Note 280 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
XXV. So. Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt280 zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen281 en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur282 van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs, Theodorus! de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt verdient283, omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand, die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is, zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen.