Note 272 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
So. Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne272 zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet slechts bij: Thracische slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar hij door gebrek aan oefening273 in putten en allerlei verlegenheid valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet, omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft274; weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk, maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas275 schijnt te wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen, meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in eene schaapskooi op een’ berg, in zijnen burg opsluit. En wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen276, dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen, die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor [de taal]277 van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn, daar zij door onkunde278 niet in staat zijn, steeds het geheel in het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele duizenden279 van voorouders heeft, waaronder voor ieder vele duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot op Hercules, den zoon van Amphitryon, schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat zij niet inzien, dat de 25e van Amphitryon opwaarts zoo was als het toeval meêbragt, en evenzoo de 50e van dezen opwaarts gerekend, en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.