Note 483 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:
Gastvriend uit Elea. Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—
Theaetetus. Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.
G. Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.
T. Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?
G. Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.
T. Ongetwijfeld.
G. Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?
T. Ongetwijfeld.
G. Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?
T. Ja.
G. En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?
T. Juist.
G. Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?
T. Zekerlijk. ↑