← Table of contents
Theaetetus

Note 207 — THEAETETUS.

D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2

XX. Dit alles207 [zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtende en zeggende: die beste Socrates heeft daar, toen een kind, op zijne208 vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan, bevreesd werd,209 en dit uit vrees en gebrek aan inzigt210 ontkende, mij in zijne redekaveling bespottelijk211 gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnige Socrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd. Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging212? Het scheelt veel. Of dat hij aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven, dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest, dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is, die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte worden213, wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg het, zoo gij kunt, [aantoonende]214 dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen voor hem schijnt, of, zoo dit zijn moet heeten, [voor hem] is, aan wien het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne schijnt, en voor den ander wat anders. En ik ben er ver van af te zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem ik wijs215, die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’ hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen216, omdat hij zulke meeningen koestert, noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere [denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren217 doen overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen218, noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik, de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel, daarmede overeenkomstige meeningen koesteren, andere219 zulke meeningen220 koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn beste Socrates! om de wijzen kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers221. Want ik beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar dat de wijze en goede redenaars222 het goede, in plaats van het slechte, aan de staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfde redenering is de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen, wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever] met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden223. Doe echter alzoo. Bezig bij het vragen geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd, dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek224; daar225 men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is226. Want wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij, andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk maken227, wanneer zij wat ouder worden228. Zoo gij dus mijnen raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat, hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand mensch, als voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde, of iets anders is, maar [gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen, welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen229.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings