Note 284 — THEAETETUS.
D. (Dionijs) Burger translation · Edition 2
So. Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga, Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats284. Daarom moet men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts285 te vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan God286, en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden. Doch, mijn beste! daar287 het niet zeer gemakkelijk is [de menschen] te overtuigen, dat men niet om de reden, die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft, namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk; en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste wordt. Hieraan288 moet de waarachtige voortreffelijkheid, nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden289. De kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid290; maar de andere schijnbare voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden291. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn, maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij292 weten te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen293, maar eene straf, die niet kan ontweken worden.