Note 17 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
Theo. En waarlijk, Socrates! het is voor mij de moeite waard om te zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap17 uit uwe medeburgers ik kennis gemaakt heb. En zoo hij schoon was, dan zou ik vreezen mij daar sterk over uit te laten, uit vrees dat iemand meenen zou, dat ik verliefd op hem was18; maar neem het mij niet kwalijk, hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende oogen; slechts heeft hij dat iets minder dan gij; en bij gevolg zeg ik het onbeschroomd. Want weet, dat van allen, die ik ooit ontmoet heb, (en ik heb er met vrij wat omgegaan), ik nooit iemand heb opgemerkt van zulk eenen goeden aanleg19. Want vlug van begrip zijnde, even uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van humeur is, en daarbij vol geestkracht20,—dat zou ik niet denken, dat mogelijk was, en ik zie, ook niemand, bij wien het plaats heeft; maar die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een goed geheugen begaafd, zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn21 geneigd, en worden met geweld geslingerd, even als schepen zonder ballast, en zijn van nature meer driftig dan veêrkrachtig; en zij, die meer bedaardheid hebben, zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht geheugen voorzien. Hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk22 en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek, [en] met [zoo] veel zachtmoedigheid, gelijk eene beek van olie, die vloeit zonder geraas te maken, dat het een wonder is, dat iemand, nog zoo jong, dit zoo kan tot stand brengen.