← Table of contents
Theaetetus

Note 72 — THEAETETUS.

D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2

VII. So. Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij72, maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat verwijten zij mij met regt73. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet heeft te baren74. Ik nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb geene zoodanige75 uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen, verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen] zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald, vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben, hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk76 schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe behoort Aristides, de zoon van Lysimachus, en vele anderen. En wanneer die wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde dingen doen77, dan belet het goddelijke78 [teeken], dat mij verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan, hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met hen79. Maar somtijds, Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken80,) kan ik al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen trekken. Vele hunner heb ik aan Prodicus of aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings