Note 306 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging van Protagoras opgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus was Protagoras óf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks, maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgens Protagoras de beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echter Plato niet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo. ↑