Note 8 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
De leerlingen van Socrates namen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen van Krause. Zoo besluit onder anderen Lindemann zijne verdediging van Krause’s stelsel (voorkomende in het Zeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven door J. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:
„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen grooten doode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo als Lindemann voor het stelsel van Krause wenscht, onlangs door Mr. Opzoomer geleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 in Krause’s stelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijn Opklimmend deel der Wijsbegeerte heb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en dat Krause’s leer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bij Krause hetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde. ↑