← Table of contents
Theaetetus

THEAETETUS.

D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2

I. Eucl. Zijt gij daar even van het land gekomen, Terpsion! of reeds eene poos geleden?

Eucl. [Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.

Ter. Waar dan?

Ter. Was hij dood of levend?

Eu. Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in het leger ontstaan is.

Ter. Toch niet de roode loop?

Eu. Juist.

Ter. Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!

Eu. Een uitstekend man, Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.

Ter. Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.

Ter. Dat is goed.

Ter. En daaraan hebt gij goed gedaan, Euclides!

Eu. [Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek en lees.—

So. Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?

Theo. Dat zal gebeuren. Theaetetus! kom hier bij Socrates.

So. Ja, doe dat, Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig een gelaat ik heb; want Theodorus zegt, dat ik er een heb, dat op het uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide, dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven, of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van de muzijk?

Theaet. Dat zouden wij onderzoeken.

Theaet. Dat is waar.

So. Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt, omdat hij er verstand van heeft, of niet.

Theaet. Ik geloof ja.

So. Maar is Theodorus dan een schilder?

So. Maar is hij ook geen meetkunstenaar?

Theaet. Wel zeker, Socrates!

So. En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en wat meer tot de opvoeding behoort?

Theaet. Ik geloof ja.

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij bereidwillig zich vertoonde?

Theaet. Ongetwijfeld, Socrates!

Theaet. Dat zou goed zijn, Socrates! Maar zie eens, of hij het ook schertsend zeide.

So. Dat is de gewoonte van Theodorus niet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.

Theaet. Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.

So. Zeg mij dan nu: leert gij van Theodorus het een en ander van de meetkunst?

Theaet. Ja.

So. En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?

Theaet. Ik hoop er meê te beginnen.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. En de kundigen zijn kundig door kunde?

Theaet. Ja.

So. Maar verschilt dit nu van kennis?

Theaet. Wat?

So. De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dus is kennis en kunde hetzelfde?

Theaet. Ja.

So. Gij hoort, Theaetetus! wat Theodorus zegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?

Theaet. Het moet wel, Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.

IV. So. Wel zeker, als wij maar kunnen.

So. Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.

Theaet. Wat zegt gij daar, Socrates?

So. Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?

Theaet. Niets anders.

So. Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?

So. Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?

Theaet. Ja.

Theaet. Juist.

So. Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?

Theaet. Waarschijnlijk.

Theaet. Wel neen.

Theaet. Neen.

Theaet. Juist zoo.

So. Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men, wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Wat meent gij, Theaetetus?

So. En hebt gij zoodanig iets gevonden?

Theaet. Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.

So. Zeg op.

Theaet. Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.

So. Goed zoo.

Theaet. De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.

So. Opperbest: maar wat nu verder?

Theaet. Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.

So. Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.

Theaet. Edoch, Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks zoekt; zoodat Theodorus nu weder een leugenaar schijnt.

Theaet. Wel neen.

Theaet. Waarlijk, bij Zeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.

Theaet. Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt, Socrates! zal het blijken.

VI. So. Komaan dan; want daareven zijt gij goed voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.

So. [Dat is geen wonder], mijn beste Theaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.

Theaet. Dat heb ik reeds gehoord.

So. Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?

Theaet. Wel neen!

Theo. Wel zeker.

So. Wil ik u dan de reden eens zeggen?

Theaet. Gaarne.

So. Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.

Theaet. Wel zeker.

Theaet. Wel zeker.

Theaet. Dat is zoo.

So. Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?

Theaet. Neen, maar van dezelfde.

Theaet. Dat is niet waarschijnlijk.

So. Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Ja!

Theaet. Ja.

Theaet. Ja, dikwijls.

So. Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?

Theaet. Ja: dat zegt hij.

So. Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wij Protagoras gelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?

So. Edoch het komt aan ieder alzoo voor.

Theaet. Ja.

So. Dat is: ieder voelt het zoo.

Theaet. Juist.

So. Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?

Theaet. Ongetwijfeld.

IX. So. Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer als Homerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?

Theaet. Dat is niet gemakkelijk, Socrates!

Theaet. Ongetwijfeld.

So. En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.

Theaet. Zeer zeker.

Theaet. Ja.

Theaet. Ongetwijfeld.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Ik geloof, Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.

X. So. Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.

Theaet. Maar hoe dan?

Theaet. Neen, waarlijk niet.

So. Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?

Theaet. Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.

Theaet. Hoe en wat meent gij?

Theaet. Wel neen.

Theaet. Dat is waar.

Theaet. Dat zou ik zeer gaarne willen.

Theaet. Ja.

So. Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.

Theaet. Ongetwijfeld.

Theaet. Het komt mij althans zoo voor.

Theaet. En bij de Goden, Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.

Theaet. Ik geloof nog niet.

Theaet. Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?

Theaet. Waarlijk, Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.

Theaet. Niet bijzonder, Socrates!

So. Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.

Theaet. Vraag op!

Theaet. Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.

Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid, Socrates!

Theaet. Socrates! ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en [ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.

Theaet. Welke meent gij?

So. Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.

Theaet. Dat is ongetwijfeld waar.

Theaet. Ja.

Theaet. Dat zou waarlijk allergekst wezen.

So. Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?

Theaet. Ik geloof van neen.

Theaet. Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.

So. Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?

Theaet. Ik geloof van ja.

So. Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?

Theaet. Noodzakelijk.

Theaet. Ja.

So. En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?

Theaet. Zeer zeker.

So. Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den zieken Socrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?

Theaet. Meent gij den zieken Socrates in zijn geheel, aan den gezonden Socrates in zijn geheel?

So. Goed begrepen! juist dat meen ik.

Theaet. Zeker ongelijk.

So. En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?

Theaet. Dat zal ik.

So. Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezonden Socrates aantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.

Theaet. Waarom zou dat niet?

So. Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?

Theaet. Natuurlijk.

So. Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.

Theaet. Ja.

Theaet. Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.

Theaet. Ja.

Theaet. Ongetwijfeld.

Theaet. Dat is waar.

So. En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.

Theaet. Waarlijk niet.

Theaet. Ongetwijfeld.

Theaet. Zeer zeker, Socrates!

So. Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?

Theaet. Natuurlijk.

So. Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgens Protagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.

Theaet. Dat schijnt zoo.

Theaet. Dat kan niet anders.

Theaet. Noodzakelijk zóó, Socrates!

Theod. Theaetetus zal het dulden, Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?

Theaet. Wat gij zegt, Socrates! is beter; doe zoo.

XVI. So. Weet gij nu, Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriend Protagoras verwonder?

Theod. Wat meent gij?

Theod. Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.

Theaet. Dat mag niet, Socrates! zouden gij en wij zeggen.

So. Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij en Theodorus zegt.

Theaet. Ja zeker: op eene andere wijs.

Theaet. Wel zeker.

So. Mooi! Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen. XVIII. Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.

Theaet. Wat toch?

Theaet. Hoe dat, Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.

So. Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?

Theaet. Ja zeker.

So. Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?

Theaet. Ja.

So. Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.

Theaet. Ja.

So. Is dat een geheugen van niets of van iets?

Theaet. Zekerlijk van iets.

So. Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?

Theaet. Wel zeker.

So. Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?

Theaet. Ja.

So. Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.

Theaet. Dat is waar.

So. Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.

Theaet. Dat zegt gij zeer naar waarheid.

So. Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Ik geloof van ja.

So. Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt, dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar, Theaetetus! wat gaan wij doen?

Theaet. Hoe zoo?

So. Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.

Theaet. Hoe dat?

So. Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.

Theaet. Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.

Theaet. Dat schijnt zoo.

Theod. Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.

XIX. So. Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?

Theod. Wat zullen wij antwoorden, Theaetetus?

Theaet. Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.

Theaet. Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.

So. Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.

Theaet. In zooverre, ja.

Theaet. Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.

Theaet. Zeer gaarne.

XXI. Theod. Gij schertst, Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.

Theod. Wel zeker heb ik daarop gelet, Socrates!

So. Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?

Theod. Zeker.

Theod. Wat! Zou dan Theaetetus niet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?

Theod. Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.

XXII. So. Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of] Protagoras ons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?

Theod. Ja.

Theod. Gij zegt de waarheid.

Theod. Hoe?

So. Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder zoo toeschijnt, ook zoo is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt?

Theod. Ja, dat zegt hij.

Theod. Niets anders.

So. Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?

Theod. Ongetwijfeld.

So. Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling, Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens, Theodorus! of het iemand der aanhangers van Protagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.

Theod. Dat is ondenkbaar, Socrates!

Theod. Hoe dat?

So. Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?

So. Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?

Theod. Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.

So. En hoe is het nu met Protagoras zelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meer niet dan wel waar is?

Theod. Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.

So. Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.

Theod. Ongetwijfeld.

So. Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?

Theod. Noodzakelijk.

So. Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?

Theod. Wel neen!

So. Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.

Theod. Het schijnt zoo.

Theod. Ja.

So. Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid van Protagoras voor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.

Theod. Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.

Theod. Zoo komt het mij althans voor.

Theod. Zoo komt het mij althans voor.

Theod. Hoe meent gij dat dan?

Theod. Hoe zoo?

Theod. Hoe meent gij dat, Socrates?

So. Eveneens, Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavin Thales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar, Theodorus?

Theod. Ja zeker, en gij zegt de waarheid.

Theod. Gij zegt het juist zoo als het gebeurt, Socrates!

Theod. Socrates! wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.

Theod. Welke meent gij dan?

Theod. Ongetwijfeld, Socrates!

Theod. Socrates! ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.

Theod. Dat zou het.

So. Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.

Theod. Natuurlijk.

Theod. Wel neen.

So. En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?

Theod. Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.

Theod. Ongetwijfeld.

So. Komaan! laten wij dan Protagoras of eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen. Protagoras! de mensch is immers, volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?

Theod. Ja.

So. Maar, Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?

Theod. Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.

Theod. Natuurlijk.

So. En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.

Theod. Wel neen!

So. Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij, Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?

Theod. Wel zeker, Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.

Theod. Dat is zeer waar.

Theod. Ongetwijfeld.

So. Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.

Theod. Ik geloof, Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.

XXVII. Theod. Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken van Jonie zeer bloeit, want de navolgers van Heracliet staan dezelve krachtig voor.

So. Daarom, mijn waarde Theodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.

Theod. Socrates! wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken, wat beide partijen zeggen.

Theod. Dat doe ik.

So. Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd?

Theod. Ik geloof van ja.

Theod. Dat zegt gij goed.

So. Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?

Theod. Bij Zeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat zij zeggen zouden: op beide wijzen.

Theod. Gij zegt volkomen de waarheid.

Theod. Dat is noodig.

Theod. Ja.

So. Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben, [namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?

Theod. Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.

Theod. Alzoo.

So. Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats wisselt, maar verandert, zoodat ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?

Theod. Daar alles in beweging is, mag dat niet.

So. Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is, het woord zien niet meer bezigen dan het woord niet zien, en van niet ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.

Theod. Wel neen.

Theod. Ja.

So. Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven, dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.

Theod. Dat schijnt zoo.

Theod. Gij zegt goed.

Theod. Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.

So. Dus, Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet toestemmen, dat het gevoel kennis is. Of Theaetetus moest iets anders zeggen.

Theod. Theaetetus! leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet gebeuren], maar houd u gereed, om Socrates over de rest te woord te staan.

Theaet. Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever hooren.

So. [Dat is waar], Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek van Theaetetus gehoor te geven.

Theod. Waarom niet?

Theod. Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.

So. Theaetetus! onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?

Theaet. Ja.

So. Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij, geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.

Theaet. Ja.

Theaet. Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede wij alles waarnemen.

Theaet. Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.

Theaet. Tot niets anders.

So. Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?

Theaet. Waarom niet?

So. Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.

Theaet. Wel neen.

So. Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden, dat beiden zijn?

Theaet. Ja.

So. Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten opzigte van zich zelven hetzelfde is?

Theaet. Natuurlijk.

So. En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?

Theaet. Ook dat.

So. Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn?

Theaet. Misschien wel.

Theaet. Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.

So. Theaetetus! gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik vraag.

Theaet. Maar waarlijk, Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat, naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.

Theaet. Welnu, het komt mij zoo voor.

XXX. So. Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest algemeene.

Theaet. Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.

So. Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid?

Theaet. Ja.

So. En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?

Theaet. Ja.

So. Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen, door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.

Theaet. Zeer zeker.

So. Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven, sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en studie het deel worden van die [weinigen], wier deel zij worden?

Theaet. Zeer zeker.

So. Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid niet [bereiken kan]?

Theaet. Neen.

So. Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan?

Theaet. Hoe zou dat mogelijk zijn, Socrates?

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Dat zou onbillijk zijn.

So. Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm zijn?

Theaet. Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.

So. Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.

Theaet. Dat is noodzakelijk.

So. En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet bereiken kan?

Theaet. Neen.

So. Dus ook de kennis niet?

Theaet. Neen.

So. Dus, Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?

Theaet. Het schijnt van neen, Socrates! en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.

Theaet. Dit nu, Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.

XXXI. Theaet. Het is onmogelijk, Socrates! alle meening voor kennis te verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten iets anders te zeggen.

So. Het is beter, Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen, dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden, waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten, de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?

Theaet. Ja: want dit komt mij nu zoo voor.

Theaet. Hoe meent gij dat?

Theaet. Wat meent gij toch?

So. Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen.

Theaet. Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen], Socrates? Houdt gij het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken? Daareven toch hebt gij, Theodorus van den ledigen tijd sprekende, zoo goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.

Theaet. Ongetwijfeld.

Theaet. Ja, dat zeggen wij.

Theaet. Waarlijk, Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen.

So. Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert aangaande dingen, die hij kent of niet kent.

Theaet. Noodzakelijk.

So. Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te kennen, is onmogelijk.

Theaet. Hoe zou dat anders?

So. Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan, dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?

Theaet. Dat is onmogelijk, Socrates!

Theaet. Wel neen.

So. Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.

Theaet. Dat zou wel een wonder zijn.

So. Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche meening te koesteren.

Theaet. Dat is volkomen waar.

So. Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?

Theaet. Hoe zegt gij?

Theaet. Dat schijnt zoo, Socrates.

Theaet. Zóó.

So. Heeft dit nu ergens elders plaats?

Theaet. Wat?

Theaet. Hoe zou dat kunnen?

Theaet. Wel neen.

So. Die dus iets ziet, ziet iets dat is.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.

Theaet. Ja.

So. En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets dat is.

Theaet. Ook dit.

So. En die meent, meent immers het een of ander?

Theaet. Toegestemd.

Theaet. Ik geloof neen.

So. Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?

Theaet. Dat is duidelijk, zou men zeggen.

So. Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen van het niet zijnde.

Theaet. Het schijnt wat anders.

So. Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven beschouwden, valsche meening in ons aanwezig.

Theaet. Dat is zij niet.

Theaet. Hoe?

So. Ik merk, Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.

Theaet. Hoe dat?

Theaet. Ja.

Theaet. Dat is zoo.

So. Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet, is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?

Theaet. Wel zeker.

Theaet. Opperbest.

Theaet. Hoe vat gij het op?

Theaet. Even zóó.

So. Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.

Theaet. Ongetwijfeld.

Theaet. Gij zegt de waarheid.

Theaet. Wel neen ik.

Theaet. Dat zal ik dan maar niet meer doen, Socrates! want ik ben het met u eens.

So. Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar iemand, die alleen het ééne voor den geest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet. Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.

So. Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.

Theaet. Het schijnt van neen.

Theaet. Welke dan?

Theaet. Zeg maar op.

So. Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.

Theaet. Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel] Socrates kennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voor Socrates aanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.

Theaet. Juist.

Theaet. Wel zeker

So. Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?

Theaet. Waarom niet?

Theaet. Ik stel het.

So. Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is van Mnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.

Theaet. Het zij zoo.

Theaet. Op welke wijs?

So. Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.

Theaet. Maar hoe zegt gij dan nu?

Theaet. Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.

XXXIV. Theaet. Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.

So. Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ik Theodorus ken en mij herinner, hoe hij is, en Theaetetus even zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?

Theaet. Dat is waar.

So. Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.

Theaet. Dat is zoo.

So. En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.

Theaet. Ja.

So. Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt. Socrates kent Theodorus en Theaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, dat Theaetetus Theodorus is. Zeg ik iets of niets?

Theaet. Gij zegt de waarheid.

So. Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.

Theaet. Dat was het.

So. En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.

Theaet. Juist.

So. En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u en Theodorus valsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.

Theaet. Ik kan het volgen.

Theaet. Hetgeen met de meening gebeurt, Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.

So. En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.

Theaet. Ja, dat begreep ik niet.

So. Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?

Theaet. Ja.

Theaet. Het schijnt althans zoo.

Theaet. Zegt men dat dan niet met regt, Socrates?

So. Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?

Theaet. Natuurlijk.

Theaet. Wel zeker.

Theaet. Gij zegt opperbest, Socrates!

So. Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?

Theaet. Ongetwijfeld,

So. En ware toch ook?

Theaet. Ook ware.

So. Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?

Theaet. Met volkomen regt.

XXXV. So. Een praatziek mensch, Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.

Theaet. Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?

So. Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?

Theaet. Waarom zijt gij dan boos?

Theaet. Maar, Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.

So. Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?

Theaet. En te regt.

So. Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.

Theaet. Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden, maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.

Theaet. Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.

So. Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?

Theaet. Dat schijnt zoo.

Theaet. Dat is zeer waar.

Theaet. Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor, Socrates!

So. Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?

So. Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?

Theaet. En wat is daarin voor onbeschaamdheid?

So. Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.

Theaet. Ja, dat herinner ik mij wel.

Theaet. Maar hoe zult gij dan spreken, Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?

Theaet. Verstout er u dan maar toe, bij Zeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.

Theaet. Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.

Theaet. Dat is waar.

So. Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.

Theaet. Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?

So. Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.

Theaet. Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.

So. Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.

Theaet. En te regt.

Theaet. Ja.

So. In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.

Theaet. Dat is zoo.

Theaet. Zij is gemaakt. Maar wat nu?

So. Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.

Theaet. Het zij zoo.

Theaet. Ja.

So. Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.

Theaet. Ik beschouw haar aldus.

Theaet. Juist.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.

Theaet. Natuurlijk.

Theaet. Waarom niet?

So. En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.

Theaet. Zoo [zullen wij doen].

Theaet. Ja zeker.

Theaet. Dat is waar.

Theaet. Maar dat is toch wat gek, Socrates!

So. Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?

Theaet. Dat gaat evenmin.

Theaet. Dat gaat op.

So. En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?

Theaet. Aldus.

So. Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.

Theaet. Wat dan?

So. Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.

Theaet. Hoe zoo?

So. Het is moeijelijk, Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?

Theaet. Ja.

So. Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.

Theaet. Hoe zou hij daartoe komen?

So. Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.

Theaet. Natuurlijk.

So. Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.

Theaet. Dat spreekt.

So. Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen? Theaetetus! wat zullen wij daarop antwoorden?

Theaet. Waarlijk, Socrates! ik heb er niets op te zeggen.

Theaet. Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.

So. Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?

Theaet. Met de vroeger gegevene, Socrates! ik althans heb geene andere.

So. Welke?

Theaet. Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.

Theaet. Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.

So. Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.

Theaet. Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?

Theaet. Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.

So. Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?

Theaet. Natuurlijk.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.

Theaet. Volkomen zóó.

So. Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?

So. Wel, Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?

Theaet. Ik geloof althans, Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.

So. En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.

Theaet. Wat dan?

So. Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.

Theaet. Welke?

Theaet. Neen, maar daarop.

XL. So. Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit. De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord] Socrates vroeg, zeggende: Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?

Theaet. Ik zou zeggen s en o.

So. Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?

Theaet. Ja.

So. Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van de s.

So. Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?

Theaet. Het schijnt van ja.

So. Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allen lettergreep (verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?

Theaet. Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.

So. Zie het dan eens aan twee, de s en de o. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Dus kent hij de s en de o?

Theaet. Ja.

So. Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?

Theaet. Dat zou dwaas en ongerijmd zijn, Socrates!

So. Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.

Theaet. En dat zoo onverwacht!

So. Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.

Theaet. Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;] en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.

So. Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.

Theaet. Wel neen.

So. Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.

Theaet. Het zij zoo.

So. Maar moet die dan geen deelen hebben?

Theaet. Hoe zoo?

So. Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?

Theaet. Ja.

So. Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?

Theaet. Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.

So. Die vrijmoedigheid is goed, Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.

Theaet. Dat spreekt.

XLI. So. Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?

Theaet. Ja.

Theaet. Hetzelfde.

So. Is het wel iets anders dan zes?

Theaet. Neen.

So. Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al de zes uitgedrukt.

Theaet. Ja.

Theaet. Wel zeker.

So. Iets anders dan de zes?

Theaet. Neen.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Dit is dan ook de gewone wijs van spreken. Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?

Theaet. Ja.

So. En evenzoo [is het] met de mijl?

Theaet. Ja.

So. En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.

Theaet. Ja.

So. En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?

Theaet. Wel neen.

So. Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Juist.

So. Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?

Theaet. Immers van het al.

So. Gij houdt u goed, Theaetetus! Maar is dan het al niet juist dàn het al, wanneer er niets aan ontbreekt?

Theaet. Noodzakelijk.

So. En is nu het geheel niet juist datzelfde, waaraan volstrekt niets ontbreekt? en waar iets aan ontbreekt, dat is immers noch het geheel noch het al, zoodat die twee uit hetzelfde ontstaande, hetzelfde zijn?

Theaet. Ja zeker.

So. Zeg mij dan nu nog eens, of het niet, gelijk ik daar zoo reeds begon te zeggen, noodig is, dat zoo de lettergreep niet de letters is, zij die letters niet als hare deelen heeft, of dat zij, hetzelfde als die deelen zijnde, evenzeer als dezelve kenbaar is?

Theaet. Juist.

So. Hebben wij niet, om dit te vermijden, haar als iets anders beschouwd?

Theaet. Ja.

So. Maar wat dan? zoo de letters niet de deelen der lettergreep zijn, kunt gij dan eenige andere dingen noemen, die wel de deelen zijn der lettergreep, maar toch niet hare letters?

Theaet. Wel neen! want, Socrates! zoo ik toestemde, dat zij deelen heeft, dan zou het zot zijn de letters te laten loopen en andere te zoeken.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Ja, dit herinner ik mij.

So. Maar is er [van die onbepaalbaarheid en onkenbaarheid] nu wel eene andere oorzaak, dan deze: dat zij enkelvoudig en ondeelbaar zijn? ik althans zie geene andere.

Theaet. Er schijnt dan ook geene andere te wezen.

Theaet. Zeer zeker.

Theaet. Ongetwijfeld.

So. Maar zoo zij één en ondeelbaar is, dan is de verbinding even zoo zeer als het grondbestanddeel onbepaalbaar en onkenbaar; want dezelfde oorzaak zal wel dezelfde gevolgen te weeg brengen.

Theaet. Het is niet anders.

So. Laten wij het dus niet aannemen, wanneer iemand de verbinding voor kenbaar en bepaalbaar, en het grondbestanddeel voor het tegendeel verklaart.

Theaet. Zeker niet, zoo wij althans aan de redekaveling gehoor geven.

So. Maar wat dan? zoudt gij niet veeleer, wegens hetgeen gij weet [dat] u bij het leeren lezen [gebeurd is], het tegengestelde aannemen?

Theaet. Wat meent gij?

Theaet. Gij zegt volkomen de waarheid.

So. En was op school bij den muzijkmeester het volmaakt kennen [van uwe les] wel iets anders dan bij iederen toon te kunnen aangeven, van welke snaar zij was? en ieder zal toch toestemmen, dat dit de grondbestanddeelen der muzijk genoemd worden.

Theaet. Niets anders.

Theaet. Zeer zeker.

Theaet. Wij moeten dat dan beschouwen.

Theaet. Van welke?

So. Vooreerst zou het wezen: zijne gedachte door de stem met behulp van woorden en namen te openbaren, en zoo zijne meening, als het ware in eenen spiegel of in het water, te weêrkaatsen in de stem. Of houdt gij de bepaling niet voor zoo iets?

Theaet. Dat is waar.

So. Laat ons echter hem, die de kennis op de ons bezighoudende wijze bepaald heeft, niet ligtvaardig vonnissen. Misschien toch meende hij er niet dit mede, maar dat men, op de vraag, wat ieder ding is, door het opgeven der grondbestanddeelen kan antwoorden.

Theaet. Hoe meent gij dat, Socrates?

So. Zoo als bij voorbeeld Hesiodus van een’ wagen zegt: „de bestanddeelen van eenen wagen zijn honderd.” Die zou ik wel niet kunnen opgeven, en gij, denk ik, evenmin; maar wij zouden op de vraag, wat een wagen is, heel tevreden zijn met het antwoord: wielen, eene as, een bovenstuk, zijstukken, een juk.

Theaet. Wel zeker.

So. Maar hij zou misschien oordeelen, dat wij even bespottelijk waren, als zoo wij, naar uwen naam gewaagd zijnde, deszelfs lettergrepen opnoemden, en nu meenden, dat wij een taalkundig antwoord gaven en den naam Theaetetus bepaalden; want dat men van geen ding met kennis spreekt, zoo men het niet uit grondbestanddeelen met ware meening zamenstelt, zoo als ook daareven reeds gezegd is.

Theaet. Ja.

So. En dat wij aldus ook over eenen wagen wel ware meening hebben, maar dat hij, die zijne wezenheid naar zijne honderd stukken beschrijven kan, daardoor bepaling bij de ware meening verkregen heeft, en van ware meening tot kennis en begrip van de wezenheid eens wagens is opgeklommen, door het geheel uit de deelen zamen te stellen.

Theaet. Maar vindt gij dat oordeel niet juist, Socrates?

So. Zeg eens, mijn beste! of gij het zoo vindt, en toestemt, dat de bepaling eener zaak bestaat in het volledig opgeven harer grondbestanddeelen, terwijl het opgeven van derzelver [eerste] verbindingen of van nog grooter stukken nog geene bepaling is?

Theaet. Wel zeker stem ik dat toe.

So. Maar houdt gij dan iemand voor een’ kenner van iets, wanneer hetzelfde hem dan eens tot dit, en dan weer tot dat schijnt te behooren, of wanneer hij dan eens dit, en dan eens dat aan hetzelfde toeschrijft?

Theaet. Wel neen ik.

So. En is het u dan ontschoten, hoe gij en uwe makkers bij het leeren lezen in den beginne juist zoo gedaan hebt?

Theaet. Meent gij, dat wij in dezelfde lettergreep dan deze en dan die letter meenden te zien, en dezelfde letter dan eens in de goede, dan eens in eene verkeerde lettergreep plaatsten.

So. Dat meen ik.

Theaet. Neen waarlijk, dat is mij niet ontschoten, en ik geloof ook niet, dat zij, die zoo gesteld zijn, kennis bezitten.

So. Wat dan? wanneer iemand, in dien tijd Theaetetus schrijvende, t, h en e meent te moeten schrijven en schrijft; maar Theodorus willende schrijven, t en e meent te moeten schrijven en schrijft; zullen wij dan zeggen, dat hij de eerste lettergreep van uw beider namen kent?

Theaet. Maar wij hebben daareven beredeneerd, dat die zoo gesteld is, nog geene kennis bezit.

So. Verhindert hem dan wel iets, om even zoo omtrent de tweede, derde en vierde lettergreep gesteld te zijn?

Theaet. Wel neen.

So. Maar zal hij niet, in het eerste geval de letters allen bijeenhebbende, met ware meening Theaetetus schrijven, wanneer hij ze naar volgorde schrijft?

Theaet. Natuurlijk.

So. Dus zonder nog te kennen, maar, zooals wij zeiden, met ware meening?

Theaet. Ja.

So. Edoch bepaling en ware meening hebbende. Want schrijvende, stelde hij het woord uit de grondbestanddeelen zamen, en dat noemden wij bepaling.

Theaet. Dat is waar.

So. Dus, mijn beste! is er eene ware meening met bepaling, die wij nog geen kennis kunnen noemen.

Theaet. Dat schijnt zoo.

XLIII. So. Dus hebben, wij ons, naar het schijnt, met een schaduwbeeld gevleid, toen, wij meenden de juiste bepaling der kennis te bezitten. Maar wacht! wij kunnen nog geen vonnis vellen. Want misschien zal iemand het niet zóó bepalen, maar de laatste kiezen der drie verklaringen, waarvoor wij zeiden, dat de bepaling der kennis als ware meening met bepaling vatbaar is.

Theaet. Gij doet wel, mij daaraan te herinneren, want er is nog ééne over. De eerste toch was het als het ware afbeelden der gedachte in de spraak, de tweede de daareven besprokene samenstelling des geheels uit de grondbestanddeelen, en de derde?

So. Wat de meesten zouden zeggen, [namelijk:] in staat te zijn eenig teeken te zeggen, waardoor het gevraagde van alle andere dingen onderscheiden wordt.

Theaet. Wel zeker.

So. Hoor dan nu eens, waarom dit gezegd is. Het is, wat wij daareven zeiden, dat, zoo gij van eenig ding het verschil, waardoor het van de anderen onderscheiden is, vatten kunt, gij volgens sommigen eene bepaling hebt; maar dat, zoo lang gij iets vat, dat aan velen gemeen is, gij slechts in het algemeen spreken kunt over de dingen, die door dat algemeene omvat worden.

Theaet. Nu begrijp ik het, en ik geloof, dat het goed is, zoo iets bepaling te noemen.

So. En hij nu, die bij de ware meening over eenig ding het verschil van de andere bekomt, zal dan datgene kennen, waaromtrent hij te voren slechts meening koesterde.

Theaet. Zoo zeggen wij dat het is.

Theaet. Hoe dat?

So. Ik zal het zeggen, zoo ik er toe in staat ben. Wanneer ik ware meening over u koester en uwe bepaling er bij bekom, dan ken ik u; maar zoo niet, dan breng ik het niet verder dan meening.

Theaet. Ja.

So. En de bepaling was het aanduiden van hetgeen, waardoor gij onderscheiden zijt?

Theaet. Juist.

So. Maar toen ik slechts meening koesterde, vatte ik dan toen met mijn verstand niets van hetgeen waardoor gij van anderen onderscheiden zijt?

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Dus vatte ik slechts het gemeenschappelijke, dat gij volstrekt niet méér hebt dan een ander.

Theaet. Natuurlijk.

So. Komaan dan, bij Zeus! hoe meende ik dan in dat geval u meer dan iemand anders? Want stel eens, dat ik dacht, dat Theaetetus een mensch is, en een neus, oogen, een mond, enz. heeft. Zal zulk eene gedachte mij meer Theaetetus, dan Theodorus, of, zooals men zegt, den geringsten Mysiër doen denken?

Theaet. Wel neen.

So. Maar zoo ik nu niet alleen iemand denk, die een neus en oogen heeft, maar ook iemand met een platten neus en uitpuilende oogen, zal ik dan meer u meenen, dan mij zelven of anderen van dat uiterlijk?

Theaet. Volstrekt niet.

So. Maar Theaetetus zal, denk ik, niet voor mijnen geest staan, voordat die platneuzigheid een van de anderen, die ik gezien heb, verschillend kenmerk in mijn geest heeft geprent, en uwe andere ligchaamsdeelen evenzoo, waardoor zij mij, ook zoo ik u morgen tegenkom, aan u herinneren en ware meening over u doen koesteren.

Theaet. Dat is volkomen waar.

So. Dus zou dan ook de ware meening over eenig ding het onderscheid tot voorwerp hebben.

Theaet. Het schijnt zoo.

So. Maar wat zou dan het bekomen van bepaling bij de ware meening beduiden? want zoo het beteekent er datgene bij te meenen, waardoor iets van het overige verschilt, dan is dat een allergekst voorschrift.

Theaet. Hoe zoo?

Theaet. Maar zeg dan nu eens, wat gij daareven woudt vragen.

So. Jongelief! zoo het bekomen van eene bepaling ons voorschrijft, het onderscheid te kennen en niet te meenen, dan zou het er gek uitzien met die fraaije redenering over de kennis; want het kennen is toch het bezitten van kennis, niet waar?

Theaet. Ja.

So. Zij zal dus op de vraag, wat kennis is, ten antwoord geven, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid. Want volgens haar zou dit de beteekenis van het bekomen van kennis zijn.

Theaet. Het schijnt zoo.

Theaet. Het schijnt van neen.

So. Zijn wij nu nog zwanger, mijn waarde! en in barensnood over de kennis, of hebben wij alles ten einde toe gebaard?

Theaet. Waarlijk, bij Zeus! door uwe hulp heb ik meer gezegd dan in mij was.

So. En zegt nu de vroedkunst ons niet, dat dit alles winderig en de opvoeding niet waardig is?

Theaet. Ongetwijfeld.

