← Table of contents
Theaetetus

Note 128 — THEAETETUS.

D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2

So. Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt, wanneer128 het voluit gezegd is. Want het wil zeggen129, dat dit alles, zooals wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde130 plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte131. Wanneer nu een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen132, tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld133 en wordt niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz. moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf niets is, wat wij ook daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alles wordt en allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet geoorloofd is134 eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend, bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend. Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen]135 steeds in eenig opzigt worden, doch het zijn overal moet uitgesloten worden, alhoewel136 wij nog daarzoo door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter, gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet137, zoo als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder afzonderlijk138 spreken en van velen te zamen, die vereenigd den naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit, Theaetetus! en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings