaet. Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen], Socrates? Houdt gij het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken? Daareven toch hebt gij, Theodorus van den ledigen tijd sprekende, zoo goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.
Theaet. Ongetwijfeld.
Theaet. Ja, dat zeggen wij.
Theaet. Waarlijk, Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen.
So. Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert aangaande dingen, die hij kent of niet kent.
Theaet. Noodzakelijk.
So. Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te kennen, is onmogelijk.
Theaet. Hoe zou dat anders?
So. Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan, dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?
Theaet. Dat is onmogelijk, Socrates!
Theaet. Wel neen.
So. Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.
Theaet. Dat zou wel een wonder zijn.
So. Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche meening te koesteren.
Theaet. Dat is volkomen waar.
So. Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?
Theaet. Hoe zegt gij?
Theaet. Dat schijnt zoo, Socrates.
Theaet. Zóó.
So. Heeft dit nu ergens elders plaats?
Theaet. Wat?
Theaet. Hoe zou dat kunnen?
Theaet. Wel neen.
So. Die dus iets ziet, ziet iets dat is.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.
Theaet. Ja.
So. En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets dat is.
Theaet. Ook dit.
So. En die meent, meent immers het een of ander?
Theaet. Toegestemd.
Theaet. Ik geloof neen.
So. Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?
Theaet. Dat is duidelijk, zou men zeggen.
So. Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen van het niet zijnde.
Theaet. Het schijnt wat anders.
So. Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven beschouwden, valsche meening in ons aanwezig.
Theaet. Dat is zij niet.
Theaet. Hoe?
So. Ik merk, Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.
Theaet. Hoe dat?
Theaet. Ja.
Theaet. Dat is zoo.
So. Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet, is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?
Theaet. Wel zeker.
Theaet. Opperbest.
Theaet. Hoe vat gij het op?
Theaet. Even zóó.
So. Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.
Theaet. Ongetwijfeld.
Theaet. Gij zegt de waarheid.
Theaet. Wel neen ik.
Theaet. Dat zal ik dan maar niet meer doen, Socrates! want ik ben het met u eens.
So. Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Maar iemand, die alleen het ééne voor den geest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.
Theaet. Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.
So. Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.
Theaet. Het schijnt van neen.
Theaet. Welke dan?
Theaet. Zeg maar op.
So. Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.
Theaet. Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel] Socrates kennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voor Socrates aanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.
Theaet. Juist.
Theaet. Wel zeker
So. Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?
Theaet. Waarom niet?
Theaet. Ik stel het.
So. Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is van Mnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.
Theaet. Het zij zoo.
Theaet. Op welke wijs?
So. Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.
Theaet. Maar hoe zegt gij dan nu?
Theaet. Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.
XXXIV. Theaet. Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.
So. Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ik Theodorus ken en mij herinner, hoe hij is, en Theaetetus even zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?
Theaet. Dat is waar.
So. Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.
Theaet. Dat is zoo.
So. En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.
Theaet. Ja.
So. Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt. Socrates kent Theodorus en Theaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, dat Theaetetus Theodorus is. Zeg ik iets of niets?
Theaet. Gij zegt de waarheid.
So. Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.
Theaet. Dat was het.
So. En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.
Theaet. Juist.
So. En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u en Theodorus valsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.
Theaet. Ik kan het volgen.
Theaet. Hetgeen met de meening gebeurt, Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.
So. En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.
Theaet. Ja, dat begreep ik niet.
So. Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?
Theaet. Ja.
Theaet. Het schijnt althans zoo.
Theaet. Zegt men dat dan niet met regt, Socrates?
So. Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?
Theaet. Natuurlijk.
Theaet. Wel zeker.
Theaet. Gij zegt opperbest, Socrates!
So. Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?
Theaet. Ongetwijfeld,
So. En ware toch ook?
Theaet. Ook ware.
So. Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?
Theaet. Met volkomen regt.
XXXV. So. Een praatziek mensch, Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.
Theaet. Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?
So. Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?
Theaet. Waarom zijt gij dan boos?
Theaet. Maar, Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.
So. Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?
Theaet. En te regt.
So. Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.
Theaet. Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden, maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.
Theaet. Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.
So. Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?
Theaet. Dat schijnt zoo.
Theaet. Dat is zeer waar.
Theaet. Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor, Socrates!
So. Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?
So. Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?
Theaet. En wat is daarin voor onbeschaamdheid?
So. Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.
Theaet. Ja, dat herinner ik mij wel.
Theaet. Maar hoe zult gij dan spreken, Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?
Theaet. Verstout er u dan maar toe, bij Zeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.
Theaet. Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.
Theaet. Dat is waar.
So. Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.
Theaet. Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?
So. Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.
Theaet. Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.
So. Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.
Theaet. En te regt.
Theaet. Ja.
So. In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.
Theaet. Dat is zoo.
Theaet. Zij is gemaakt. Maar wat nu?
So. Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.
Theaet. Het zij zoo.
Theaet. Ja.
So. Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.
Theaet. Ik beschouw haar aldus.
Theaet. Juist.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.
Theaet. Natuurlijk.
Theaet. Waarom niet?
So. En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.
Theaet. Zoo [zullen wij doen].
Theaet. Ja zeker.
Theaet. Dat is waar.
Theaet. Maar dat is toch wat gek, Socrates!
So. Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?
Theaet. Dat gaat evenmin.
Theaet. Dat gaat op.
So. En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?
Theaet. Aldus.
So. Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.
Theaet. Wat dan?
So. Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.
Theaet. Hoe zoo?
So. Het is moeijelijk, Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?
Theaet. Ja.
So. Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.
Theaet. Hoe zou hij daartoe komen?
So. Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.
Theaet. Natuurlijk.
So. Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.
Theaet. Dat spreekt.
So. Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen? Theaetetus! wat zullen wij daarop antwoorden?
Theaet. Waarlijk, Socrates! ik heb er niets op te zeggen.
Theaet. Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.
So. Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?
Theaet. Met de vroeger gegevene, Socrates! ik althans heb geene andere.
So. Welke?
Theaet. Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.
Theaet. Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.
So. Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.
Theaet. Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?
Theaet. Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.
So. Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?
Theaet. Natuurlijk.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.
Theaet. Volkomen zóó.
So. Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?
So. Wel, Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?
Theaet. Ik geloof althans, Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.
So. En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.
Theaet. Wat dan?
So. Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.
Theaet. Welke?
Theaet. Neen, maar daarop.
XL. So. Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit. De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord] Socrates vroeg, zeggende: Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?
Theaet. Ik zou zeggen s en o.
So. Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?
Theaet. Ja.
So. Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van de s.
So. Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?
Theaet. Het schijnt van ja.
So. Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allen lettergreep (verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?
Theaet. Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.
So. Zie het dan eens aan twee, de s en de o. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Dus kent hij de s en de o?
Theaet. Ja.
So. Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?
Theaet. Dat zou dwaas en ongerijmd zijn, Socrates!
So. Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.
Theaet. En dat zoo onverwacht!
So. Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.
Theaet. Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;] en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.
So. Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.
Theaet. Wel neen.
So. Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.
Theaet. Het zij zoo.
So. Maar moet die dan geen deelen hebben?
Theaet. Hoe zoo?
So. Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?
Theaet. Ja.
So. Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?
Theaet. Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.
So. Die vrijmoedigheid is goed, Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.
Theaet. Dat spreekt.
XLI. So. Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?
Theaet. Ja.
Theaet. Hetzelfde.
So. Is het wel iets anders dan zes?
Theaet. Neen.
So. Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al de zes uitgedrukt.
Theaet. Ja.
Theaet. Wel zeker.
So. Iets anders dan de zes?
Theaet. Neen.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Dit is dan ook de gewone wijs van spreken. Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?
Theaet. Ja.
So. En evenzoo [is het] met de mijl?
Theaet. Ja.
So. En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.
Theaet. Ja.
So. En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?
Theaet. Wel neen.
So. Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Juist.
So. Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?
Theaet. Immers van het al.
So. Gij houdt u goed, Theaetetus! Maar is dan het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?
Theaet. Noodzakelijk.
So. En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?
Theaet. Ja zeker.
So. Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?
Theaet. Juist.
So. Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?
Theaet. Ja.
So. Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?
Theaet. Wel neen! want, Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Ja, dit herinner ik mij.
So. Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.
Theaet. Er schijnt dan ook geene andere te wezen.
Theaet. Zeer zeker.
Theaet. Ongetwijfeld.
So. Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.
Theaet. Het is niet anders.
So. Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.
Theaet. Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.
So. Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?
Theaet. Wat meent gij?
Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid.
So. En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.
Theaet. Niets anders.
Theaet. Zeer zeker.
Theaet. Wij moeten dat dan beschouwen.
Theaet. Van welke?
So. Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?
Theaet. Dat is waar.
So. Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.
Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?
So. Zoo als bij voorbeeld Hesiodus van een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.
Theaet. Wel zeker.
So. Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naam Theaetetus bepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.
Theaet. Ja.
So. En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.
Theaet. Maar vindt gij dat oordeel niet juist, Socrates?
So. Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?
Theaet. Wel zeker stem ik dat toe.
So. Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?
Theaet. Wel neen ik.
So. En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?
Theaet. Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.
So. Dat meen ik.
Theaet. Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.
So. Wat dan? wanneer iemand, in dien tijd Theaetetus schrijvende, t, h en e meent te moeten schrijven en schrijft; maar Theodorus willende schrijven, t en e meent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?
Theaet. Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.
So. Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?
Theaet. Wel neen.
So. Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meening Theaetetus schrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?
Theaet. Natuurlijk.
So. Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?
Theaet. Ja.
So. Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.
Theaet. Dat is waar.
So. Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.
Theaet. Dat schijnt zoo.
XLIII. So. Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.
Theaet. Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?
So. Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.
Theaet. Wel zeker.
So. Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.
Theaet. Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.
So. En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.
Theaet. Zoo zeggen wij dat het is.
Theaet. Hoe dat?
So. Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.
Theaet. Ja.
So. En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?
Theaet. Juist.
So. Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.
Theaet. Natuurlijk.
So. Komaan dan, bij Zeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, dat Theaetetus een mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meer Theaetetus, dan Theodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?
Theaet. Wel neen.
So. Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?
Theaet. Volstrekt niet.
So. Maar Theaetetus zal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.
Theaet. Dat is volkomen waar.
So. Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.
Theaet. Het schijnt zoo.
So. Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.
Theaet. Hoe zoo?
Theaet. Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.
So. Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?
Theaet. Ja.
So. Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.
Theaet. Het schijnt zoo.
Theaet. Het schijnt van neen.
So. Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?
Theaet. Waarlijk, bij Zeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.
So. En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?
Theaet. Ongetwijfeld.