Notes in this chapter

Note 1 · κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandeldeNote 2 · Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag van Corinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, CoriNote 3 · Theaetetus was, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genotNote 4 · δῆτα behoort bij ἀνεμνήσθην en ἐθαύμασα. ↑Note 5 · φύσις beteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder. ↑Note 6 · διελέχθη. Het werkwoord διαλέγομαι behoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. OveNote 7 · ἐλλόγιμος is hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt. ↑Note 8 · De leerlingen van Socrates namen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edNote 9 · διηγήσασθαι beteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden. ↑Note 10 · γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handelinNote 11 · Eene plaats aldus genoemd, digt bij Eleusis. ↑Note 12 · ἅμα duidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan. ↑Note 13 · ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achter τὸν λόγον een colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het door οὑτωNote 14 · περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενος is de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bijNote 15 · φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemt Strabo de aardrijkskunde philosophie, en Hippocrates de medicijnen. ↑Note 16 · ἐκείνους ἢ τούσδε. ὅδε wordt hier in denzelfden zin als οὗτος gebezigd, zoodat het, tegenover ἔκεινος geplaatst, de naastbijzijnde, ἔκεινος Note 17 · μειράκιον. Te Athene werd een jongen tot op zijn 14e jaar μειράκιον geheeten. ↑Note 18 · Het is bekend, dat in Griekenland, vooral te Athene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in stNote 19 · πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woord φύσις, natuur, dat van dit werkwoord iNote 20 · Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamhedeNote 21 · ὀξύῤῥοπος wordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt. ↑Note 22 · ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten. ↑Note 23 · van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteNote 24 · De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken. ↑Note 25 · ἠλείφοντο en ἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die Note 26 · Sunium was de naam van een voorgebergte in het zuiden van Attica, tegenwoordig Kaap Colonna, waarop een gehucht en een tempel van Athene wasNote 27 · Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Note 28 · Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸν is de tweede accusativus achter λέγεις. ↑Note 29 · Eigenlijk: zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij. ↑Note 30 · εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5. ↑Note 31 · ἄξιον. Hoewel ἄξιος eigenlijk waardig beteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan: betamelijk, goed, behoorlijk. ↑Note 32 · De hier voorkomende constructie is hetgeen De Sacy zou noemen: eene proposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werNote 33 · Plato schijnt hier op zijne eigene reis naar Cyrene te doelen. ↑Note 34 · μετρίως heeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort. ↑Note 35 · Men denke bij σόφος aan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid. ↑Note 36 · ἀπορέω is eigenlijk geen doorgang zien en is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus gNote 37 · Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren tNote 38 · Socrates roept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich. ↑Note 39 · ἀεὶ, telkens. Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23. οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας. Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470. ↑Note 40 · ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, daNote 41 · διάλεκτος beteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide. ↑Note 42 · Theaetetus begaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen van Plato begaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te beNote 43 · Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden: οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ. ↑Note 44 · γνῶναι hangt af van βουλόμενοι. ↑Note 45 · ἐπιστήμην is de accusativus van γνῶναι. αὐτὸ is neutrum per attractionem; de constructie is dus: βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸNote 46 · ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost. ↑Note 47 · ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt: wat deze woorden beteekenen. ↑Note 48 · Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechNote 49 · ἐξόν, accusativus absolutus. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7. ↑Note 50 · τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bij Aristoteles dikwijls: τὸ πῶς, τὸ τNote 51 · Wat doet hier: maar? Theaetetus had in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scNote 52 · Wij moeten dit aldus opvatten: De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een anderNote 53 · τοῦ voor τινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat in ἡττᾶσθαι besloten ligt. ↑Note 54 · De constructie is: Ἀλλὰ οἴει εἶναι σμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην, ὥσπερ νῦν δὴ ἐγὼ ἔλεγον. τῶν πάντῃ ἄκρων is de Note 55 · Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stond Theudas op, λέγων εἶναι τινα ἑαυτόν,” hetgeen door Van der Palm vertaald is: zeggende vanNote 56 · ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk: los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens iNote 57 · Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo is οἶδα eigenlijk het perfectum van εἴδω en Note 58 · καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene redeNote 59 · Achter ὅτι moet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld: τὴν αὐτὴν τέχνην ἐπιτηδεύω. ↑Note 60 · ἅτε is de accusativus, die gewoonlijk door κατά verklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialNote 61 · Die anderen. ↑Note 62 · Hierbij kan men naslaan: Meno. pag. 80. A, B, waar Socrates bij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het Note 63 · εἴληχε wordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden in Athene de ambten door het lot Note 64 · De beteekenis van plegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beNote 65 · εἰκὸς voor ἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.) ↑Note 66 · Hoewel γινώσκειν eigenlijk niets dan kennen beteekent, kan het hier door onderscheiden vertaald worden, daar hij, die de twee leden eener teNote 67 · In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons van Autolicus, dat zij, toen Note 68 · Hier is οἶδα te regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten. Οἶδα beteekent eigenlijk: ik heb gezNote 69 · τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bij εἶναι, die gebezigd wordt om eigendom, eigenschap, gewoonheid of mogelijkheid uiNote 70 · Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgersNote 71 · ἔστι δ’ ὅτε is in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft als ἐνίοτε, waar het hier tegenover sNote 72 · In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daar τῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃ tegenover ἐκείναις gesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in Note 73 · Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij iedeNote 74 · Dit moet opgehelderd worden uit de Apologie, waar Socrates verhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel te Delphi, dat hem den wijstenNote 75 · τοιοῦτον ziet op σοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen: εὕρημα σοφόν. ↑Note 76 · Eindelijk. Woordelijk eindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook iNote 77 · Namelijk om mij weer goed te maken. ↑Note 78 · τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, dat Socrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, datNote 79 · καὶ οὗτοι μὲν δὴ οὔτως, scil. ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bij Herodotus menigvuldiNote 80 · Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blNote 81 · ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip van reden geven, dat door ἕνεκα τοῦδε wordt uitgedrukt, ook inNote 82 · De constructie is: προθυμοῦ οὕτως ἀποκρίνασθαι ἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷός τ’ εἶ. ↑Note 83 · Socrates hield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene Note 84 · Ἀλλὰ moet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkeNote 85 · Gevoel wordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstiNote 86 · Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is. ↑Note 87 · ἐπιστήμη is het subject, αἴσθησις het praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale. ↑Note 88 · τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die in τὰ αὐτὰ ligt, wordt door de aanwijzing in ταῦτα versterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtreNote 89 · που is een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte der Atheners om zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vNote 90 · Dit ἔοικεν ziet natuurlijk op de laatste door Socrates gedane vraag. ↑Note 91 · Deze zin is voluit: Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ. τ. λ. ↑Note 92 · Socrates bedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zNote 93 · Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden. ↑Note 94 · Zie blz. 44. ↑Note 95 · Parmenides, die door Plato zeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eNote 96 · De constructie is: ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦν εἶναι καὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι. ↑Note 97 · φορᾶς—κινήσει. κίνησις is eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigNote 98 · τί δέ wordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd. ↑Note 99 · ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις is hier eigenlijk hetzelfde als ψυχὴ, doch Plato schijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel inNote 100 · ἐπιλανθάνεται. In ἐπι ligt het denkbeeld van daarenboven. ↑Note 101 · Deze zin is voluit: Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶ κατὰ σῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ [κακὸν ἐστι] τοὐναντίον [κινήσεως]. ↑Note 102 · voor ἀναγκάζω moet gelezen worden ἀνάγω in den conjunctivus. ἀναγκάζω kan hier niet in de beteekenis van door klem van redenen betoogen genoNote 103 · Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid in Homerus meenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzeNote 104 · προσήκειν beteekent eigenlijk: aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt. ↑Note 105 · Namelijk groot, of wit, of warm, enz. ↑Note 106 · De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt,Note 107 · Wij zeggen niet: neem een voorbeeld, maar: ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaNote 108 · In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegripNote 109 · Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkanderNote 110 · Euripides werd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijNote 111 · Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene gNote 112 · δεινὸς wordt door Plato vooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten. ↑Note 113 · Deze periode verklaar ik aldus: Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότες ziet op het vorige: ἡ δὲ φρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectum ἐξητακότες beteekNote 114 · Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn. ↑Note 115 · Het komt mij voor, dat alleen γενέσθαι of γίγνεσθαι is goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijk γενέσθαι) in sommige handschriften iNote 116 · Eigentlijk moest Socrates gezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingenNote 117 · μάλα moet bij het uitgelatene werkwoord ἐστι gevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgNote 118 · Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eeNote 119 · Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter door Plato slechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Note 120 · Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartijNote 121 · αὐτῶν staat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. Zie Matthiae, Ausf. GrNote 122 · Hier wordt waarschijnlijk de school van Leucippus en Democritus bedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen enNote 123 · Hoofdst. VIII–X. ↑Note 124 · ἦν schijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaande ἐλέγομεν gezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook biNote 125 · Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigNote 126 · κεκλημέναι staat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt door Plato gebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus Note 127 · ὁμόγονον scil. ἐστι. ↑Note 128 · In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achter πως, ἐπειδὰν moet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behoNote 129 · Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft. ↑Note 130 · ἐν τῷ αὐτῷ scil. τόπῳ. ↑Note 131 · Zie blz. 42, (1) ↑Note 132 · Iets zigtbaars. ↑Note 133 · Van het oog is ἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak περιεπλήσθη gezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haar van buitenNote 134 · εἶναι staat voor ἐξεῖναι, welke infinitivus van ὑποληπτέον afhangt. Verder moet het adverbium παγίως met νοῆσαι verbonden worden. ↑Note 135 · ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι. Stallbaum merkt te regt aan, dat achter ἀλλὰ uit het voorgaande οὐδὲν, πάντα of ἑκάστου in de gedachte moet ingevoNote 136 · Van οὐχ ὅτι zegt Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 624. 4: „Ook staat οὐχ ὅτι bij Plato vaak, om aan te toonen, dat men wel iets vermeldt, maar tochNote 137 · Hier moet uit het vorige οὐ δεῖ alleen δεῖ worden bijgedacht. ↑Note 138 · κατὰ μέρος beteekent hier niet gedeeltelijk, maar: naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegen πολλῶν ἀNote 139 · Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van de objectiviteit van Socrates, die de gaaf had, de zaak zich zelNote 140 · Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, door Plato als boven de verandNote 141 · τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andNote 142 · παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik van παρὰ is, meen ik, ontleend van boogschutters, die niet in, maar naast het doel raken. OveNote 143 · λόγος is een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekNote 144 · ὄναρ en ὕπαρ staan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken:Note 145 · ὅ hangt van ἐρωτώντων, dit laatste van ἀκηκοέναι af. ↑Note 146 · ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing: ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdat slaap eenen algemeenen toestand uitNote 147 · τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, dat τούτων op ὄναρ, ἐκείνοις op ὕπαρ ziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaande ὀνείρατα in Note 148 · Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonNote 149 · Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen? ↑Note 150 · τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordt δοκέω te gelijk in de beteekenis van schijnen en van meenen genomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, dNote 151 · Zie hoofdst. XII. ↑Note 152 · καὶ wordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. Zie Matth., Note 153 · Ἀνάγκη staat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voor ἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι. ↑Note 154 · Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand. ↑Note 155 · ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling. ↑Note 156 · ἄλλο τι staat per ellipsin voor ἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit: Is het Note 157 · γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένην is zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der Note 158 · Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. MenNote 159 · Stallbaum zegt naar waarheid, dat τὸ ἐμὲ ποιοῦν beteekent: hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoNote 160 · Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn. ↑Note 161 · Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde. ↑Note 162 · Voelend is iemand door iets te voelen; gevoeld is iets door iemand gevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig,Note 163 · πρός τι. Het verband vordert hier: πρός τινα, tenzij men aanneme, dat Plato hier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en wNote 164 · D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kenNote 165 · D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, danNote 166 · In Athene werd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen. ↑Note 167 · De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakNote 168 · ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voor εἶναι ἔχειν gelezen. De gissing van Stallbaum, die voor μNote 169 · λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daar λόγος ook rekenschap beteekent, en zij, die met Socrates redNote 170 · Een zeer beroemd geschrift van Protagoras, doch hetgeen hem en zijne leer te Athene deed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarinNote 171 · ἐθαυμάζομεν is zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer. ↑Note 172 · ἄλλου του beteekent natuurlijk een ander dan Protagoras zelf. ↑Note 173 · ἔσται—διακρινεῖ enz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomNote 174 · ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in Note 175 · φοιτητέον, φοιτᾶν en φοιτήτης wordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnsche audire en auditor. Zie Plato, Rep. VIII. p. Note 176 · φαντασία beteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene oNote 177 · Eigenlijk: eene lange en breede ijdelheid. ↑Note 178 · ἀντιτείνειν hangt af van δεξαίμην, dat bij οὐδ’ αὖ uit het vorige moet bijgedacht worden. ↑Note 179 · De zin is deze: te Lacedaemon moest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan Note 180 · διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμι worden bij Plato gebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende pNote 181 · τοὐναντίον. Ik geloof, dat hier εἰς τοὐναντίον moet gelezen worden. ↑Note 182 · Ik vind hier geene bijzondere kracht in δημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen,Note 183 · Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene maNote 184 · πιθανολογία kan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen van argumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracNote 185 · τῇδε: aldus als nu volgt. Wanneer Plato τῇδε bezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling. ↑Note 186 · Namelijk op de betrekking tusschen kennis en gevoel. ↑Note 187 · ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorige οὐ φήσομεν eenvoudig φήσομεν worden aangevuld, waaruit blijkt, dat οὐ φημὶ geenszins oNote 188 · Namelijk: ἃ οἱ βάρβαροι λέγουσι. ↑Note 189 · σωζόμενον is hier medium, even als hoofdst. IX. p. 153 B. ↑Note 190 · αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woNote 191 · Wanneer Plato zelf het vorige te omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het ooNote 192 · δεινὸς schijnt oorspronkelijk zeer groot te beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen teNote 193 · δεῖ heeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringenNote 194 · ὑποπτεύω komt van ὑπόπτης, eigenlijk onderkijkend, dat is: die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar; ergNote 195 · οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard worden, tenzij men de lezing ὁρῶν verkieze, die in sommige handschriften gevonden Note 196 · ἑκάτερον ziet op τὸ ὁρᾷν en τὸ ἐπίστασθαι. ἄλλο beteekent hier wat anders, namelijk, dat τὸ ὁρᾷν wat anders is dan τὸ ἐπίστασθαι en omgekeerNote 197 · De constructie is: Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γε δὴ περὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor. δηλῶσαι duidelijk zonder eenig denkbeeldNote 198 · τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτο schijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo met εἶναι te zijn, als wel het object van ἀπεδείξαμεNote 199 · Dit was altijd een waagstuk, daar Socrates, dat is Plato, door alles wat voor de leer van Protagoras kon gezegd worden, op te zoeken, eigenlNote 200 · Callias was een groot voorstander van Protagoras, zooals uit de zamenspraak van Plato, die den naam van Protagoras draagt, blijken kan. ↑Note 201 · θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting Note 202 · τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordt ᾗ als bijwoord gebruikt, en ziet tevens op ῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met hetNote 203 · Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, dat Socrates het weêrleggen van Protagoras standpunt afkeurt, omdat de feiten, die teNote 204 · ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdhNote 205 · φαίνει is hier Attisch voor φαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermNote 206 · πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en,Note 207 · ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt van ἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden van Socrates hier moet bijgedNote 208 · αὐτῷ is een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kind Socrates uitstekend te stade kwam. ↑Note 209 · De constructie is: ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ. ↑Note 210 · Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen. προορᾶν beteekent eigenlijk vooruitzien. Wat moest nu Theaetetus vooruitgezNote 211 · γέλωτα τὸν ἐμὲ. Dat γέλωτα voor γέλοιον staat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottNote 212 · De constructie is: δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε, παρεῖναι τῷ μηκέτι πάσNote 213 · γιγνομένους. Zeer juist heeft Plato hier γιγνομένους, niet ὄντας gebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid Note 214 · ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uit ἐξέλεγξον hetzij ἀποδεικνύων of een ander woord van dezelfde beteekenis moetNote 215 · καὶ λέγω σοφόν. Dit καὶ is moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v. ὀνομάζω of iets dergelijks. Misschien echter is naNote 216 · κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, want κατηγορέω beteekent eigenlijk beschuldigen, maar is later gebezigd van het toekeNote 217 · ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk óf ἑτέρας kan vertalen: de andere dan Note 218 · Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nuNote 219 · τοιαῦτα staat hier voor συγγενῆ αὐτῆς en ziet op χρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als Note 220 · φαντάσματα hoort eigenlijk in den vorigen zin. Zie Buttm., Gr. Gr. § 143. 4. ↑Note 221 · Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzinNote 222 · Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, alsNote 223 · Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragenNote 224 · ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordert ὡς óf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven.Note 225 · καὶ. Ik heb καὶ door daar vertaald, dewijl wij, omdat de periode na καὶ slechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier hetNote 226 · παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hier περιεκέκρουστο te moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroegerNote 227 · ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gNote 228 · Dit laatste is duidelijk een paskwil op Protagoras zelven, wiens tegenwoordige leerling Theodorus de wijsbegeerte voor de meetkunst had lateNote 229 · Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waNote 230 · De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks Note 231 · λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wiNote 232 · Merkwaardig is de aardige wijs, waarop Socrates Theodorus in het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wil Plato waarschijnlijk te kennen geNote 233 · μέχρι τούτου αὐτοῦ. Dit αὐτοῦ kan het best verklaard worden, door achter ὀλίγον ἐπίσπου de woorden τῷ λόγῳ in de gedachte in te voegen. ↑Note 234 · Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hier Ἀνταῖον te moeten lezen, daar Sciron in dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, en Plato in het volgende,Note 235 · ἐκείνων. Dit ἐκείνων zou doen vermoeden, dat Sciron in het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding van Theseus, die met ScirNote 236 · Die mannen zijn de sophisten, die, gelijk bekend is, aanhoudend met Socrates in twist waren, daar Socrates zich juist ten doel had gesteld, Note 237 · Theodorus zou Socrates van dienst zijn, doordien hij hem genoegen zou geven; en zich zelven, doordien hij zijnen vriend zou verdedigen. ↑Note 238 · Namelijk: tot aan het eindoordeel over de leer van Protagoras. ↑Note 239 · Woordelijk: eene spelende soort van redekaveling maken. ↑Note 240 · De zin is woordelijk: nu zou iemand ons ligt zonder magt over de toestemming in zijnen naam stellen. ↑Note 241 · δι’ ἄλλων. Hier zal wel λόγων onder verstaan worden. De zin is dan deze: niet door algemeene redeneringen, buiten het stelsel van ProtagorasNote 242 · χειμάζωνται ziet alleen op θαλάττῃ, maar uit dat verbum moeten de met στρατείαις en νόσοις overeenkomende werkwoorden bij die woorden wordenNote 243 · αὐτοὺς beteekent in dezen zin: niet het oordeel van anderen, maar van de menschen over zich zelve. ↑Note 244 · Woordelijk: edoch het gezegde, dat den mensch de maat van alle dingen noemt, is tot dat der noodzakelijkheid gekomen. τοῦτο ἀνάγκης is genitNote 245 · οἵ γέ μοι τὰ ἐξ ἀνθρώπων πράγματα παρέχουσιν. Woordelijk: die mij de moeite berokkenen, welke uit menschen ontstaat; hetgeen in dezen zin moNote 246 · ἀμφισβητέω is hier twijfelen en wordt door eene sterkere ontkenning verbeterd, welke uitgedrukt wordt door ὁμολογήσεται met een negatief praNote 247 · τότε καὶ ὁ Πρωταγόρας αὐτὸς ξυγχωρήσεται. Ik heb deze woorden in de vertaling weggelaten, omdat zij geheel overtollig zijn. Zij behooren totNote 248 · Woordelijk: ons zelven gebruiken, hoedanig wij ook zijn. ↑Note 249 · πάντα ὅσα τοῦ τύπου τούτου. Deze woorden komen hier volmaakt overeen met κ. τ. λ.; men zou ze kunnen vertalen: al wat tot deze soort (tot diNote 250 · ἑκάστῃ ziet natuurlijk op ἑκάστη vóór πόλις, zoodat hier wordt gezegd, dat voor iederen staat, datgene regtvaardig, enz., is, wat die staat Note 251 · Deze leer toch is, zoo als ieder ligtelijk inziet, een gewijzigd Protagorismus, als het ware de uitlegging zijner leer door de ProtagoristenNote 252 · Het is opmerkelijk de verandering van beteekenis na te gaan, die met dit woord heeft plaats gehad. σχολὴ beteekent oorspronkelijk ledigen tiNote 253 · καὶ wordt hier door vooral vertaald, hoezeer het eenvoudig en beteekent. De oorzaak is, dat door eene constructie als de hier plaats hebbendNote 254 · φιλοσοφίαι beteekent wijsgeerige studiën, verschillende vakken van wijsbegeerte, gelijk virtutes in het Latijn van goede hoedanigheden, van Note 255 · κυλινδούμενοι. In dit woord ligt eene beteekenis van verachtelijkheid, die hier in Socrates mond zeer goed geplaatst is. Het komt omtrent opNote 256 · τοῦ προκειμένου. Eigenlijk de vóór hem liggende, vandaar die, welke hem tegenwoordig bezig houdt. Zoo beteekent het dan juist het tegenovergNote 257 · ὕδωρ ῥέον. Hiermede wordt de κλεψύδρα bedoeld, namelijk een wateruurwerk, waardoor de tijd naauwkeurig bepaald werd, die men voor eene geregNote 258 · ὑπογραφὴ παραγιγνωσκομένη. Stallbaum merkt zeer juist aan, dat hiermede waarschijnlijk eene korte opgaaf van de punten der beschuldiging, diNote 259 · De woorden ἣν ἀντωμοσίαν καλοῦσιν worden teregt door Stallbaum, op het voetspoor van Abresch, uitgeworpen, daar zij geheel den vorm van eeneNote 260 · δρόμος wordt eigenlijk van den wedstrijd in het loopen gezegd, maar hier komt het voor in de algemeene beteekenis van strijd. ↑Note 261 · Het is bekend, dat in Athene de gedaagden allerlei kunsten aanwendden, om de regters in hun voordeel te stemmen, en dat het verwaarloozen diNote 262 · τὸ ἐλεύθερον, woordelijk: het vrije, dat is, die gezindheid, die vrije menschen past. Men ziet hier den invloed van de inrigting der maatschNote 263 · ἀληθοῦς is hier subjectief genomen, dat is, het beteekent niet zoo zeer de waarheid op zich zelve, als wel die gezindheid, die het ware doetNote 264 · Woordelijk: dat wij de mannen van onze rij doorgegaan of voorbijgegaan zijnde, ons weder tot de redekaveling wenden. Dus stond het terugkeerNote 265 · οἱ ἐν τῷ τοιῷδε χορεύοντες. χορός is eigenlijk een rei zangers op het tooneel, doch het is bekend, dat in het Attische treurspel zulke reienNote 266 · ὥσπερ ποιηταῖς. Hoewel ook de waarde der tooneelstukken door regters beoordeeld werd, ziet dit echter vooral op θεατής, daar δικαστὴς meer tNote 267 · λεγόμενα—ἀκούουσι. λεγόμενα wordt, geloof ik, gezegd van de wetten en besluiten, die op het oogenblik behandeld worden, γεγραμμένα van zoodaNote 268 · πράττειν kan verklaard worden, gelijk onze Hollandsche uitdrukking: om te doen, terwijl dan σπουδαὶ enz. subjecten zijn van προσίσταται, datNote 269 · Dat is: hij wendt geene verachting der wereldsche dingen voor, om daardoor den schijn aan te nemen, als ware hij boven het gewone peil der mNote 270 · οὐρανοῦ τε ὕπερ. Woordelijk: wat boven den hemel is, namelijk de spheer der vaste sterren. Men kan echter welligt οὐρανοῦ ook van het uitgelNote 271 · καὶ πᾶσαν—ὅλου. Woordelijk: en overal elke natuur onderzoekend van ieder geheel der bestaande dingen. ὅλου zal hier wel het genus beteekenenNote 272 · ὅπερ ἀρχόμευος ἔλεγον. Men merke het gebruik der deelwoorden en bijvoegelijke naamwoorden in het Grieksch op, daar in die taal deze woorden Note 273 · ἀπειρία beteekent bepaaldelijk: gebrek aan oefening. Zoo zegt Aristoteles: „De ἐμπειρία ontstaat bij de menschen uit de herinnering. Want veNote 274 · Bij de oneindige processen te Athene was het van veel belang, zooveel mogelijk kwaad van anderen te weten, om, zoo men beschuldigd werd, denNote 275 · ληρώδης is eigenlijk iemand, die vol grillen is. ↑Note 276 · γῆς δὲ ὅταν κ. τ. λ. Men ziet hier het voordeel der declinatie, waardoor de ouden veel beter dan wij in staat waren, de woorden zoo te rangsNote 277 · Dit moet hier ingevoegd worden, hoewel het in het Grieksch niet noodig is, daar de bovenaangestipte vrijheid der Grieksche taal Plato hier iNote 278 · ἀπαιδευσία is eigenlijk: gebrek aan opvoeding, doch hier wordt niet zoo zeer dat gebrek zelf, maar de onwetenheid, die daaruit volgt, bedoelNote 279 · Hier begaat Plato eene fout, die zeer gewoon is. Volgens de gewone berekening heeft het menschelijk geslacht ongeveer 6000 jaar op aarde gewNote 280 · Woordelijk: van het: wat beleedig ik u, of gij mij? Met deze woorden worden de klagten over onregt als werkelijk plaats hebbende geschilderdNote 281 · De koninklijke magt werd toen ter tijde als het hoogste toppunt van aardsche zaligheid geschilderd. Deze rigting openbaarde zich reeds bij ENote 282 · φύσις, natura, natuur lijden allen aan de dubbelzinnigheid, dat zij dan eens de natuur in het algemeen, dan eens de wezenheid van een bepaalNote 283 · ἀνεμέσητος is eigenlijk hij, die niets van de straf der goddelijke geregtigheid te vreezen heeft. ↑Note 284 · Hier heeft Plato zich door de tegenstelling tusschen kwaad en goed laten verleiden, om het kwaad noodzakelijk voor het bestaan van het goed Note 285 · Namelijk: van het aardsche naar het goddelijke. ↑Note 286 · Namelijk: daarin, dat men zijn heil zoekt in het eeuwige, onveranderlijke, goddelijke, en zich van het aardsche losmaakt; waarvan het gevolgNote 287 · ἀλλὰ γάρ. ἀλλὰ begint eenen zin, die dadelijk weêr wordt afgebroken, om met γὰρ en hetgeen daarop volgt, de reden van hetgeen daarin zou gezNote 288 · περὶ τούτου. Τούτου ziet geenszins op God, maar op het zooveel mogelijk regtvaardig worden. ↑Note 289 · Woordelijk: ten opzigte van dit, is de ware voortreffelijkheid, nietswaardigheid, en onmannelijkheid van een man. De Grieken, vooral de AtheNote 290 · Plato hield zich overtuigd, dat de oorzaak van het zedelijk kwaad onkunde is, daar niemand wetens en willens zijn waarachtig belang zal verwNote 291 · Zoo men de schijnbare voordeelen der misdaad daarvan kon wegnemen, zouden de misdadigers hun ware belang inzien en zich beteren. ↑Note 292 · Eigenlijk: in den staat, hetgeen voor de Atheners, die in eene democratie leefden, waar elk zich met politiek bemoeide, hetzelfde beteekendeNote 293 · Terwijl velen door den tegenspoed der vromen in hun geloof aan een wijs en magtig wereldbestuur zijn aan het wankelen gebragt, meende Plato Note 294 · ἐν τῷ ὄντι. Woordelijk: in het zijnde, maar daar Plato de wereld der ideën, of de denkbeeldige wereld, voor het ware zijnde hield, heb ik geNote 295 · ἐὰν δὲ. Hierin ligt de aanduiding, dat er wat nieuws komt, sterker dan het voorgaande. ↑Note 296 · De denkbeeldige wereld, waar de reine zielen wonen en zich verheugen in het aanschouwen der eeuwige ideën. Zie mijne vertaling van den PhædoNote 297 · Woordelijk: maar dat zij dáár steeds de met hen overeenstemmende gelijkheid van levenswijs zullen hebben. ↑Note 298 · Hiermede wil Socrates niet te kennen geven, dat het andere naar zijn inzien niet zeker was, maar alleen, dat zij het nog eerder konden ontkeNote 299 · ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen woNote 300 · ἔφαμεν, eigenlijk: zeiden, maar zeggen is het gevolg van oordeelen. ↑Note 301 · Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen. ↑Note 302 · D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en,Note 303 · τοῦτο namelijk ὠφέλιμον. ὃ is de eerste en ὠφέλιμον de tweede accusativus van ὀνομάζῃ. ↑Note 304 · ἔστι δέ που καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, enNote 305 · Dit toevoegsel was noodig om Ἀλλὰ te verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, met Note 306 · Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging van Protagoras opgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren,Note 307 · καὶ πᾶς ἂν ὁμολογοῖ. Eigenlijk: en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd. ↑Note 308 · τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat in τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, zooals uit ἑκάστῳ blijkt, dNote 309 · Daar ἀληθεῖς duidelijk op αἰσθήσεις ziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetsel van te moeten verbinden. Dat Note 310 · D. i.: niets goeds. ↑Note 311 · Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt. ↑Note 312 · Zie Hoofdst. VIII. op het einde. ↑Note 313 · πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vrNote 314 · Het is zeer karakteristiek, dat juist Theodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige oordeel moest vellen. HierNote 315 · Socrates was beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderenNote 316 · παραλαβόντας hoort niet bij αὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivus ἐπισκοπεῖσθαι. ↑Note 317 · Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, of Plato schertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste oNote 318 · Wij zouden zeggen: jan en alle man. ↑Note 319 · Zie over deze plaats van Parmenides, Karsten, Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105. ↑Note 320 · Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt van Plato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wNote 321 · Het is juist gezien van Plato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. INote 322 · Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woorden ποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαι zijn te zamen het subject van het werkwoord δοκεῖ. ↑Note 323 · De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht van Aristoteles getrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatNote 324 · Hier staat in de handschriften περιφοράν, cirkelbeweging, maar Heindorf heeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een ondNote 325 · Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geNote 326 · πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk: volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend hebNote 327 · Hoofdst. XII. ↑Note 328 · Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voor Plato’s tijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hier Socrates zelfs aanNote 329 · Woordelijk: hoor het dan bij stukken. ↑Note 330 · τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoelde dingen, maar van het ontstaan der gevoelde dingen gesproken. De dingen Note 331 · ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰ is het object van ἀποτίκτοντα. Het lidwoord voor ἀποτίκτοντα zal weggelaten zijn, om eene Note 332 · Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond van Theodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzettingNote 333 · οὗ ἕνεκα. Eigenlijk waarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreksNote 334 · Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelNote 335 · Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets bNote 336 · Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook deNote 337 · Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer van ProtagoraNote 338 · Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel. ↑Note 339 · αὐτοὺς. Ik heb hier vroeger ἄττα willen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echter αὐNote 340 · Ik heb δέ hier door want vertaald, zonder daarom te beweren, dat δὲ ooit want kan beteekenen. De woorden: δεῖ δὲ—λέγειν geven de tegenstelliNote 341 · Zie hoofdst. XXI. ↑Note 342 · Zie hoofdst. XXVII op het einde. Hoewel Socrates zelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeft Plato het daar aangeduide in den sophist,Note 343 · Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, Note 344 · Hier wordt de Parmenides reeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat inNote 345 · Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen. ↑Note 346 · ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetsel ὑπὸ wordt achter ἄσκεπτον γένηται geplaatst, daar de zin dezer woorden is, daNote 347 · πειρᾶσθαι hangt nog af van δεῖ δὲ. Bij οὐδέτερα kan men gevoegelijk ποιεῖν verstaan, tenzij men δεῖ als gedeeltelijk persoonlijk wil opvatteNote 348 · ἔστι δὲ ὅτε beteekent hetzelfde als ons somtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij Note 349 · ἐπιλαβέσθαι beteekent eigenlijk aanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening. ↑Note 350 · ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier, ᾧ en δι’ οὗ van elkander onderscheiden worden, beteekent ᾧ datgene, wat naauwer verbonden is met den handelNote 351 · Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, die Troje hebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigt Note 352 · Namelijk de zinnen. ↑Note 353 · τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινι en τῷ αὐτῷ hoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt,Note 354 · ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, dat Plato zich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dNote 355 · Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijNote 356 · Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van Note 357 · τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft zNote 358 · Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus: Iedere zinNote 359 · Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelNote 360 · Socrates is hier beter over Theaetetus tevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking oNote 361 · Stallbaum heeft zeer juist aangemerkt, dat οὐσία in dit hoofdstuk dan eens wezenheid en dan eens zijn beteekent. ↑Note 362 · Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden: καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇ τὰ γεγοNote 363 · Theaetetus laat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. Hoewel Plato deze uiNote 364 · De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aNote 365 · Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis. ↑Note 366 · Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practiNote 367 · Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verreNote 368 · ἐξαλείψας, eigenlijk: uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het gNote 369 · De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige Note 370 · Plato heeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoord Θράττει doet verwachten, dat achter γεγονέναι zal komen ὅNote 371 · Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooNote 372 · Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn. ↑Note 373 · Hier volgen eenige zoogenaamde ἀπορίαι (zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begriNote 374 · Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent hNote 375 · ἔστι heeft hier de kracht van ἔξεστι. ↑Note 376 · ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis van ἁπλοῦς is éénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar sleNote 377 · ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing: ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokNote 378 · Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, alNote 379 · Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of op GoNote 380 · Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet besNote 381 · Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Note 382 · Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen. Ἀλλοδοξία is eigenlijk het meenen van wat aNote 383 · Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent. ↑Note 384 · Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in den Euthydemus door Plato naar het leven wNote 385 · Ἔστιν kan op twee wijzen verklaard worden: óf door het met ἔξεστιν gelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hNote 386 · ἕτερόν τι ziet op het volgende ἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is. ↑Note 387 · Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens. ↑Note 388 · Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik? ↑Note 389 · Woordelijk: als het niet wetende. Socrates houdt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijnNote 390 · οὐ φάσκουσα beteekent zoo veel als ons: neen zeggende, dat is ontkennende. ↑Note 391 · Ik heb hier de woorden: de slotsom van ingevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening, die door dat gesprek tot standNote 392 · τὸ πάντων κεφάλαιον beteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen alNote 393 · τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. Zie BNote 394 · Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bij Plato meer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd isNote 395 · ἐατέον δὲ καὶ σοὶ τὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan ziNote 396 · Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz. ↑Note 397 · Namelijk het koesteren van valsche meening. ↑Note 398 · De constructie is: αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω [περὶ τουτοῦ] ἐν ᾧ ἀποροῦμεν. ↑Note 399 · Socrates had aangetoond, tot welke dwaasheden Protagoras kwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voNote 400 · Stallbaum ziet hier te regt nabootsing van Sophocles Aj. v. 1142, sqq. ↑Note 401 · μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, door μὴ of οὐ te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bij deed of bij kennen hoort. Ook het LatijnscNote 402 · μεταστρέφοντα hoort niet bij λόγον, maar bij τινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hier μεταστρέφοντας verwachten,Note 403 · Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hier Plato’s gevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dNote 404 · ἔστι δ’ οἷς staat volkomen gelijk met ἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent: daar is er, aan wie. Zie Buttm. Gr. Gr. § 150. ↑Note 405 · ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ. Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderdNote 406 · καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkNote 407 · ὀρθῶς beteekent hier hetzelfde als het vorige κατὰ τὴν αἴσθησιν. ↑Note 408 · κατὰ ταὐτά d. i. ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν. ↑Note 409 · ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren: ἢ [ἔν τισὶ] ὧν οἶδε καὶNote 410 · ὄψις heeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekent ἀκοὴNote 411 · προσαρμόσαι hangt af van προθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, van προσαρμόσαι niet daar, maar bij het deelwoordNote 412 · δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης. Buttmann wil hier lezen δ. ε. ἀρ. μεταφερούσης; Stallbaum verkiest δεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. BeideNote 413 · Valschheid beteekent hier niets anders dan onwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb Note 414 · ὑγιὲς wordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij van gezonde redenering, gezond verstand, enz., spreken. ↑Note 415 · En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt. ↑Note 416 · ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt van ὅταν tot ὠργασμένος ᾖ. Nu begintNote 417 · Deze aanhaling uit Homerus schijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen ofNote 418 · Deze uitval tegen Homerus is waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het toch Homerus niet kan ten kwade geduNote 419 · ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis. ↑Note 420 · ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά } ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγρά In deze zinnen is eene fout, daar σκληρὰ en ὑγρά in het meervoud gezet zijn, als zagen Note 421 · καλλωπιζόμενος is eigenlijk zijn gelaat schoon te maken of voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen. ↑Note 422 · Dit geheele door Socrates gesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. VoNote 423 · ἀνήκει wordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectNote 424 · Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letNote 425 · Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarnNote 426 · Ἐθελήσαντες. Buttmann heeft teregt aangetoond, dat ἐθέλω het denkbeeld van voornemen, trachten insluit, dus, meer dan het bloote wenschen (βNote 427 · Ἔπειτα wordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt: post hoc, ergo propter hoc. ↑Note 428 · Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeNote 429 · εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvNote 430 · Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. OveNote 431 · Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woord ἔχειν, dat zoowel hebben als vasthouden beteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met éénNote 432 · De constructie is Ὅρα δὴ καὶ εἰ δυνατόν ἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even als het stuk was, slechts een zNote 433 · πάλιν heb ik door integendeel vertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij het wederom maken van zulk eene figuur in Note 434 · τέχνη beteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maNote 435 · ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uit ὁ παραδιδούς achter παραδίδωσιν blijkt, dat men achter ὑποχειρίους ἔχει in de gedachte ὁ ἔχων moet aanvullen, zooalsNote 436 · καλοῦμεν is hier minder juist, daar dit werkwoord óf παραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, en παραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, en ἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; Note 437 · Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing van Stallbaum voor, die aldus leest: ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸν ἢ ἄλλο τι τῶν ἔNote 438 · ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleenNote 439 · Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had. ↑Note 440 · ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, dat γραμματικός Note 441 · πάλιν ἔρχεται μαθησόμενος. πάλιν hoort bij μαθησόμενος. ↑Note 442 · μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is: οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου. ↑Note 443 · ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze: ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ (of ἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil) Note 444 · Het begrip. ↑Note 445 · εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds door ἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγου is uitgedrukt. ↑Note 446 · Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikels γὰρ, ἀλλὰ enz., die bij Plato zoo vaak in het Note 447 · ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk door Plato gemaakt, hetgeen hem evenmin als Aristoteles euvel geduid wordt, hoewel er bij nieuweNote 448 · τὸ is hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het op ψευδῆ δόξαν ziet, volgens de eigenaardigheid der GriekscheNote 449 · Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. Zie Note 450 · Theaetetus is bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaaldNote 451 · ἀπεροῦμεν beteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onNote 452 · Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativus τὸν ποταμὸν moet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositie κατὰ in καθηγούμενος. Het is aNote 453 · ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeft Stallbaum τούτοις in plaats van het gewone τούτους geschreven. Ik geef aan τούτους de voorkeur en verklaarNote 454 · Het schijnt, dat bij de processen te Athene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit Note 455 · νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. Zie Nieuwenhuis. INote 456 · ὅγε νῦν δ’ ἐννοῶ. Ik geloof, dat νῦν moet uitgeworpen worden, daar ὅ eigenlijk ziet op het verzwegene object van ἐννοῶ. Het is echter welligNote 457 · οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woorden ἐπιστητὸς en οὐκ ἐπιστητὸς schijnen in Plato’s tijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden tNote 458 · εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadt Plato zich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is dan Theaetetus, dat is, dan Plato Note 459 · ἐπεὶ staat hier in denzelfden zin als ἔπειτα. Zie Aristoteles de Anima II. II. 13. ↑Note 460 · λόγον. Het woord λόγος is een kruis voor hem, die Plato in eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukkiNote 461 · περὶ τούτον ziet hier op het bij δοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγον uitgelatene περὶ τινὸς. ↑Note 462 · κομιδῇ beteekent eigenlijk met zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen kan uitgesproken worden, is aan dit woNote 463 · τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven; στοιχεῖον Note 464 · τὰ ἑπτὰ heb ik door de vijf vertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven,Note 465 · Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het andeNote 466 · τὰ πάντα. Ik heb hier τὸ πᾶν genomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, Note 467 · Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de Note 468 · ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die met πᾶς en ὅλος overNote 469 · Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling vNote 470 · Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken worden hier van den positieven Note 471 · Plato maakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekeniNote 472 · οὐδὲ τοῦτο. Stallbaum wil hier οὐδὲ τοιοῦτον lezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaNote 473 · μονοειδὴς en μία ἰδέα heb ik door enkelvoudig vertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begripNote 474 · ῥηταὶ heb ik door bepaalbaar vertaald, omdat het duidelijk tegen ἄλογον in de volgende woorden van Socrates overstaat, en ik dat het best doNote 475 · μανθάνων. Er staat eigenlijk: niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kan πειρώμενος niet overgezet worden,Note 476 · κυριωτέραν. Κύριος beteekent ongeveer hetzelfde als ons woord voornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden. ↑Note 477 · τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook niet geheel in op,Note 478 · τὸν λόγον. Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoord τὸν hier onverklaarbaar is, en voorgeslagen τὸ λόγος (het woord λόγος) te lNote 479 · λέγειν. Daar λόγος van λέγειν is afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenNote 480 · De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle waNote 481 · Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum inNote 482 · Het is te bejammeren, dat Plato en Aristoteles de theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der aarde verworpen hebben, daar, zoo voorNote 483 · Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236: Gastvriend uit Elea. Volgens de daareven gebezigde wiNote 484 · σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergeliNote 485 · Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheiNote 486 · Hoezeer uit het voorbeeld van Theaetetus blijkt, dat Plato niet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indrNote 487 · Hier zat de Ἄρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst bNote 488 · Terp. Al eene vrij lange poos geleden. En ik zocht u op de markt1 en verwonderde mij, dat ik u niet vinden kon.Note 489 · Eu. Ik was naar de haven gegaan, en vond daar Theaetetus, die van Corinthe, uit het leger, naar Athene gebragt werd2.Note 490 · Ter. Dat is ook niet vreemd; het zou veel verwonderlijker zijn, als hij zoo niet was3. Maar waarom hield hij hier, te Megara, niet stil?Note 491 · Eu. Hij had groot verlangen naar huis. Althans ik bad hem en ried hem [te blijven,] maar hij wilde niet. En ik verzeker u4, dat, toen ik hemNote 492 · Ter. En hij schijnt de waarheid gezegd te hebben8. Maar wat was dat dan voor een gesprek? zoudt gij het kunnen verhalen9.Note 493 · Eu. Bij Zeus! zoo uit mijn hoofd onmogelijk. Maar ik hield toen, zoodra ik te huis kwam, voor mij zelven aanteekeningen, en naderhand schreeNote 494 · Eu. [Dat is niet alleen met u het geval], maar ik heb Theaetetus tot Erineus11 begeleid, zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten. Laat ons daNote 495 · Eu. Dit is het boek, Terpsion! En ik heb het gesprek aldus opgeschreven, dat ik niet Socrates als aan mij verhalende voorstelde, maar als spNote 496 · II. So. Zoo ik mij meer om de inwoners van Cyrene bekommerde, Theodorus! dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt, en over hen, of alNote 497 · Theo. En waarlijk, Socrates! het is voor mij de moeite waard om te zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap17 uit uwe medeburgers Note 498 · Theo. Ik heb den naam wel gehoord, maar herinner mij dien niet. Maar [dat komt er niet op aan], want hij is de middelste van de knapen, die Note 499 · So. Ik ken hem. Hij is de zoon van Euphronius van Sunium26, een man, mijn vriend! die geheel was, zoo als gij dezen beschrijft, en buitendieNote 500 · Theo. Zijn naam, Socrates! is Theaetetus, maar zijn geld geloof ik, dat zijne voogden27 opgemaakt hebben. Doch hij is tevens ook verwonderliNote 501 · So. Gij geeft hem daar eene schoone lofspraak28. Verzoek hem hier bij mij te komen zitten.Note 502 · So. En wanneer wij hem dan zóó vonden29, zouden wij hem zeker gelooven, maar zoo hij geene muzijk verstond, niet.Note 503 · Theaet. Zoo ver ik weet, niet30.Note 504 · So. Zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt, dat wij in eenig deel des ligchaams gelijk zijn, komt het niet te pas, bijzonder op hem te lettNote 505 · III. So. Dus is het dan, mijn waarde Theaetetus! voor u de tijd om u te vertoonen, en voor mij om u te onderzoeken32; want wees verzekerd, dNote 506 · So. Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan33. Maar echter bNote 507 · So. Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp36 en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten37, wat toch eigenlijk de kennis is. Kunnen wijNote 508 · Theo. Socrates! zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der knapen u antwoorden; want ik ben niet gewoon aan die soort van gesprek4Note 509 · Theaet. Ik geloof dan, dat hetgeen iemand van Theodorus zou kunnen leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd hebt,Note 510 · Theaet. Neen43.Note 511 · So. Maar het gevraagde, Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen hNote 512 · So. Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden: klei, en er bijvoegden van Note 513 · So. Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet47?Note 514 · So. Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is48.Note 515 · So. Terwijl het verder geoorloofd was49, gemakkelijk en kort te antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag naar Note 516 · V. Theaet. Socrates! dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit; maar51 gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij een gNote 517 · Theaet. Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierNote 518 · So. Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide, dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij Note 519 · So. Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennisNote 520 · So. Houd maar moed over u zelven, en geloof, dat Theodorus iets van gewigt55 gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent de anNote 521 · Theaet. Maar wees verzekerd, Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhNote 522 · Theaet. Ik weet het niet, Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin ik ben57.Note 523 · So. Maar, mijn gekje!58 hebt gij dan niet gehoord, dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, van PhaenabeNote 524 · So. Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is59. Verklap mij echter niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die kuNote 525 · So. Men zegt, dat Artemis daarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heefNote 526 · Theaet. Waarschijnlijk65.Note 527 · So. Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andereNote 528 · So. Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren67 te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij willen, verzachNote 529 · Theaet. Dat weet68 ik nog niet regt.Note 530 · So. Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen deNote 531 · So. Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw, eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen7Note 532 · So. Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne. Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer71 Note 533 · VII. So. Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij72, maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de ziNote 534 · Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat81 ik giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij zwanger Note 535 · Theaet. Maar84 waarlijk, Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om alleNote 536 · So. Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel86 is. GNote 537 · So. Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven als Protagoras. Hij Note 538 · Theaet. Het laatste90.Note 539 · So. Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp91, daar het kennis is.Note 540 · So. Maar, bij de Gratiën! was dan Protagoras een doorgeleerd man, die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan zijNote 541 · So. Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen93, namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets met regNote 542 · So. Zekerlijk niet, Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is vaNote 543 · So. Wordt verder98 de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel bewaard?Note 544 · So. En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat de99 ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt, teNote 545 · So. Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade daarentegen het tegenovergestelde101?Note 546 · So. Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen] dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde bewNote 547 · So. Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke Note 548 · So. Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken, groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanrakiNote 549 · So. Ik zal u een klein voorbeeld geven107, en gij zult alles weten, wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt, zeNote 550 · So. Wat nu? zoo Protagoras of iemand anders u vroeg: Theaetetus! is het mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan doNote 551 · Theaet. Wanneer ik, Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maarNote 552 · So. Mooi, bij Hera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het door EuripiNote 553 · So. Dus wanneer ik en gij knap112 en wijs waren, dan zouden wij de zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht beschoNote 554 · XI. So. En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben,Note 555 · So. Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet was, later niet zijn kan zonder te worden115?Note 556 · So. Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander, wanneer wij het voorbeeld der dobbelsteenen bezigen, of wanneeNote 557 · So. Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral117 aan den wijsNote 558 · So. Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde mannen uiNote 559 · XII. So. Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor wezenlijk hoNote 560 · So. Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel nNote 561 · So. Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt, wanneer128 het voluit gezegd is. Want het wil zeggen129, dat dit alles, zooals wij zeNote 562 · Theaet. Ik weet het niet, Socrates! want ik kan ook aan u niet merken139, of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.Note 563 · XIII. So. Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat niets is, maar dat het goede en schoone140 en al wat wij daareven doorliepen, steeds woNote 564 · So. Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid141 van dNote 565 · So. Wat blijft er dan nu nog te zeggen143 over, jongen! voor hem, die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit ooNote 566 · So. Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze [toestanden], vooral over droomen en waken144?Note 567 · So. Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen145, [namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo Note 568 · Theaet. Ja waarlijk, Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles vNote 569 · So. Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve dat de tijd niet gelijk is148?Note 570 · So. Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden149?Note 571 · XIV. So. Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hemNote 572 · So. Zeiden wij niet te voren151, dat het bedrijvende veel, ja152 oneindig is, en evenzoo het lijdende?Note 573 · Theaet. Noodzakelijk153.Note 574 · So. En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben, hetzelfde zeggen154?Note 575 · So. Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in beNote 576 · So. Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers156, vooreerst in waarheid, niet denzelfden aan, want hij komt bij iemanNote 577 · So. Dus brengen ook die Socrates en het drinken van den wijn wat anders voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijnNote 578 · So.158 Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening, eNote 579 · So. Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en evenNote 580 · So. Dus blijft, geloof ik, over, dat wij161 voor elkander, zoo wij zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze wezNote 581 · XV. So. Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niNote 582 · So. Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan gevoel, en het komt op één uit, dat, volgens Homerus and Heracliet en al Note 583 · So. Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in waNote 584 · So. Waarlijk, Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb168, waaruit ikNote 585 · So. Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het beginNote 586 · Theod. Socrates! de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd hebt. Daarom zou ik niet verlangen, dat Protagoras weêrlegd werd door miNote 587 · So. Theodorus! zoudt gij ook, te Lacedaemon in de scholen der gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken, naakt zaagNote 588 · XVII. So. Nu, als gij het zoo goed vindt, Theodorus! vind ik het niet kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappenNote 589 · Theaet. Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt. Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat heNote 590 · So. [Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekavelNote 591 · So. Laten wij dan aldus185 onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch daarop uNote 592 · So. Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat Note 593 · Theaet. Wij zullen zeggen, Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en dNote 594 · So. Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewNote 595 · Theaet. Het zou ongerijmd192 wezen, Socrates! dit te beweren.Note 596 · So. En toch kan het niet anders193, zoo wij het vroeger beweerde willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden], gaat Note 597 · Theaet. Waarlijk! ik vermoed194 het ook al, doch ik zie het echter niet behoorlijk in; maar zeg waarom?Note 598 · So. Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat195 hij ziet; want wij zijn overeengekomen, dat gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is.Note 599 · So. Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren196.Note 600 · So. Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den zin heb197. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het geleerdNote 601 · So. Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen; nu Note 602 · Theod. [Dat moet mij niet verweten worden], want Socrates! niet ik, maar veel meer Callias, de zoon van Hipponicus200 is de voogd van hetgeeNote 603 · So. Gij zegt goed, Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand toestemmen,Note 604 · So. [Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt203. Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij, om Note 605 · So. Dat: in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, teNote 606 · So. Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen, zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te kennNote 607 · XX. Dit alles207 [zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtenNote 608 · Hiermede, Theodorus! ben ik begonnen230 uwen vriend te helpen, zoo goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten; maar Note 609 · So. Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij daareven op de woorden van Protagoras gelet hebt, toen hij ons verweet, dat Note 610 · So. Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en antNote 611 · So. [Dat wel], Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet, dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op Note 612 · Theod. Het is niet gemakkelijk, Socrates! bij u te zitten, zonder rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde, dat Note 613 · So. Theodorus! gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij235. Want reeds bij de dNote 614 · Theod. Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint, veNote 615 · So. Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken239, en iemand ons dat lNote 616 · So. Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend, in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nogNote 617 · So. Laat ons dan niet door andere241, maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.Note 618 · So. Derhalve, Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja, van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige dingNote 619 · So. En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat de mensch de maat is van alle dingen.244Note 620 · Theod. In waarheid Socrates! er zijn vele duizenden, zooals Homerus zegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden245.Note 621 · So. Dus zullen allen, met Protagoras voorop, betwijfelen246, of liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware meeniNote 622 · So. Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde, Note 623 · XXIII. So. En dat de leer [van Protagoras] vooral tot staan gebragt wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben, Note 624 · So. Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke, regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat als zoodaNote 625 · Theod. Maar wij hebben immers ledigen tijd252, Socrates!Note 626 · So. Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar vooral253 nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in wijsgeeriNote 627 · So. Zij, die van hunne jeugd af aan zich in regthuizen en dergelijke dingen ophouden255, schijnen in vergelijking van hen, die in de wijsbegNote 628 · So. Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellenNote 629 · Zoo zijn zij, Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot Note 630 · Theod. Wel neen, Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij hebt zeer juist aangemerkt, dat wij niet zulke dienaars der redekavelingNote 631 · XXIV. So. Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt, over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen, Note 632 · So. Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginneNote 633 · XXV. So. Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt280 zich wende Note 634 · So. Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga, Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de GodheidNote 635 · So. Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld294 twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en tevensNote 636 · So. Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt hun zeker298, [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek299 rekenschap Note 637 · XXVI. So. Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt, waarop wij oordeelden300, dat de voorstanders der aanhoudende beweging vaNote 638 · So. Maar zoo nu de staat iets nuttig303 noemt, en dit door eene wet vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle wetteNote 639 · So. Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen, zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige behNote 640 · So. [En hierbij blijft het niet]305, maar ik meen, dat [ook] over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en Note 641 · So. Bij Zeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeNote 642 · So. Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en ieder moet toestemmen307, dat een staat, die wetten maakt, noodzakelijk Note 643 · So. Zulk een stelsel, Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank, [daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestertNote 644 · Theod. Dat is opperbest. Want, Socrates! wat die navolgers van Heracliet, of, zoo als gij zegt, van Homerus312 en van nog ouderen aangaat, mNote 645 · So. Misschien, Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden niet314.Note 646 · Theod. Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest Note 647 · So. Dat zegt gij goed. Maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van de ouden, die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen317,Note 648 · XXVIII. So. Wanneer gij er zoo zeer naar verlangt, moet het onderzocht worden. Ik geloof dus, dat het begin van het onderzoek naar de bewegiNote 649 · So. Het kan niet anders. Dus noem ik deze twee soorten van beweging: verandering en de andere plaatsverwisseling324.Note 650 · So. Zoo zij dat niet doen, mijn vriend! dan zal het hun schijnen te bewegen en stil te staan, en het zal niet beter zijn te zeggen, dat alleNote 651 · So. Daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn nergens wezen mag, wordt alles altijd volgens beide soort van beweging32Note 652 · So. Onderzoek er dan nog eens dit van. Zeiden wij niet327, dat wij den oorsprong van warmte, of witheid, of wat dan ook aldus stellen, dat iNote 653 · Theod. Ik herinner het mij; hoe zou ik het vergeten zijn?332Note 654 · So. Laat ons dus het andere laten rusten, [en niet onderzoeken,] of zij dat anders of aldus meenen, maar nu alleen datgene in het oog houdenNote 655 · So. Zoo het nu alleen van plaats wisselde, en niet veranderde, dan zouden wij kunnen zeggen, welke bewogene dingen van plaats wisselen, of hNote 656 · Theod. Hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak mogelijk, Socrates! daar het in beweging zijnde steeds aan den sprekende ontvNote 657 · So. Maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen, b. v., van het zien of hooren? Dat zij ooit blijft wat zij is, namelijk zien oNote 658 · So. Edoch gevoel is kennis337, zoo als ik en Theaetetus beweerd hebben.Note 659 · So. Dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord338 gekregen, daar wij, om dat antwoord te kunnen redden, poogden aan te toonen,Note 660 · So. Behalve, Theodorus! dat ik sprak van zóó en niet zóó. Want340 wij moeten dat woord zóó niet eens bezigen; want als het zóó was, dan was Note 661 · Theod. Socrates! gij zegt daar iets heel goeds, want nu dit klaar is, moet ook ik volgens de overeenkomst341 er van af zijn om u te antwoordNote 662 · XXIX. Theaet. Och neen, Theodorus! niet voordat Socrates en gij ook hen, die alles doen stil staan, gelijk gij daareven voornemens waart342,Note 663 · Theod. Gij roept ruiters in de vlakte343, zoo gij Socrates tot redekavelingen roept: vraag dan maar op, en gij zult het hooren.Note 664 · So. Hoewel ik door schaamte weêrhouden werd, om Melissus en de anderen, die leeren, dat het al één en stilstaand is, oppervlakkig te beoordeNote 665 · So. Over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid, wanneer men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen, en die niet naauwkNote 666 · So. Het zou dan ook erg zijn, jongelief! zoo in ons, als in houten paarden351, zinnen zaten, en niet dit alles op één wezen, het moge dan ziNote 667 · So. Maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig? [Om te onderzoeken], of wij met één en hetzelfde deel van ons wezen353 door de oogen hNote 668 · So. Waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen? Want het is toch niet mogelijk, door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te vattNote 669 · So. Dat zegt gij goed. Maar welke zin maakt u nu bekend met het aan allen en [dus] ook aan deze gemeenschappelijke, namelijk met het zijn enNote 670 · Theaet. Gij meent het zijn en niet zijn, de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid357, de eenheid en de andere hoeveNote 671 · So. [Ik heb schik in u], Theaetetus! want gij zijt schoon359, en niet leelijk, zooals Theodorus zeide. Hij toch, die schoon kan spreken, is Note 672 · Theaet. Ik geloof, dat de ziel ook vooral hunne wezenheid361 beschouwt, wanneer zij bij zich zelve het verledene en tegenwoordige in betrekkNote 673 · So. Houd op363! [en antwoord mij liever op deze vraag]. Neemt zij niet de hardheid van het harde door den tastzin waar, en de zachtheid van Note 674 · So. Dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen, maar in de redekaveling over dezelve364: want in de laatste is het mogelijk de wezNote 675 · So. Maar noemt gij nu die twee, die zoo verschillen365, hetzelfde?Note 676 · So. Maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan, opdat wij vinden zouden, wat de kennis niet is, maar wat zij wel is366. Wij zNote 677 · So. Uw geloof is goed, mijn waarde367! En onderzoek dan nu eens van voren af aan, met wegdenking368 van al het vorige, of gij nu iets meer zNote 678 · So. Is het dan nu niet noodig, de meening nog eens van voren af aan te onderzoeken369?Note 679 · So. Nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid gebragt, wat ik denken en spreken moet, doordien ik niet in staat ben te zNote 680 · So. Dat brengt gij mij juist van pas te binnen. Want misschien is het niet ondienstig, als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan.Note 681 · So. Hoe zeggen wij dan nu? Immers, dat er telkens valsche meeningen zijn, en dat de een onzer het valsche, de ander het ware tot voorwerp ziNote 682 · So.373 Geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle dingen, dat wij ze óf kennen óf niet kennen? Want leeren en vergeten, die tusschen die twNote 683 · So. Maar houdt hij dan, hetgeen hij niet kent, voor iets anders, dat hij ook niet kent, en is375 het voor iemand, die noch Theaetetus noch SNote 684 · So. Of het niet zonder uitzondering waar376 is, dat hij, die over iets het niet zijnde meent, onvermijdelijk valsche meening koestert, hoe hNote 685 · So. Wat zouden wij dan nu zeggen, Theaetetus! zoo iemand ons vroeg: is hetgeen gij daar zegt377 voor iemand mogelijk, en kan eenig stervelinNote 686 · So. Bij voorbeeld, dat iemand iets ziet en toch niets ziet378.Note 687 · So. Edoch, zoo hij het één of ander ding ziet, dan ziet hij iets dat is. Of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde379?Note 688 · So. Nu meent immers hij, die het niet zijnde meent, niets380?Note 689 · XXXII. So. Maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien aldus381?Note 690 · So. Geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling van begrippen382, wanneer iemand een der bestaande dingen voor een andeNote 691 · Theaet. Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor schoonNote 692 · So. Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag,Note 693 · So. Dus is het naar uw gevoelen mogelijk385, iets als386 iets anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.Note 694 · So. En wel tegelijk of beurtelings387?Note 695 · So. Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik388?Note 696 · So. Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is389. Note 697 · So. Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of,Note 698 · So. Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is of niet, in ernst tot zich zelven zou durven393 zeggen, en zich wijsmaNote 699 · So. Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen394 is, dan zou niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen en meNote 700 · XXXIII. So. Maar waarlijk, Theaetetus! zoo dat397 niet schijnt te bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen toeNote 701 · So. Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten opziNote 702 · So. Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel wij het kennen, niet401 deed kennen?Note 703 · So. Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk Note 704 · So. Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel een stuk was403 is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner; Note 705 · So. Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche meNote 706 · So. Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waaNote 707 · So. In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in Note 708 · So. Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin, wanneer ik u en Theodorus kennende, en in dat stuk was, van u beiden als vaNote 709 · So. Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenigNote 710 · So. En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is, bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij dNote 711 · So. Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is416, [daNote 712 · So. Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft418, of wanneer het vuil en van niet gezuiverNote 713 · So. Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt: Socrates! gij hebt iNote 714 · So. Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven menscheNote 715 · So. Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen423. Hij toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders van Note 716 · So. Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven, dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zNote 717 · Theaet. Hoe meent gij426?Note 718 · So. Maar vindt gij het dan427 niet onbeschaamd, dat wij, niet wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen, wat kenniNote 719 · So. Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar was429, [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij bewerNote 720 · XXXVI. So. Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het kennen is?430Note 721 · So. Men zegt, dat het is: het hebben431 van kennis.Note 722 · So. Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar niet te hebben432; gelijk wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij vNote 723 · So. Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben, nu integendeel433 in iedere ziel eene kooi makenNote 724 · So. Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen, en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig ziNote 725 · So. Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij die haar bezit]435 de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen medeNote 726 · So. En wij noemen436 het mededeelen onderwijzen, het aannemen leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten, kennen.Note 727 · So. Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen?437Note 728 · So. Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent. Want gij Note 729 · XXXVII. So. Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is, namelNote 730 · So. Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven overdenkt,Note 731 · So. Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt, hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij, oNote 732 · So. Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende, datzelfde niet kent; en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men ditNote 733 · Theaet. [Dat is toch nog wel te redden]446, Socrates! want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld, daaNote 734 · So. Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de Note 735 · Theaet. Het is op het oogenblik onvermijdelijk, Socrates! zoo te oordeelen als gij daar zegt.450Note 736 · XXXVIII. So. Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet oNote 737 · So. De wegwijzer [in de fabel] zegt,452 dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan onderzoekenNote 738 · So. Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne overredingskunsNote 739 · So. Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van iets, hetwelk men alleen door het zien en anders niet kan weten, dit op hNote 740 · So. Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij vNote 741 · Theaet. Ik herinner mij nu iets, Socrates, dat ik iemand heb hooren zeggen, maar dat mij ontgaan was456. Hij toch zeide, dat ware meening meNote 742 · Theaet. Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen458. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander het Note 743 · XXXIX. So. Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen. Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de grondbestanddeeNote 744 · Theaet. Ongetwijfeld.462Note 745 · So. De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets anderNote 746 · Theaet. Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen? Want, Socrates! de s behoort onder de medeklinkers, en is sNote 747 · So. Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld, wanneer wij zeggen: één, twee, drie, vier, vijf, zes465, of twee maalNote 748 · So. Maar als wij nu [in dit geval] van het al spreken, zeggen wij toch ook iets466?Note 749 · So. Dus houden wij althans in de getallen467 het al en al de deelen voor hetzelfde.Note 750 · So. Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten minste het getal deelen [eener zaak haar] al is468.Note 751 · Theaet. Nu geloof ik ook, dat het geheel en het al volstrekt niet verschillen469.Note 752 · So. Zeiden wij niet, dat, waar deelen zijn, het geheel en het al, al de deelen zijn470?Note 753 · So. Dus zou dan, Theaetetus! volgens de tegenwoordige redekaveling de lettergreep ééne ondeelbare zaak471 zijn.Note 754 · So. Herinnert gij u nu, mijn vriend! dat wij daareven als goed gezegd aannamen, dat er geene bepaling is van de grondbestanddeelen, waaruit Note 755 · So. Dus is dan de verbinding van dezelfde soort als die dingen geworden, zoo zij geene deelen heeft en enkelvoudig is473.Note 756 · So. Zoo dus de verbinding vele grondbestanddeelen en een geheel is, en die grondbestanddeelen hare deelen zijn, dan zijn de verbindingen eveNote 757 · So. Dat gij een geruimen tijd niets anders gedaan475 hebt, dan trachten om de letters ieder op zich zelve door het gezigt en het gehoor te oNote 758 · So. Zoo wij dus van de ons bekende bestanddeelen en verbindingen tot de andere mogen besluiten, dan moeten wij zeggen, dat die soort van dinNote 759 · XLII. So. Hiervan zouden echter, naar mijn inzien, nog wel andere bewijzen te vinden zijn; maar wij moeten ons daardoor niet laten aftrekkenNote 760 · So. Komaan dan! wat wil dat woord bepaling478 hier te kennen geven? Naar mijne meening één van drie.Note 761 · Theaet. Ja; wij zeggen van hem, die dat doet, dat hij eene bepaling van zijne meening geeft479.Note 762 · So. Maar is dan niet ieder, die niet stom of doof geboren is, in staat, om te kennen te geven, hoe hij ergens over denkt, zoodat allen, die Note 763 · Theaet. En kunt gij mij zulk eene bepaling ergens van geven481?Note 764 · So. Bij voorbeeld, zoo gij wilt, meen ik u de zon genoeg uitgeduid te hebben, zoo ik zeg, dat zij het schitterendste hemellicht is, dat rondNote 765 · So. Waarlijk, Theaetetus! het gaat mij met die uitspraak als met een schijnbedrog483; nu ik er nader bij kom, begrijp ik er niet het minste Note 766 · So. Het schrijft ons dan voor, van die dingen, waaromtrent wij ware meening aangaande hun onderscheid van het overige hebben, ware meening aNote 767 · So. En het is dan ook waarlijk onnoozel, nu wij de kennis onderzoeken, te zeggen, dat zij ware meening is met kennis van het onderscheid of Note 768 · XLIV. So. Theaetetus! zoo gij nu hierna nog van iets anders poogt zwanger te worden, en zoo u dat gelukt, zult gij, ten gevolge van het onde
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings