OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Plaats van den mensch in het dierenrijk.—Het natuurlijke stelsel berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe waarde.—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den mensch en de apen.—Rang van den mensch in het natuurlijke stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid van fossiele verbindingsleden.—Lagere trappen in den stamboom van den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede uit het maaksel van zijn lichaam.—Voormalige tweeslachtigheid (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit.
Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen den mensch en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige natuuronderzoekers beweren, en hoewel niet valt te ontkennen, dat het verschil in geestvermogens tusschen hen verbazend groot is, bewijzen toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde feiten, naar het mij toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van den eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden zijn ontdekt.
De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende variaties, die het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en worden beheerscht door en overgeërfd volgens de zelfde algemeene wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan een strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft het aanzijn gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van elkander verschillen, dat er natuuronderzoekers zijn, die ze als afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam is gebouwd volgens het zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt als embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en nuttelooze deelen behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren. Nu en dan verschijnen kenmerken opnieuw, die wij alle reden hebben om te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders werden bezeten. Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen slechts misleidingen zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te nemen, noch te gelooven. Daarentegen worden deze verschijnselen begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch met andere zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en lageren vorm.
Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der hersenen, de reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. (3) Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel de Buideldieren als de Snaveldieren (Monotremata) (4); zoodat hij evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere zoogdieren, als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze beschouwingswijze wordt, zoover mij bekend is, door geen enkel natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig oordeel te vellen, gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.
Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een of ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee organismen ver van elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel verschilt van het zelfde deel bij een andere verwante soort, heeft volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging ondergaan; bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop inwerkende oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere veranderingen van deze soort, en deze zouden, zoo zij voordeelig waren, behouden blijven en dus voortdurend worden vermeerderd. In vele gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de soort niet voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig ander doel; maar bij den mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien, wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende ontwikkeling van de hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen plaats in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende ontwikkeling zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte overeenkomsten in andere minder belangrijke of volstrekt onbelangrijke punten.
In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten aangevoerd om te toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere zoogdieren overeenkomt; en deze overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg van de groote gelijkheid in fijneren bouw en scheikundige samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten en aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den zelfden smaak hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze middelen, en ook verschillende geneesmiddelen gelijksoortige uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.
Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch en de hoogere apen in systematische werken gewoonlijk niet worden opgeteekend, en daar zij, als zij talrijk zijn, duidelijk onze bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige dergelijke punten opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar de zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende gemoedsaandoeningen worden uitgedrukt door bijna gelijksoortige bewegingen van de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en rondom den mond. Eenige weinige uitdrukkingen zijn inderdaad bijna geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige soorten van apen en bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk de hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld worden. Bij den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de meeste apen; maar wij kunnen het begin van een arendsneusachtige bocht waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij den neusaap (Semnopithecus nasicus) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.
Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.—Wij worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het oorspronkelijk vaderland van den mensch was op dat tijdperk van de afstamming, toen onze voorouders uit den stam der Catarrhinen ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië, noch eenig Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten van de geographische verspreiding der dieren. In elke groote streek van de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw verwant met de uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom waarschijnlijk, dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven aapsoorten, die nauw verwant waren met den gorilla en den chimpanzee; en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten van den mensch zijn, is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders het vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. (10) Het is echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna zoo groot als de mensch, namelijk de Dryopithecus van Lartet, die nauw verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa gedurende de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft de aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er ruimschoots tijd geweest voor verhuizingen op de grootste schaal.
In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn geweest, toen de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij waarschijnlijk een warm land, en dit zou het hem gemakkelijk hebben gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar de analogie te oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar dit is wellicht geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene periode (11); want de hoogere apen hadden zich reeds in de Opper-Miocene periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het bestaan van den Dryopithecus. Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen, hoe snel organismen, hetzij zij hoog of laag op de ladder staan, zich onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten echter, dat sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige afstammelingen van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn veranderd, terwijl andere een weinig, en wederom andere in groote mate zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn gegaan, die in zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in vergelijking van de hoogere apen.
De Buideldieren (Marsupialia) staan door vele belangrijke kenmerken beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen in een vroegere geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale Zoogdieren zijn ontsproten uit de Implacentale of Buideldieren; echter niet uit vormen die zeer veel geleken op de thans levende Buideldieren, maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren (13) (Monotremata) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde en nog lagere afdeeling in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden in onzen tijd alleen vertegenwoordigd door het vogelbekdier (Ornithorhynchus) en het Stekeldier (Echidna), en deze beide vormen mag men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel grootere groep, die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden zijn bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij ons door vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der Reptielen voeren.
Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met behulp hunner wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij zullen nu den mensch beschouwen, zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders gedeeltelijk te beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet in nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire deelen die de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu en dan door atavisme bij hem vertoonen, en door behulp van de beginselen der morphologie en embryologie. De verschillende feiten waarop ik hier zinspeel, zijn in de vorige hoofdstukken medegedeeld. De vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld eens geheel met haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een staart, die de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en lichamen werden ook in beweging gebracht door vele spieren, die tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen, maar bij de apen normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger tijdperk bezat het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum (blinden darm), dan tegenwoordig. Te oordeelen naar de plaatsing van den grooten teen bij den foetus, was de voet toen een grijporgaan; en onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen te leven en bewoonden een of ander warm boschrijk land. De mannetjes bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als geduchte wapenen.
In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de uitwerpselen door een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door een derde ooglid (membrana nictitans). In een nog vroeger tijdperk waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want de morphologie leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde zwemblaas bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De spleten in den hals van den menschelijken embryo toonen de plaats waar zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer in dit zelfde tijdvak vervulden de oernieren (corpora Wolffiana) de plaats der ware nieren. Het hart bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat en de wervelkolom werd vervangen door een ruggestreng (chorda dorsalis). Deze vroege voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd zijn geweest, dan de Slakprik of Amphioxus.
Besluit.—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in de organische reeks, welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en deze berust op de hoegrootheid der differentiatie en specialisatie van de verschillende deelen van het zelfde wezen, als het, zooals ik geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen. Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame wijze geschikt zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun organen, wegens het voordeel, verkregen door de verdeeling van den physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende functies gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel schijnt soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig ander en geheel verschillend doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle deelen hoe langer hoe samengestelder geworden. Elk organisme zal echter in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van den stamvorm waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met deze beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische bewijzen wenden, dat de organisatie over de geheele wereld met langzame en afgebroken stappen is vooruitgegaan. In het groote onder-rijk der Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch. Men moet echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd worden verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte groepen hebben doen geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars van haar voorgangers, zijn niet altijd beter geschikt voor alle plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude vormen schijnen te zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar zij niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons dikwijls bij het opmaken van onze stamboomen door ons een goed denkbeeld te geven van voormalige verloren gegane bevolkingen. Wij moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om de bestaande leden van de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor volmaakte vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.
Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende lengte, maar, het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men heeft dikwijls opgemerkt dat de wereld juist zoo is ingericht, alsof zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van den mensch; en dit is in zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het aanzijn verschuldigd aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze voorouders en bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons geenszins over hen te schamen. (22) Het nederigste organisme staat een weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze voeten; en niemand kan met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren, zonder in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en eigenschappen.
AANTEEKENINGEN.
(1) Vergelijk aanteekening 6, blz. 217.
In Texas leeft een soort van mieren, die de zaden van een bepaalde grassoort op daartoe toebereiden grond zouden uitzaaien, oogsten en bewaren, en een deel van den oogst weêr tot uitzaaiing gebruiken, dus landbouw beoefenen. Volgens andere berichten zouden zij die „mierenrijst”, echter niet zaaien, maar eenvoudig alle andere planten op de plekken waar die groeit, vernielen, met andere woorden: wieden. Hierdoor kan de „mierenrijst” natuurlijk weliger groeien.
Men vergelijke over de mieren ook „Ontstaan der Soorten”, 3e Ned. Uitgaaf, blz. 304, 315, 353, 362, 366, 408; Büchner, Dr. L., „Uit het Leven der Dieren”, Nijmegen, 1877, en vooral Sir John Lubbock, „Ants, Bees and Wasps. A Record of Observations on the Habits of the Social Hymenoptera”, 9de Uitgaaf, deel uitmakende van de bekende „International Scientific Series.”
(4) Ik ben bewust, dat velen het woord Snaveldieren voor een Germanisme verklaren. Het is echter goed gevormd volgens de regels der Nederlandsche taal en m.i. fraaier dan vogelbekdier (dat vooral in samenstellingen als Eendvogelbekdier en Egelvogelbekdier afschuwelijk is). Den naam Vogelbekdier wensch ik alleen gegeven te zien aan Ornithorhynchus (waarvan het de letterlijke vertaling is) en die van Snaveldieren aan alle Monotremata. Voor Echidna sla ik den naam Stekeldier voor. Gestekelde miereneter, zooals Lubock hem noemt, kan aanleiding geven tot verwarring met de eigenlijke miereneters (Myrmecophaga) die tot een geheel andere Orde en zelfs Onder-klasse der Zoogdieren behooren.
(5) Bij eenige buitengewoon behaarde individu’s van de Japansche Aino’s (gelijk bekend is, een buitengewoon harig volk) vond B. H. Chamberlain („Memoirs of the Literature College of the University of Japan”, 1886, afl. 1) dat de haren op het borstbeen, tusschen de schouders en billen juist zoodanig gericht waren als het nuttigst zou zijn om den regen af te doen druppelen. De daar groeiende haarbossen waren verscheidene Eng. duimen lang.
Wij meenen daarom, dat het beter is de ware apen in drie hoofdgroepen van gelijke waarde te verdeelen: 1o. de Catarrhinae of Heopitheci (Apen der Oude Wereld); 2o. de Cebidae of Hesperopitheci (voor welke groep men ook den naam Platyrrhinae (in beperkten zin) zou kunnen behouden); 3o. de Hemipitheci of Hapalidae (Eekhoornapen). Deze laatste vertegenwoordigen o.i. de Nieuwe Wereld de Lemuriden der Oude Wereld. Deze indeeling komt met die van Mivart (blz. 274, noot) overeen maar wijkt o.i. belangrijk van de door Darwin (blz. 273) gegeven rangschikking af. De verschillen blijken uit de volgende tabel:
Catarrhinae of Heopitheci Platyrrhinae.

Hesperopitheci Hemipitheci
32 tanden. 36 tanden. 32 tanden.
4 valsche en 6 ware maaltanden in elke kaak. 6 valsche en 6 ware maaltanden in elke kaak. 6 valsche en 4 ware maaltanden in elke kaak.
Platte nagels. Platte nagels. Klauwvormige nagels met uitzondering van die van den duim der achterhanden.
Duim der voorhanden ontbreekt slechts zeer zelden en is van de vingers verwijderd. Duim der voorhanden ontbreekt bij velen en is, waar hij aanwezig is, van de vingers verwijderd. Duim der voorhanden ontbreekt nimmer en is niet van de vingers verwijderd.
Neusschot smal, neusgaten voor- en benedenwaarts gekeerd. Neusschot breed, neusgaten zijdelings gekeerd. Neusschot breed, neusgaten zijdelings gekeerd.
Het voorhoofdsbeen zet zich bij vele tusschen de oogkassen boven de neusbeenderen voort en is aldaar bol verheven.
Sommige staartloos, nimmer een grijpstaart. Alle gestaart, bij vele een grijpstaart. Alle gestaart, nimmer een grijpstaart.
Bij de meesten eeltplekken aan de billen, bij velen wangzakken. Nimmer eeltplekken aan de billen, noch wangzakken. Nimmer eeltplekken aan de billen, noch wangzakken.
Zoo wij in deze tabel van „voor-” en „achterhanden” spreken, hoewel wij in aanteekening 14, blz. 41, hebben opgemerkt, dat de zoogenaamde achterhanden der apen eigenlijk ware voeten zijn, was zulks slechts om ons aan het eenmaal aangenomen spraakgebruik te houden.
Wat de in de volgende alinea door Darwin aangestipte vraag aangaat, of de anthropomorphen als een afzonderlijke groep der Catarrhinae moeten worden beschouwd, willen wij nog het volgende opmerken:
Haeckel verdeelt de Apen der Oude Wereld in twee ondergroepen: 1o. Catarrhinae met een staart (Menocerca) en 2o. Catarrhinae zonder staart (Lipocerca). De groep der Lipocerca omvat de Anthropomorphen en den Mensch, die der Menocerca de overige Apen der Oude Wereld. Deze laatste worden, al naar zij wangzakken bezitten of niet, in de beide families der Ascoparea en Anasca onderscheiden („Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1ste uitgaaf, blz. 570). R. Hartman, hoogleeraar aan de Universiteit te Berlijn, geeft in zijn werk: „Die Menschenähnl. Affen”, Leipzig, Brockhaus, 1883, blz. 268, de volgende indeeling van de Orden der Primaten en Lemuriden (hij scheidt deze laatste als afzonderlijke Orde af van die, welke den mensch en de ware apen omvat), met welke ik mij in hoofdzaak goed kan vereenigen, schoon ik Hapale als een derde zelfstandige Onder-familie van de eigenlijke apen (Simiina) beschouw.
1. Zoogdieren (MAMMALIA).
A. Monodelphia Blainv. (Placentalia Owen).
1. Orde: PRIMATES L. 1. Familie: Primarii. 1. Onder-familie: Erecti (de Mensch, Homo sapiens). 2. Onder-familie: Anthropomorpha L. a) Dasypoga (d.i. zonder eeltplekken aan de billen). 1. Geslacht: Troglodytes. Soorten: T. Gorilla en T. niger (Chimpanzee) enz. 2. Geslacht: Pithecus. Soort: P. Satyrus (Orang Oetan). b) Tylopoga (d.i. met eeltplekken aan de billen). 3. Geslacht: Hylobates. Soorten: de Gibbons. 2. Familie: Eigenlijke Apen (Simiina). 1. Onder-familie: Catarrhina. Geslachten: Semnopithecus, enz. 2. Onder-familie: Platyrrhina. Geslachten: Mycetes, Cebus, Hapale enz.
2. Orde: PROSIMII (Halfapen of Lemuridae).
De Lemuriden kunnen o.a. ook daarom niet met den mensch en de apen in de zelfde orde worden vereenigd, omdat zij van hen afwijken in den vorm der eivliezen en van de placenta, welke laatste bij hen, gelijk Milne Edwards („Compt. rend.”, T. LXXIII, blz. 422) heeft aangetoond, klokvormig is en veel meer nadert tot die der Carnivora, dan tot die van den mensch, de apen, vledermuizen, insectivoren en knaagdieren, wier gemeenschappelijke voorouders waarschijnlijk tot de Lemuriden behoorden. Ook de anatomische verschillen zijn daartoe te groot.
(7) De maag der Slankapen bestaat uit drie deelen: het cardiale gedeelte, waarin de slokdarm uitmondt, bezit inwendig een gladde oppervlakte; het tweede gedeelte bestaat uit een dubbele rij zakjes; het derde of pylorusgedeelte is langwerpig van vorm, bezit nog eenige insnoeringen, evenals een karteldarm, doch wordt aan het einde van eenvoudiger maaksel.
(8) Mesopithecus penthelicus Gaudry. In het maaksel van den kop geleek hij op Semnopithecus, in dat der ledematen op Macacus.
(9) Onder al de verdraaide voorstellingen die de tegenstanders der ontwikkelingstheorie van de denkbeelden der Darwinisten gelieven te geven, is er wellicht geen belachelijker, dan dat de Darwinisten zouden beweren, dat de mensch uit een der thans levende aapsoorten zou zijn ontstaan. Tot hun verontschuldiging kan men bijbrengen, dat juist de hevigste tegenstanders meestal personen zijn, die de eerste beginselen missen van de kundigheden, noodig om de stellingen der Darwinisten te beoordeelen, en wier uitspraken daaromtrent slechts even zoo vele bewijzen zijn hunner onwetendheid. Daar de ontwikkelingstheorie berust op het denkbeeld, dat de thans levende hoogere diersoorten slechts gewijzigde afstammelingen zijn der uitgestorvene, ligt het voor de hand, dat twee thans levende hoogere diersoorten nimmer in rechte lijn met elkander verwant kunnen zijn, maar dat hun verwantschap beter zou kunnen worden uitgedrukt door het woord „neef.” Niemand zal dus zoo dwaas zijn te beweren, dat de mensch van den gorilla, chimpanzee of orang afstamt, schoon deze dieren zeker tot onze naaste familie behooren. Het is dus zeer duidelijk, hoe onze vaderlandsche geleerden Schroeder van der Kolk en Vrolik hebben kunnen zeggen: „Wij kennen geen soort van apen die een directen overgang tot den mensch vormt. Wilde men met geweld den mensch van de apen afleiden, dan zou men zijn hoofd moeten zoeken bij die kleine apen, die zich om de Ouistiti’s en Rolapen groepeeren, zijn hand bij den Chimpanzee, zijn skelet bij den Siamang, zijn hersenen bij den Orang” („zijn voet bij den Gorilla”, voegt Vogt er bij). Zij hebben daardoor voldingend bewezen, dat de mensch niet in rechte lijn van die apen afstamt, iets dat eigenlijk niet behoefde te worden bewezen, daar niemand zulks beweert. Zij hebben daardoor echter ook voldingend bewezen, dat de mensch met al die apen nauw verwant is. Evenzoo nadert het Fransch in sommige opzichten tot het Italiaansch, in andere tot het Spaansch, wederom in andere tot het Roemenisch, terwijl het Spaansch wederom met het Portugeesch overeenkomt in punten, waarin het van het Fransch en Italiaansch afwijkt, enz. Dit bewijst, dat het Fransch geen dochtertaal is van een der genoemde talen, maar tevens, dat zij allen afstammelingen zijn van een zelfde oude, doode taal, het Latijn. De kinderen der verschillende menschenrassen gelijken meer op elkander, dan de volwassen individu’s, evenzoo gelijken de jongen der apen meer op onze kinderen en op elkander, dan de volwassen apen op ons en op elkander. Wij hebben hier dus een aantal convergeerende lijnen die elkander in een achter ons gelegen punt moeten snijden. De ontwikkelingsgeschiedenis van het individu toch geeft de ontwikkelingsphasen die het type heeft doorloopen, terug. Als dus de jonge apen meer op onze kinderen gelijken, dan de volwassen apen op ons, dan is er een tijd geweest dat de voorouders der tegenwoordige apen meer op onze voorouders geleken, dan de tegenwoordige apen op ons. Als er een tijdstip in de embryonale ontwikkeling is, waarop de embryo van een aap niet van een menschelijk embryo is te onderscheiden, dan is er ook een tijdstip geweest, waarop de voorouders der tegenwoordige apen de zelfde kenmerken hadden, tot de zelfde soort behoorden, als de onze. Iedere ontwikkelingsphase van het menschelijk type is op die wijze om zoo te zeggen pro memoria aangeteekend in de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu.
(10) Haeckel ontwikkelde in de eerste uitgaven zijner „Natürliche Schöpfungsgeschichte” (1ste uitgaaf, blz. 619), het denkbeeld, dat de oorspronkelijke bakermat van het menschelijk geslacht een thans onder den spiegel van den Indischen Oceaan verzonken vasteland zou zijn geweest, dat zich ten zuiden van het tegenwoordige Azië (en waarschijnlijk daarmede verbonden) eenerzijds tot Achter-Indië en Insulinde, anderzijds westelijk tot Madagascar en Zuid-oostelijk Afrika uitstrekte. Dit hypothetische vasteland is wegens de Lemuriden die sommige nog overgebleven deelen er van bewonen, door den Engelschman Sclater Lemuria genoemd. Deze hypothese moet als onjuist worden beschouwd. Er leven ook op het vasteland van Afrika Lemuriden en in Noord-Amerika zijn fossiele Lemuriden gevonden. Daarenboven is de Indische Oceaan grootendeels zeer diep, en het is in hooge mate onwaarschijnlijk, dat daarin ooit een vasteland zou hebben gelegen. In zijn „Darwinism”, 2de uitgaaf, Londen 1889 geeft A. R. Wallace een wereldkaart, waarop de lijn van 1000 vademen diepte is aangegeven, die, gelijk hij in het breede aantoont, bijna overal de uiterste grens aangeeft tot welke zich ooit het vasteland kan hebben uitgestrekt. Men vergelijke het nevensgaande kaartje, dat echter in tegenoverstelling van dat van Wallace ook de omstreken der polen bevat, en waarvan de projectie mij voor het beoogde doel beter en duidelijker schijnt dan de door Wallace gebruikte projectie. Op dit kaartje zijn al de gedeelten der zee, die minder dan duizend vademen diep zijn, wit geteekend. Het onderstelde Lemuria valt bijna overal buiten de lijn van 1000 vademen diepte en heeft derhalve nooit bestaan. In de eerste uitgaaf van de Nederlandsche vertaling maakte ik omtrent het oorspronkelijk vaderland van den mensch de volgende opmerking: „Het is even waarschijnlijk, dat het Aziatisch gewest van Insulinde, waar thans nog de Orang en de Gibbons leven, de oorspronkelijke bakermat van den mensch is, als West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla. Bedenken wij echter, dat alle volken van Afrika dolichocephaal zijn, en ook de Chimpanzee en Gorilla dit kenmerk vertoonen, terwijl het Maleische ras en vele andere Aziatische stammen brachycephaal zijn evenals de Orang en de Gibbons, bedenken wij verder, dat evenals ten Oosten van het vaderland van Chimpanzee en Gorilla een door Lemuriden bewoond eiland (Madagascar) ligt, ook het oostelijk deel van het Aziatisch gewest van Insulinde door een door Lemuriden bewoond eiland (Celebes) wordt ingenomen, ja, dat ook op Borneo, Sumatra en Java Lemuriden wonen, en dat de Lemuriden volgens Darwin en Haeckel de stam zijn, waaruit zich de ware apen en de mensch hebben ontwikkeld, dan rijst de vraag op, of de oorspronkelijke mensch niet op minstens twee afzonderlijke plaatsen is ontstaan: 1o. In Zuid-west-Afrika uit met den Chimpanzee en Gorilla verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stamvorm der Negers, Kaffers en Hottentotten zijn, en 2o. In het Aziatische gewest van Insulinde uit met den Orang en de Gibbons verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stam der Aziatische volken zijn geweest.” Hierbij komt nog, dat de Chimpanzee en Gorilla zwart zijn als de Negers, de Orang bruin als de Maleiers.
Sedert is echter door den Markies de Saporta een geheel nieuwe hypothese omtrent het oorspronkelijke vaderland van den mensch geopperd, die mij uiterst waarschijnlijk en ook uit een algemeen geologisch en palaeontologisch oogpunt hoogst belangrijk voorkomt. Ik heb haar daarom nader uiteengezet en uitgebreid in een artikel over „Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen in het palaeolithische tijdperk”, dat ik achter het eerste gedeelte van Darwin’s werk (tusschen Hoofdstuk VII en VIII) inlasch en waarnaar ik verder verwijs. Ik zal daar het kaartje ook verder bespreken.
(11) De meening, dat de mensch niet reeds gedurende het zoogenaamde Diluvium (de Pleistocene vorming) bestond (dit laatste is een volkomen bewezen, niet meer te betwijfelen feit), maar dat zijn geslacht zelfs opklimt tot de oude tertaire tijden, wordt zeer gesteund door verscheidene overblijfselen van menschelijke nijverheid, of ten minste van stukken vuursteen die sporen van bewerking schijnen te vertoonen, welke men in verschillende tertaire lagen heeft gevonden.
Zoo vond de Abt Bourgeois in het Calcaire de la Beauce in de gemeente Thénay, dicht bij Pont-Leroy, alwaar dit 4,80 meter dik is en uit afwisselende lagen mergel, leem en zoetwater-kalksteen bestaat, in de alleronderste, uit mergel bestaande laag eenige, en in de onmiddellijk daarop rustende gele of groenachtige leem talrijke bewerkte vuursteenen. Op het Calcaire de la Beauce rusten in die gemeente de zoogenaamde Sables de l’Orléanais; ook in deze vond hij zeer grof en onvolmaakt bewerkte vuursteenen en een bal („galet”), uit een kunstmatig, kool bevattend deeg vervaardigd, te zamen met beenderen van groote Olifantachtige Dieren en van Dinotherium. Deze Sables de l’Orléanais behooren evenals de daarboven gelegen Faluns de la Tourraine, die uit grijs, met zeeschelpen en zoogdierbeenderen vermengd zand bestaan, tot de Miocene vorming. Ook in de Faluns de la Tourraine vond de Abt Bourgeois bewerkte vuursteenen met de schelpen vermengd; zij vertoonen sporen van lang door het water te zijn heên en weêr gerold en zijn waarschijnlijk tijdens de vorming der Faluns door de zee uit de onderliggende lagen losgespoeld.
Ook in de Miocene lagen van Lelles sur Cher (Loir-et-Cher) vonden de Abt Bourgeois en de heer Vibraye, en in die van Pouancé (Maine-et-Loire) de abt Delaunay sporen van den tertiairen mensch.
In de Sablonières de St. Prest (Eure-et-Loir), die tot de Pliocene vorming behooren, zijn in 1863 beenderen van Rhinoceros leptorhinus, Elephas meridionalis en Hippopotamus gevonden, waarop de heer Desnoyers strepen of sporen van insnijdingen ontdekte, door ’s menschen hand gemaakt, zeer duidelijk en regelmatig, volkomen overeenkomende met die welke zijn waargenomen op de fossiele beenderen van nieuwere zoogdiersoorten. De heer Issel vond dergelijke overblijfselen in de Pliocene vorming van Colle del Vento in Savoye. Omtrent menschelijke overblijfselen uit de oudere Pliocene-periode, in Italië in het Tiberdal gevonden, vergelijke men de mededeelingen van G. Marinoni, G. R. Gualterio en A. Issel in „Atti della società Italiana die scienze naturali”, 1868 (en beknopt in „Neues Jahrb. f. Miner.”, 1871, blz. 196). In Portugal werden bewerkte vuursteenen in tertiaire lagen van het dal van den Taag bij Lissabon door den geoloog Carlos Ribeira gevonden, en tijdens het internationale voorhistorische congres te Lissabon in 1880 en 1881 door verschillende Fransche, Engelsche en Duitsche geleerden van grooten naam die ook de vindplaatsen bezochten, als echt erkend.
In zijn in den winter van 1868 te Rotterdam gehouden lezingen deelde Carl Vogt mede, dat men in het dal van den Manzanares in zekere laag een volledig skelet van Elephas meridionalis en in een daaronder gelegene en dus oudere laag overblijfselen van menschelijke kunstvlijt en zelfs menschenbeenderen had gevonden. Elephas meridionalis nu sterft reeds in de Pliocene vorming uit.
Ook de in 1844 het eerst beschreven, in den vulkanischen tuf van den uitgebranden vulkaan van Denise nabij le Puy en Velay gevonden fossiele menschenbeenderen behooren wellicht tot het tertiaire tijdvak.
Omtrent tertiaire menschenbeenderen en steenen voorwerpen uit Californië zie men de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk.
(12) Prof. Cope beschreef in „The Amer. Naturalist” van Jan. 1882, blz. 73, onder den naam van Anaptomorphus Homunculus een lemuride, waarvan de schedel in de Eocene lagen van westelijk Noord-Amerika is gevonden, en die volgens hem meer nadert tot den hypothetischen lemuroïden voorvader van den mensch dan eenige tot dusver ontdekte soort. In zijn tandstelsel nadert dit dier eensdeels tot de Indri’s van Madagascar, van den anderen kant tot de echte apen en vooral tot den mensch. De hoektanden zijn zeer klein, de tanden vormen een onafgebroken reeks en staan verticaal. De groote hersenen hadden voor een Eoceen zoogdier een aanzienlijk volumen. De groote oogholten pleiten voor een nachtelijke levenswijze.
(13) Een vijftal jaren geleden is het gebleken, dat de Snaveldieren eierleggende dieren zijn, en dus ook in dit opzicht van de overige zoogdieren afwijken en tot de reptielen en andere lagere klassen der gewervelde dieren naderen.
In September 1884 werd dit, wat Ornithorhynchus aangaat, ontdekt door Caldwell te Sydney. Hij ontdekte tevens, dat het ei meroblastisch is, d.w.z. een dojerblaas bezit, en dus in zijn ontwikkeling groote overeenkomst heeft met dat der Reptielen, vooral der slangen en hagedissen, en niet met dat der Amphibieën. Het ei is uitwendig met een fijn net van dunne kalkvezeltjes bedekt en gelijkt het meest op dat van sommige slangen.
Reeds in Augustus 1884 had een andere in Nieuw-Holland verblijfhoudende natuuronderzoeker, Dr. Wilhelm Haacke, bij Echidna in een zich tijdelijk bij het wijfje vormenden zak het met een perkamentachtige schaal bedekte ei van dit dier ontdekt. Hij maakte die ontdekking echter eerst in December, dus na Caldwell, publiek.
Men vergelijke ook het stuk van Dr. D. Lubach, „Eierleggende Zoogdieren” in Alb. d. Natuur 1886.

In 1886 werd door Miklucho-Macklay aangetoond, dat de lichaamstemperatuur van Ornithorhynchus 25,2 °C. en die van Echidna 28 °C. is. Bij de hoogere zoogdieren is die temperatuur veel hooger en gelijk of nagenoeg gelijk aan die van den mensch. Ook in dit opzicht vormen dus de Snaveldieren een overgang tusschen de hoogere zoogdieren en de koudbloedige Reptielen en Amphibieën.
Ofschoon de Snaveldieren geen eigenlijke tepels bezitten, bezitten zij echter wel zogklieren. Deze scheiden echter geen eigenlijk gezegde melk af. Het zijn gewijzigde zweetklieren, terwijl de zogklieren der overige zoogdieren vervormde talkklieren zijn. De gemeenschappelijke voorouders der zoogdieren brachten waarschijnlijk het vocht waarmede zij hun jongen voedden, voort uit een orgaan, dat zoowel uit veranderde zweetklieren als vervormde talkklieren bestond. Bij de typische zoogdieren kwamen de laatste tot bijna uitsluitende ontwikkeling, bij de snaveldieren de eerste. De typische zoogdieren stammen dus niet in rechte lijn van snaveldieren af, maar deze laatste vormen een zelfstandig ontwikkelden zijtak, die echter in organisatie veel dichter bij den oorspronkelijken stam staat dan de typische zoogdieren (Humboldt, Juni 1887, blz. 271).
(14) Als overgangsvormen tusschen de reptielen en de tegenwoordige vogels zijn verder merkwaardig de vogels met tanden (Odontornithes), door Prof. O. C. Marsh in 1870–72 in de krijtformatie van Westelijk Kansas ontdekt. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, Vogels met Tanden, in „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 51, 67. Ook Archaeopteryx is later, nadat men er een tweede, beter bewaard skelet van had gevonden, gebleken tanden te hebben bezeten. Ofschoon het een gevederd en vliegend dier was, bleek Archaeopteryx echter in de meeste opzichten dichter bij de Reptielen dan bij de echte vogels te staan, wat met de Odontornithes geenszins het geval is.
(15) Treffend zijn Tab. XII en XIII van de achtste uitgaaf van Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, die een vergelijking tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van Ascidia en Amphioxus bevatten. Bij de larven van Ascidia vindt men den aanleg eener chorda dorsalis met een centraal zenuwstelsel daarboven, het darmkanaal daaronder gelegen. Het centraal zenuwstelsel bestaat uit een langen draad, die zich aan het kopeinde tot een rond ganglion uitzet; in dien draad bevindt zich een holte, die zich tot in het ganglion voortzet. Met het ganglion hangen zintuigen te zamen, die gehoor- en gezichtswerktuigen schijnen te zijn, en de zelfde betrekkelijke ligging hebben als bij de embryo’s der Gewervelde Dieren (Kupffer, „Die Stammverwandtschaft zwischen Ascidiën und Wirbelthieren”, Bonn, 1870). Bij de verdere ontwikkeling der Ascidiën verliezen de larven haar staart en daarmede tevens de chorda dorsalis en draadvormige zenuwstreng, zoodat dan de gelijkenis met Gewervelde Dieren geheel verloren gaat.
Over deze quaestie is in den jaargang 1873 van Isis een wetenschappelijke discussie gevoerd tusschen Dr. P. J. F. Vermeulen (destijds leeraar aan de Roomsch-Katholieke Hoogere Burgerschool te Rolduc) en schrijver dezes. Destijds heb ik er reeds op gewezen, dat wanneer met de Ascidiën verwante wezens als stamvorm der Gewervelde Dieren moesten worden opgegeven, vele gronden waren aan te voeren voor de meening, dat de Gewervelde Dieren afstamden van Gelede Dieren (waartoe ik ook de eigenlijke Ringwormen reken). Dit gevoelen werd spoedig daarop ook door anderen, die er echter geheel onbekend mede waren, dat ik het reeds vroeger had uitgesproken, verdedigd, en niet slechts theoretisch verder uitgewerkt, maar ook door waarnemingen gesteund.
Dr. Dohrn te Napels, stichter en directeur van het Zoölogisch Station aldaar, wees er namelijk in een in 1875 verschenen geschrift („Ueber den Princip des Functionswechsels”, Leipzig, Engelmann) op, dat bij zeer laag staande visschen reeds punten van overeenkomst in anatomischen bouw met de Manteldieren worden gevonden, en stelde de vraag, in welk opzicht de levenswijze der Manteldieren met die van bedoelde visschen overeenkomt? Hij antwoordde daarop, dat zoowel de Manteldieren als die visschen een half of geheel parasitisch leven leiden of toch ten minste op den zeebodem vastgegroeide wezens zijn geworden. In deze levenswijze zocht nu Dohrn de oorzaak van de lage organisatie. Alle woekerdieren gaan, gelijk Dohrn aantoonde en ook algemeen bekend is (men vergelijke Vogt’s stuk over „Woekerdieren en aanverwant gespuis” in Isis 1875, blz. 197), ten gevolge hunner levenswijze in organisatie achteruit. Dikwijls zien wij, zegt Vogt (ib. blz. 203), „hoe het woekerdier in het binnenste van het lichaam van zijn gastheer aangekomen, langzamerhand een menigte van organen afwerpt, die het niet meer kan gebruiken en die door het niet meer gebruiken allengs verdwijnen; zintuigen en bewegingsorganen, organen van bloedsomloop en ademhaling, ja zelfs ten laatste de verteringsorganen, waarvan de nevenklieren afnemen, tot zelfs het darmkanaal verarmt, zich aan het achterste einde als een blinde zak sluit, en eindelijk zelfs geheel en al verdwijnt, om evenals de andere organen, voor het eenige stelsel plaats te maken, dat zich op kosten der andere ontwikkelt, namelijk het voortplantingsstelsel.” Woekerdieren onttrekken zich door hun levenswijze aan den voor de ontwikkeling der organen zoo noodzakelijken strijd om het bestaan, het gevolg daarvan is achteruitgang der organen. Dohrn voegde daarom bij Darwin’s beide beginselen, de aanpassing en de erfelijkheid, nog een derde, dat even krachtig op de organisatie terugwerkt, namelijk het parasitisme of woekerleven.
Volgens deze beschouwing van Dohrn zouden derhalve de Manteldieren werkelijke, doch door parasitisme achteruitgaand ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn, die zich tot de overige Gewervelde Dieren ongeveer even zoo verhouden als de (eens tot de wormen gerekende) Linguatulinen (vergelijk Harting’s „Leerboek” III, 1, blz. 359) tot de overige Spinachtige Dieren.
Dohrn onderscheidde echter nog een vierde beginsel, door hem „Princip des Functionswechsels” genoemd. Elk orgaan, zegt hij, bezit meer dan ééne functie, ééne daarvan is hoofdfunctie, de andere zijn nevenfuncties. Nu kan echter een nevenfunctie zoo op den voorgrond treden, dat zij de andere verdringt, en daardoor verkrijgt het orgaan een andere beteekenis in de huishouding van het lichaam en ondergaat tevens secundaire wijzigingen in zijn bouw. Zoodoende kan b.v. uit een oorspronkelijk eenvoudige maag een kliermaag en een spiermaag ontstaan.
Deze beschouwingen verder uitwerkende, kwam Dohrn tot de hypothese: „dat de mond der tegenwoordige Gewervelde Dieren vroeger op een geheel andere plaats, namelijk in de streek van de tegenwoordige vierde hersenholte (ventriculus quartus) heeft gelegen, en dat onze tegenwoordige mond bij de stamouders der Gewervelde Dieren slechts een kieuwspleet is geweest.” Het spijsverteringskanaal zou destijds het tegenwoordige ruggemerg hebben doorboord, onze tegenwoordige buikzijde rugzijde zijn geweest en omgekeerd, het ruggemerg zou buikmerg zijn geweest, evenals bij de tegenwoordige Gelede Dieren, het verlengde merg en de hersenen zouden een slokdarmring hebben gevormd. Op deze wijze ontstaat een volkomen homologie tusschen het zenuwstelsel der Gewervelde Dieren en dat der Ringwormen. De plaatsverandering van den mond is geen grooter wonder dan die van het eene oog bij de tegenwoordige platvisschen, bij welker jongen de oogen symmetrisch liggen, evenals bij de andere Gewervelde Dieren, terwijl zij bij de ouden asymmetrisch, beide aan ééne zijde van het lichaam liggen. De uitwendig zichtbare geleding der Gelede Dieren wordt bij de tegenwoordige Gewervelde Dieren inwendig nog aangeduid in de wervelkolom, en is bij hun embryo nog duidelijker in de zoogenaamde voorwervels, die geenszins uitsluitend de beginsels van wervels, maar bovendien die van de rugzenuwknoopen en van het geheele zijdespierstelsel zijn.
Ook Leydig, Hatschek, Kleinenberg, Eisig en anderen hebben vervolgens de hypothese uitgesproken en met groot talent verdedigd, dat van alle ongewervelden de Ringwormen de meeste overeenkomst met de Gewervelde Dieren vertoonen, en dat zij en de Arthropoda (Schaaldieren, Spinnen, Insekten, Duizendpooten) afstammen van een oorspronkelijken diervorm, die in maaksel min of meer overeenkwam met Polygordius.
Gegenbaur en Haeckel hebben zich echter nooit met dit denkbeeld kunnen vereenigen. Eerstgenoemde wijst op het centraalzenuwstelsel der Nemertinen (de hoogst bewerktuigde der zoogenaamde Platwormen), dat bestaat uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, waarvan twee zijdelingsche zenuwstammen uitgaan, als een zeer oorspronkelijken toestand, waaruit, doordat die zenuwstammen bij sommige soorten hooger, bij andere lager gelegen zijn, door samensmelting aan de buikzijde de buikstreng en slokdarmring der Ringwormen en Arthropoda zou kunnen worden afgeleid. Harting („Leerboek der Dierkunde”, 1874) wees van den anderen kant op de mogelijkheid van een dergelijke rugwaartsche vereeniging, waaruit dan een ruggemerg kon ontstaan. Balfour en Hubrecht (destijds conservator aan ’s Rijks Museum te Leiden, thans Hoogleeraar in de Dierkunde te Utrecht) kozen aan die zijde partij, de eerste door in zijn „Development of Elasmerobranch Fishes”, blz. 171, zulk een ontwikkelingsgang nog eenmaal te schetsen, de laatste door de feiten te rangschikken, welke zich in het maaksel van sommige Nemertinen aan hem hadden doen kennen, en welke inderdaad ten duidelijkste aantoonden, dat de zijdelingsche zenuwstammen onmiskenbaar een neiging tot rugwaartsche verplaatsing vertoonen („Verhandelingen v. d. Kon. Akad.”, Amsterdam, 1880).
In een verhandeling „Over de voorouderlijke stamvormen der Vertebraten”, in 1883 door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam uitgegeven, ging Hubrecht echter verder, en voerde vele feiten aan tot staving der hypothese, „dat de slurp der Nemertinen, die ontstaat als een voor instulping vatbaar orgaan, dit geheel afkomstig is zoowel phylo- als ontogenetisch (d.i. zoowel in de ontwikkeling der soort als van het individu) uit het epiblast, en die zijn weg neemt door het hersenganglion, homoloog is aan het rudimentaire orgaan, dat men in de geheele reeks der Vertebrata aantreft: de hypophysis cerebri” (hersenslijmklier). „De slurpscheede der Nemertinen is vergelijkbaar in ligging (en in ontwikkeling?) met de chorda dorsalis” (ruggestreng) „der Gewervelde Dieren.” Verder toonde hij zich zeer geneigd van de darmuitstulpingen der Nemertinen als de voorloopers te beschouwen der coelomzakken, die dan weder met die van de Amphioxus-(slakprik-)larve vergelijkbaar zouden zijn.
Hij wees er echter uitdrukkelijk op (hetgeen evenwel voor iemand die goed met Darwin’s theorie bekend is geen betoog behoefde), dat hij geenerlei directe verwantschap (in rechte lijn namelijk) tusschen hedendaagsche Nemertinen en Vertebrata beoogde, maar slechts trachtte aan te toonen, dat het algemeen bouwplan eener Nemertine meer beantwoordt aan dat van een gewerveld dier dan b.v. dat van de Oer-ringwormen (Archi-Anneliden), en dat de schakel die Coelenteraten-voorouders met gewervelde afstammelingen verbindt, waarschijnlijk vormen heeft omvat, die in het bezit waren van twee zijdelingsche zenuwstammen, welke zich rugwaarts hebben vereenigd, en die een ektodermale slurp bezaten met functies welke later verdwenen of gewijzigd zijn, toen deze dieren langzamerhand uit het Plathelminthen- in het Chordaten-Type overgingen.
Gelijktijdig met dezen overgang van het type der Coelenteraten (Maagzak- of Neteldieren, waartoe de Kwallen, de Polypen of Veelvoeten en de Sponzen behooren) naar dat der Chordata (Ruggestrengdieren) moeten ook volgens Hubrecht de hoogst belangrijke processen zijn ingetreden, die tot de vorming leidden van een lichaamsholte, afgescheiden van het oer-ingewand (archenteron). De ontwikkelingsgeschiedenis leert ons, dat zekere uitstulpingen van dit laatste, die aanvankelijk daarmede in open verbinding staan, later worden afgesnoerd en de zoogenaamde splanchnische en somatische lagen vormen, tusschen welke de lichaamsholte besloten is.
De schitterende onderzoekingen van Lang over Gunda segmentata (een Platworm) en van Hatschek over de ontwikkeling van den slakprik (Amphioxus) moeten hier in de eerste plaats tot richtsnoer strekken.
Wij verwijzen verder belangstellenden naar het oorspronkelijke.
In het 93ste deel van de negende uitgaaf der „Encyclopedia Britannica”, in 1888 verschenen, komt een belangrijk artikel over Vertebrata voor van Prof. E. Ray Lankester, waarin het vraagstuk van de afstamming der Gewervelde Dieren in aansluiting met de denkbeelden van Hubrecht, een belangrijke schrede verder werd gebracht. Wij ontleenen daaraan het volgende.
De onderscheidene kenmerken der Gewervelde Dieren zijn, dat zij allen, hetzij als volwassen dieren, hetzij gedurende een gedeelte hunner embryonale ontwikkeling, zijdelingsche openingen (kieuwspleten) bezitten, die uit de keel naar buiten loopen, dat zij allen een wervelkolom, of zoo niet, dan toch een ruggestreng (chorda dorsalis) bezitten, en dat het centraal-zenuwstelsel, dat steeds oorspronkelijk den vorm van een buis bezit, aan de rugzijde van het dier boven die wervelkolom of ruggestreng is gelegen. Bij alle Gewervelde Dieren in de oude beteekenis van het woord (Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen, met uitzondering van Amphioxus) bedraagt het aantal kieuwspleten hoogstens acht, meest veel minder, bij Amphioxus veel meer (honderd of meer).
Daar de larven der Ascidiën in alle drie deze kenmerken met de Gewervelde Dieren overeenkomen, stelde Ray Lankester reeds in 1877 voor ze onder de Gewervelde Dieren op te nemen, en met hen al de overige Manteldieren (Tunicata). Het geslacht Appendicularia (dat tot de laagst ontwikkelde Manteldieren behoort) behoudt levenslang een dergelijken staart als de larven der Ascidiën, en het spierstelsel van dien staart is duidelijk in segmenten verdeeld, evenals men bij de Gewervelde Dieren (in de oude beteekenis) waarneemt, waar die segmentatie beantwoordt aan de wervels (of liever aan de zoogenaamde voorwervels van den embryo).
Balfour geeft er, daar de Tunicata geen wervels bezitten (Amphioxus en eenige lagere visschen trouwens evenmin), de voorkeur aan de Tunicata en de Gewervelde Dieren in een hoogere groep, door hem Chordata genoemd, te vereenigen. Dit is echter enkel een verschil in woorden. Feitelijk komt het op het zelfde neer dat Lankester wil.
Het Onder-rijk der Chordata vervalt dus in vier takken, waaraan R. Lankester de volgende namen geeft:
1. Craniata (Schedeldieren, de Vertebrata van Cuvier).
2. Cephalochorda (Amphioxus, de ruggestreng loopt door tot in het voorste gedeelte van het dier, dat met den kop der schedeldieren overeenstemt).
3. Urochorda (de Manteldieren (Tunicata); bij diegene waar de ruggestreng niet geheel door degeneratie is verloren gegaan, is zij tot het staartgedeelte van het dier beperkt).
4. Hemichorda (Balanoglossus, zeer korte ruggestreng bij den embryo)
Wij zullen omtrent elk dier afdeelingen eenige opmerkingen maken, die met hun afstamming in verband staan.
1. Craniata.
J. Thacher te New-Haven stelde in 1877 een hypothese omtrent den oorsprong van de ledematen der Craniata, welke van die van Gegenbaur (vergelijk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, I, blz. 528) gedeeltelijk afwijkt, en van vele zijden met instemming werd begroet. Hij vergelijkt de parige en onparige vinnen der visschen en verklaart ze voor gelijksoortige organen. Uitsluitend onparige vinnen of liever zoomen bezitten de laagste Craniata (de lampreien) en de Cephalochorda. Eerst bij de haaien vindt men parige vinnen. Evenals de rug- en aarsvin uit mediane plooien of zoomen ontstaan, laat Thacher nu de parige vinnen uit parige zijdeplooien ontstaan, die bij den embryo der hoogere Craniata door de zoogenaamde Wolffsche lijsten worden vertegenwoordigd. Uit de talrijke kraakbeenige stralen waardoor de vinnen worden gesteund, en die oorspronkelijk alle evenwijdig loopen, ontstonden in den loop der palaeontologische ontwikkeling door versmeltingen en verdeelingen het skelet der borst- en buikvinnen en daaruit dat van de ledematen der hoogere gewervelde dieren. Balfour vond deze hypothese bij het onderzoek van haaiembryo’s bevestigd, en ook Dohrn sluit zich bij diens beschouwingen aan.

Fig. 9.
A. Hypothetische oorspronkelijke visch met doorloopende zijdelingsche vinnen S S (parig rechts en links), samenvloeiende met de mediane onparige vin (An), waarvan het achter de aars gelegen gedeelte met S1 en het ruggedeelte met D is aangegeven.
B. Tegenwoordige visch, de betrekking aantoonende, waarin de afzonderlijke parige en onparige vinnen tot de oorspronkelijke hypothetische vinnen van de bovenste figuur staan. BrF linker borstvin (parig); BF linker buikvin (parig); AF onparige aarsvin; SF staartvin (onparig); RF en FF voorste en achterste onparige rugvinnen; An aars. (Naar Wiedersheim.)
2. Cephalochorda.
In vele opzichten draagt Amphioxus (de slakprik), de eenige levende vertegenwoordiger der Cephalochorda, de sporen van af te stammen van een hooger georganiseerden vorm. Ook zijn levenswijze en de aard van zijn voedsel wijzen daarop. Toch stond die voorouderlijke vorm waarschijnlijk ver beneden alle levende Craniata. Er is geen reden om te onderstellen, dat deze voorouder een schedel of eigenlijk gezegde hersenen bezat. Wel bezat die voorvader waarschijnlijk parige oogen, gehoororganen (otocysten) en nieren (nephridia), welk alles Amphioxus mist, en was ook grooter dan deze laatste. De epipleurale plooien, die bij Amphioxus den kap van den bek, de opercula der kieuwen en de daarmede samenvloeiende buikvin vormen, waren waarschijnlijk minder ontwikkelde zijdelingsche lijsten, welke de kieuwspleten van voren en van achteren beschermden, en door hun golving en de verplaatsing van het lichaam in de ruimte hielpen tot stand brengen, terwijl de mediane (onparige) vin en haar stralen goed ontwikkeld en hoofdorgaan voor de verplaatsing waren.
Amphioxus en zijn larve zijn asymmetrisch gebouwd. Er is geen reden om aan te nemen, dat dit ook met den voorvader het geval was.

Fig. 10.
Fritilaria (Appendicularia) furcata, met den staart, die gewoonlijk recht naar beneden hangt en dan met het lichaam een rechten hoek maakt, zoodanig geteekend, dat de overeenkomst met de typische Gewervelde Dieren duidelijker is. a. Gehoorblaas (otocyst) in verbinding met de hersenen; b. reukholte; c. rugkap; d. zenuwbuis, die van de (dikkere) hersenen naar den staart loopt, waar zij één waren zenuwknoop vormt en een reeks kleinere verdikte plaatsen bezit, in aantal overeenstemmende met de „myotomen” of „myomeren” van den staart; e. maag; f. eierstok; g. zaadklier; h. notochorda (urochorda) of primitieve ruggestreng; i. zenuwbuis of myelon (primitief ruggemerg) in den staart; k. vijfde myomeer van den staart (de myomeren correspondeeren met de zoogenaamde voorwervels van de embryo’s der typische Gewervelde Dieren); l. aars; m. hart; n. kieuwspleet; o. endostyl of hypobranchiaalgroef; p. mond.
3. Urochorda.
De Urochorda zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun ontwikkeling zoo weinig meer dan een voorbijgaand spoor van de organen der typische Gewervelde Dieren, dat wij niet kunnen hopen van hen veel positief licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen verkrijgen. Alleen de kleine Appendiculariae (Larvalia) behouden levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde Dieren en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst, uiterst gedegenereerd (Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken omtrent de in meerdere of mindere mate hoogere organisatie van de voorouders der Urochorda, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders een even hooge organisatie als de Craniata hadden bereikt; van den anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop zij zich van de hoofd-afstammingslijn welke tot de Craniata leidt, scheidden, lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de Cephalochorda er zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van de chorda aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel der Craniata dan Amphioxus vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke grootte de Urochorda dichter bij de Craniata plaatst dan Amphioxus. De metamerische myomeren zijn bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken toch ook bij de Urochorda niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij deze in een rudimentairen vorm, welke bewijst, dat zij bij hun voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.
4. Hemichorda.
De Hemichorda (het geslacht Balanoglossus) zijn wormvormige dieren, met langen en van boven naar beneden eenigszins afgeplatten bouw. Voor den mond ligt een lange cylindervormige slurp, en achter den mond een kraag, waarvan de vrije zoom naar achteren gekeerd en homoloog is met de operculaire epipleurale plooien der Cephalochorda en Craniata. Deze homologie wordt aangetoond door een paar kraagporiën, die in de holte van den kraag uitmonden, gelijk de „bruine trechters” van Amphioxus in de epipleuraalholte van dat dier. Een slurpporie, die aan de linkerzijde in den vóór den mond gelegen slurpholte uitloopt (bij B. Kupfferi parig), komt juist overeen met een soortgelijk geplaatste porie, welke bij den jongen Amphioxus (volgens Hatschek, 15) naar het buisvormig orgaan leidt, dat uit de linkerkamer van de holte van den vóór den mond van dat dier gelegen lob komt. De geheele oppervlakte van het lichaam is met trilharen bedekt, gelijk bij de Nemertinen en Echinodermen, maar bij geen enkel der Craniata, Urochorda en Hemichorda het geval is. Op den kraag volgt een doorboorde streek—kieuwspleten, die van de buitenzijde van het lichaam naar de keel loopen. Bij den jongen vorm bestaat er gedurende zekeren tijd, evenals bij Appendicularia en de Ascidiënlarven, slechts één paar kieuwspleten, maar zij nemen later in aantal toe, naarmate het dier langer wordt. De notochorda (ruggestreng, h in Fig. 11) ontstaat bij het jonge dier aan het voorste einde van den hypoblast, en groeit naar voren, als een steunpunt voor de basis van den slurp. Zij is tot deze zeer kleine streek beperkt. De cerebro-spinale zenuwstreng ontstaat door een plaatvormige afscheiding van een vaste streng epiblast in de midden over den rug loopende lijn van het middelste derde gedeelte van het lichaam, daarna breidt hij zich door de invaginatie (samengroeiing) van zijn beide zijden, als een buis, zoowel naar voren als naar achteren uit. Onder de opperhuid bestaat over het geheele lichaam een netwerk van zenuwdraden (en cellen?). Het stelsel van den bloedsomloop is eigenaardig, daar het bestaat uit een voorste hart (in den slurp) en een rugge- en buikvat, welke door een vlecht onderhuidsche vaten worden verbonden. Het spierstelsel van den lichaamswand is niet in achter elkander liggende myomeren verdeeld, maar van den anderen kant zijn de geslachtsdeelen (eierstokken of zaadklieren) zakvormig, en herhalen zich, evenals bij Amphioxus, als een reeks over een groot gedeelte van de lengte van het lichaam. In de keelstreek komen de geslachtszakken in aantal met de kieuwspleten overeen. Er zijn geen nieren (tenzij de snuitporie en de kraagporiën als zoodanig moeten worden beschouwd); maar de bindweefselcellen der lichaamsholte werken als uitscheidende organen, gelijk bij de Echinodermata en de Urochorda, en ook een lang klierachtig orgaan in den slurp, dat aan het uiteinde van de notochorda is vastgehecht, schijnt met deze functie in verband te staan. Niet het minst opmerkelijk bij de Hemichorda is de aard hunner larven. Geen andere Chordata bezitten larvenvormen welke wijzen op het maaksel hunner vroege voorouders uit den tijd toen deze nog geen ruggestreng (chorda) bezaten; hoe belangwekkend de Ascidiënlarven, de jonge Amphioxus en de embryo van den hondshaai (Scyllium) ook zijn, brengen zij ons niet buiten de wereld der chordadieren. Eenige soorten van Balanoglossus (? B. minutus) doorloopen echter een larvetoestand, waarin zij banden van trilharen bezitten, welke larven als Tornaria bekend zijn, en vroeger, voordat haar betrekking tot Balanoglossus was ontdekt, werden beschouwd als echinodermenlarven, met Bipinnaria verwant. Het is onmogelijk de Tornaria-larve van Balanoglossus niet als geheel overeenkomstig met de larven der Echinodermata te beschouwen, en daaruit volgt, dat er tusschen Balanoglossus en de Echinodermata de eene of andere verwijderde genetische betrekking moet bestaan, met andere woorden: dat het verre bloedverwanten zijn.

Fig. 11) Balanoglossus (anatomie en ontwikkeling). (Gewijzigd naar Bateson). A. Balanoglossus Kowalewskii, Bateson; van de kust van Virginië, natuurlijke grootte; a. slurp; b. kraag; c. doorboorde streek; d. afgeplatte spijsverteringsstreek; e. cylindervormig achtereinde. B. Diagram van de rugzijde van het dier, sommige organen vertoonende alsof de lichaamswand doorschijnend was. C. Diagram van een verticale, van voren naar achteren loopende doorsnede. D. Diagram van de rugzijde om de vaten en zenuwen, bij doorvallend licht gezien, te toonen. E. Diagram van een dwarse doorsnede van den kraag. F. Larve van B. Kowalewskii; diagram van een horizontale doorsnede. G. Verticale overlangsche doorsnede van een andere larve van het zelfde dier. De cursieve letters van B—G beteekenen: a. slurp; b. kraag; f. zenuwkleed van den slurp; g. met trilharen bekleede opening of porie van den slurp; h. notochorda (ruggestreng), beperkt tot een smalle strook gewijzigd weefsel, ontstaan uit een uitbreiding van de spijsverteringsbuis vóór den mond; i. aan de rugzijde daarvan gelegen zenuwplaat; k. opening (porie) van den kraag (rechts en links), de kraagholte juist beneden den kraag met de buitenwereld in verbinding brengende; l. voortzetting van de rugzenuwplaat als een zenuwstreng; m. keelgaten, (kieuwspleten); n1. slurpholte (primitieve voorste aarsholtezak); n2. kraagholte (rechter en linker achterste coelumzakken van den embryo); o. mond; p. zenuwscheede van den buikwand van het lichaam; q. slurpklier; r. verbindingen tusschen de rugzenuwplaat en de buitenzijde van den kraag; s. keelholte tegenover de doorboorde streek; t. hart of uitgezet gedeelte van het ruggevat in de slurpklier; t1. ruggevat; u. bloedvaten van den lichaamswand in doorsnede; w. parige zenuwen van de kraagstreek in dwarse doorsnede; x. perihaemaalholte, die het ruggevat in de kraagstreek omgeeft; ij. spijsverteringsstreek van het ingewandskanaal (bij den embryo); z. kern (mesoblast). H. Larve van een andere soort van Balanoglossus, bekend als de Tornaria-larve van Johannes Müller, en gelijkende op de larve van een Echinoderma. aa. Vóór den mond liggende trilhaarband van Tornaria; bb. achter den mond liggende dito; cc. dito aan het ondereinde des lichaams; dd. mond; ee. apicaalplaat (van apex, spits) en zintuig; ff. vaatstelsel en porie; gg. darmkanaal; hh. aars.
Wij zijn omtrent de Hemichorda eenigszins uitvoerig geweest en de op speciaal zoölogisch terrein minder thuis zijnde lezer zal veel in het door ons aan Lankester ontleende aantreffen, dat hem niet volkomen duidelijk is. Zonder tal van afbeeldingen en veel grooter uitvoerigheid dan het bestek van dit werk toelaat, was zulks echter onmogelijk te vermijden. Van den anderen kant zijn deze feiten, die, zoover ons bekend is, nog in geen enkel Nederlandsch werk zijn behandeld, voor de afstammingsleer der Gewervelde Dieren (en dus ook van den mensch) zoo buitengewoon belangrijk, dat zij hier onmogelijk mochten worden gemist, en zullen door diegenen onzer lezers, welke meer op de hoogte der wetenschap zijn, ongetwijfeld met de meeste oplettendheid worden gelezen.
Het schijnt, dat in Balanoglossus eindelijk een diervorm is gevonden, met den stamvorm der Gewervelde Dieren nauw verwant, die, hoewel ongetwijfeld gewijzigd, zoodat hij voor zijn bijzondere leefwijze (hij graaft holen in het natte zeezand) geschikt werd, en wellicht in zekere mate gedegenereerd, echter niet afstamt van een veel hooger ontwikkelden voorvader. De met trilharen bekleede opperhuid, de lange, wormachtige vorm en het volkomen ontbreken van segmentatie in het spierstelsel van het lichaam, leiden ons naar vormen, op de Nemertinen gelijkende. De groote slurp van Balanoglossus mag wel worden vergeleken met het voor instulping vatbare orgaan, dat bij de Nemertinen een dergelijke plaats inneemt. De kraag is het eerste begin van een toestel dat bestemd was een groote belangrijkheid te verkrijgen bij de Cephalochorda en Craniata, en diende misschien bij de voorouders van Balanoglossus om een enkele kieuwspleet te beschermen, vóór het aantal dezer openingen was toegenomen. Als men, gelijk geoorloofd is, de nieren, alsmede de zijdelingsche en dorsale zenuwstammen aan de Nemertinen ontleent, vindt men, dat de Balanoglossus de hoopvolste hypothetische oplossing van den stamboom der Vertebrata geeft. Die stamboom, aan den wortel met de Echinodermata en de Nemertinen samenhangende, geeft hooger de drie zijtakken der Hemichorda Cephalochorda en Urochorda af. Ze wordt uitgedrukt door onderstaande (met eenigszins gewijzigde namen) aan Lankester ontleende figuur:

(16) De hier bedoelde Serranussoorten zijn de zoogenaamde zeebaarzen der Middellandsche Zee, Serranus Scriba, S. Cabrilla en S. (Centropristis) Hepatus. Ook bij den karper, kabeljauw, baars, melanurus, steur, snoek en wijting heeft men somwijlen hermaphroditische voorwerpen aangetroffen. Het hermaphroditisme van deze laatste soorten verschilt echter van dat der Serranussoorten in verschillende belangrijke opzichten, namelijk:
a. Bij de Serranussoorten ontwikkelt zich de hom tusschen de rokken der kuit, en elke helft der primitieve dubbele kiemklier zet zich tot beide organen om.
b. Bij de andere soorten vormen hom en kuit afzonderlijke lichamen, en ontwikkelen de beide helften der primitieve dubbele kiemklier zich rechts en links nimmer tot hom en kuit te gelijk.
Hieruit volgt, dat het hermaphroditisme bij Serranus symmetrisch en tweezijdig (bilateraal), bij de andere soorten daarentegen asymmetrisch en hoogstens eenzijdig (unilateraal) is. Deze laatste komen dus overeen met de hermaphroditische voorwerpen die men soms bij zekere insektensoorten heeft waargenomen en bij welke de eene (b.v. de rechter-) helft mannelijk, de andere (b.v. de linker-) helft vrouwelijk was.
Wanneer nu het hermaphroditisme bij Serranus niet normaal was, zou men mogen verwachten, dat het met dat abnormale hermaphroditisme van de andere vischsoorten en insekten zou overeenkomen. Dat het er echter op bovenvermelde wijze van verschilt, pleit sterk voor de meening, dat wij bij Serranus wel degelijk met een normalen toestand hebben te doen (Vergelijk Prof. H. J. Halbertsma in „Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akad. v. Wet. Afd. Nat.” Deel XVI).
Dat de aal (Conger) hermaphroditisch is, gelijk men vroeger wel heeft beweerd, is onjuist gebleken, daar voor eenige jaren (vergelijk Isis, 1881, blz. 88 en 125) de mannelijke alen zijn ontdekt, waarbij bleek, dat de gewone alen allen wijfjes zijn.
De tot een geheel andere afdeeling der visschen behoorende slijmaal (Myxine glutinosa), een met de lampreien verwante, zeer laag georganiseerde visch (behoorende tot de onder-klasse der Monorrhina), is echter volgens de jongste onderzoekingen hermaphroditisch, maar tevens (evenals verschillende planten, bij welke het stuifmeel rijpt vóór de stampers geslachtsrijp zijn) proteraudrisch, d.w.z. dat in de jeugd de mannelijke organen tot ontwikkeling komen, en deze op later leeftijd (zoodra hij 32 à 33 cM. lang is geworden) achteruitgaan en niet meer kunnen worden gebruikt, terwijl daarentegen de vrouwelijke organen, die in de jeugd zeer weinig ontwikkeld waren, dan tot volkomen ontwikkeling komen. Zulk een slijmaal is dus feitelijk in zijn jeugd een mannetje, op zijn ouden dag een wijfje! („Bergens Museum Aarberetning for 1887.”) Zelfbevruchting is derhalve bij den slijmaal onmogelijk.
Dr. P. P. C. Hoek heeft in 1809 in het Zoölogisch station van Dr. A. Dohrn te Napels onderzoekingen gedaan aangaande het hermaphroditisme bij visschen. Aan zijn verslag dienaangaande aan den minister van binnenlandsche zaken is het volgende ontleend:
„Verschillende waarnemingen hebben aan het licht gebracht, dat in de klasse der visschen hermaphroditisme juist geen groote zeldzaamheid is. Dufossé (1856) stelde vast, dat Serranus Cabrilla steeds tweeslachtig is; Syrski (1876) toonde aan, dat niet alleen onder de Percidae, waartoe het geslacht Serranus behoort, maar ook onder de Sparidae visschen voorkomen, die regelmatig hermaphrodiet zijn en ook Brock (1878) wijdde, bij gelegenheid van zijn op de geslachtsorganen der visschen betrekking hebbende onderzoekingen, zijn aandacht aan de zelfde aangelegenheid. Het kwam mij wenschelijk voor dat hermaphroditisme bij visschen van verschillende groepen aan een vernieuwd vergelijkend onderzoek te onderwerpen.
„Voor zooverre zij in de Golf van Napels voorkomen, heb ik van alle repraesentanten der Percidae en Sparidae (beide families uit de afdeeling der stekelvinnige visschen) exemplaren onderzocht. Dit waren de volgende visschen:
Percidae:
Apogon rex mulorum.
Centropristis hepatus.
Labrax lupus.
Polypiron cernium.
Serranus cabrilla.
Serranus,, scriba.
Sparidae:
Box boops.
Box,, salpa.
Chrysophrys auratus.
Charax puntazzo.
Cantarus lineatus.
Oblata melanura.
Pagellus erythrinus.
Pagellus,, mormyrus.
Sargus annularis.
Sargus,, Rondeletti.
Sargus,, Salviani.
„Bovendien werden Smaris alcedo (Fam. Pristipomini) en Ophidium barbatum (een weekvinnige visch uit de afdeeling der Anacanthini), beide visschen, bij welke Syrski eveneens verschijnselen van hermaphroditisme waarnam, in mijn onderzoekingen opgenomen.
„Het resultaat nu van mijn waarnemingen is in ’t algemeen een bevestiging van hetgeen vroegere onderzoekers mededeelden: hermaphroditisme blijkt bij talrijke visschen een vrijwel standvastig voorkomend verschijnsel te zijn. De door mij onderzochte visschen waren echter geen van allen geslachtsrijp (daarvoor was het tijdens mijn verblijf te Napels nog te vroeg in den tijd); de physiologische zijde van het vraagstuk heb ik dan ook geheel buiten beschouwing gelaten en mij geheel tot beschouwing uit een morphologisch oogpunt bepaald.
„Ik bespreek in deze voorloopige mededeeling alleen de door mij bij de twee bovengenoemde families (Percidae en Sparidae) verkregen resultaten. Al aanstonds verdient vermelding, dat het verschijnsel der tweeslachtigheid zich bij elke familie onder een eigen vorm vertoont. Tot de Percidae behooren de oudst bekende vormen van hermaphrodiete visschen: Serranus cabrilla, S. scriba en Centropristis hepatus. Terwijl de andere door mij onderzochte Percidae niet tweeslachtig bleken te zijn, waren de genoemde soorten het in alle door mij ontlede exemplaren en wel op die wijze, dat hun geslachtsklieren er als eierstokken uitzagen, dat zij echter niet uitsluitend eierstokken waren, daar de wand der klier aan de binnenvlakte niet overal met ovariaal-lamellen was bezet, maar in een bepaald, gewoonlijk naar de buikzijde van den visch toegekeerd gedeelte, een tweetal naar binnen groeiende uitstulpingen of aanzwellingen ontwikkelden, die uit testiculair parenchym waren samengesteld. Steeds was echter het vrouwelijke deel van de geslachtsklier veel omvangrijker dan de mannelijke—men zou deze visschen dus kunnen beschouwen als wijfjes die tevens mannelijke voortplantingsproducten voortbrengen.
„Bij de Sparidae komt hermaphroditisme nu veel algemeener voor dan bij de Percidae. In verreweg de meeste soorten dezer familie treft men naast éénslachtige ook tweeslachtige exemplaren aan en wel schijnt het dan de regel te zijn, dat de exemplaren òf vrouwelijk zijn òf hermaphrodiet. Soorten bij welke alle exemplaren hermaphrodiet zijn, schijnen echter in deze familie te ontbreken, ten minste ik trof in alle door mij onderzochte soorten ook exemplaren aan, die éénslachtig en wel vrouwelijk waren. Zoo ook bij Chrysophrys auratus—ofschoon Syrski voor deze soort vermeldt, dat zij constant hermaphrodiet is. De soorten, bij welke ik tweeslachtigheid constateerde, waren de volgende: Box salpa, Charax puntazzo, Sargus Rondeletti, S. annularis, S. Salviani en Pagellus mormyrus. Voegt men hier nu nog Chrysophrys auratus bij, van welke soort ik slechts een enkel exemplaar dat uitsluitend vrouwelijk was, heb kunnen onderzoeken, een soort die echter volgens Syrski en Brock beide onder de tweeslachtigen moet worden gerekend; neemt men dan nog in aanmerking dat ik toevalligerwijze van Cantharus lineatus alleen vrouwelijke exemplaren heb kunnen onderzoeken, dan blijven er van de in de Golf van Napels voorkomende Sparidae slechts drie soorten over (Box boops, Oblata melanura en Pagellus erythrinus), van welke kan worden vermoed dat zij niet tweeslachtig zullen zijn. Alleen bij deze drie soorten trof ik naast vrouwelijke exemplaren uitsluitend zuiver mannelijke aan: bij alle andere (en vermoedelijk ook bij Cantharus lineatus) komen, naast de vrouwelijke, hermaphrodiete exemplaren voor, terwijl ware mannetjes er schijnen te ontbreken of zeldzaam voor te komen.
„In één opzicht echter valt er ook bij de mannelijke exemplaren van de drie genoemde soorten nog een overblijfsel van het oorspronkelijk hermaphroditisme te constateeren. Onderzoekt men de uitvoergangen van de geslachtsorganen bij een hermaphrodiet uit de groep der Sparidae, b.v. bij Box salpa, dan blijkt de oviduct een kanaal te zijn met een dikken wand, terwijl de vasa efferentia bestaan uit een systeem van met elkander communiceerende lacunen die hun verloop hebben door dien dikken wand van den oviduct. Terwijl nu bij de door mij onderzochte mannelijke exemplaren van Box boops en Pagellus erythrinus geen spoor van een eierstok is te bekennen, is de oviduct er nog aanwezig in den vorm van een aan beide zijden blind gesloten gang, waaromheên de vasa efferentia op de zelfde wijze zijn gerangschikt als dit bij de hermaphrodiete exemplaren van de verwante soorten het geval is. Vergis ik mij niet, dan levert het voorkomen van dezen rudimentairen oviduct bij exemplaren die overigens volstrekt niet tweeslachtig zijn, een krachtig bewijs ten voordeele van de opvatting, dat in de geheele familie der Sparidae het hermaphroditisme oorspronkelijk een algemeen voorkomend verschijnsel is.
„Wat de geslachtsklieren aangaat, zoo vertoonen deze zich bij de hermaphrodiete Sparidae onder een anderen vorm dan bij de tweeslachtige Serranussoorten. Is het bij deze laatste als ’t ware een gedeelte van den eierstok, dat uit testiculair weefsel is opgebouwd, heeft er dus bij hen een zoo innige vergroeiing van de twee de verschillende geslachtsproducten voortbrengende klieren plaats gevonden, dat men slechts van een enkele kliermassa kan spreken, zoo bestaat elke geslachtsklier bij de tweeslachtige Sparidae uit twee slechts gedeeltelijk samenhangende kliermassa’s en wel uit een meer naar het mediane vlak van den visch toegekeerden eierstok en een meer naar buiten gelegen testis. Vermoedelijk vertoonen de Sparidae een toestand die meer met den oorspronkelijken overeenkomt dan dit met de hermaphrodiete Percidae (de Serranus- en Centropristis soorten) het geval is, en moet dus de toestand waarin de voortplantingsklieren dezer laatste zich bevinden, als een van jongere dagteekening worden beschouwd. Zeker is het, dat uit de door mij ingestelde onderzoekingen blijkt, dat we in het hermaphroditisme van de visschen niet hebben te zien een abnormaal in slechts enkele gevallen optredend verschijnsel, maar veeleer een toestand die voor de meeste leden van een vrij groote groep van deze dieren een volkomen normale is.”
(18) De zwarte salamander van Zwitserland is levendbarend, en de jongen worden volkomen ontwikkeld (dus zonder kieuwen) geboren. Onder de vorschen is een soort (Hylodes martinicensis) op Guadeloupe, die wel is waar niet levendbarend is, maar bij welke de jongen toch al de larventoestanden binnen het ei doorloopen. Hier is dus embryo, wat bij de stamsoort larve was. Wellicht zouden ook deze embryo’s, uit het ei genomen, kunstmatig tot vorschen zijn op te kweeken, evenals het Mej. de Chauvin in Zwitserland is gelukt de embryo’s van den levendbarenden salamander buiten het moederlichaam tot salamanders op te kweeken, vergelijk „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederlandsche uitgaaf, blz. 629. De larven der salamanders en vorschen vertegenwoordigen in haar jongeren, pootloozen toestand de vischvormige stamsoort der amphibieën. Dat de larve vaak den vroegeren volkomen toestand der soort vertegenwoordigt, blijkt uit de gevallen, waarin ook de larve in ouderen toestand, maar toch nog van kieuwen voorzien, het geslacht kan voortplanten (Axolotl).
Ook bij insekten zijn voorbeelden bekend, dat zij zich in onvolkomen toestand (als maskers of zelfs poppen) voortplanten. Als dit zonder voorafgaande copulatie (parthenogenetisch) geschiedt, heeft von Baer („Mém. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, vol. XV, No. 8) daaraan den naam van paedogenesis gegeven.
(19) „Zij worden sympathetisch aangedaan door den invloed van sommige ziekten.” Sympathetische aandoeningen van een orgaan noemt men ziekelijke verschijnselen die zich in dat orgaan voordoen, zonder dat eenige oorzaak van ziekte rechtstreeks op het zelve werkt, maar door de reactie van een ander oorspronkelijk beleedigd orgaan. Zoo veroorzaakt de aanwezigheid van ingewandswormen in het darmkanaal jeukte in den neus. Deze sympathie is dus pathologisch, hetgeen de correlatie (zie aanteekening 6, blz. 37) physiologisch en teratologisch is.
(20) Deze verklaring komt ons hoogst gewrongen voor. De voornaamste intermitteerende normale en abnormale processen zijn de nachtelijke slaap, de maandstonden en haar vervangende verschijnselen, de ademhaling, het kloppen van het hart, de intermitteerende koortsen. Dat men ’s nachts slaapt en over dag waakt, zal wel eensdeels aan onze levenswijze, die zich er naar regelt, dat het ’s nachts donker en over dag licht is, en anderzijds aan de overgeërfde gevolgen van de gewoonte bij tallooze geslachten van voorvaderen liggen. Daarenboven staat deze periodieke slaap, evenmin als de duur der in- en uitademingen, der hartkloppingen en van periodieke koortsen in eenig duidelijk verband met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Wat de menstruatie en de haar vervangende verschijnselen aangaat, zoo hebben wij er reeds in aanteekening 11, blz. 40 op gewezen, dat die bij verschillende individu’s een zeer verschillende lengte hebben. Wat den duur der zwangerschap aangaat, deze is ook bij verschillende individu’s van een zelfde soort niet geheel gelijk en bij de verschillende zoogdiersoorten hoogst ongelijk. Ware nu de duur der zwangerschap te verklaren op de door Darwin aangegevene wijze, dan zouden alle zoogdieren den zelfden duur van zwangerschap moeten hebben; want zij stammen van éénen voorvader, het eerste zoogdier, af, die geen stranddier, maar slechts de zeer verwijderde afstammeling van een stranddier was, en zouden met dezen in duur van zwangerschap moeten overeenkomen. Daarenboven staat de duur der zwangerschap in zeer indirect verband met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Het zelfde gaat door bij het uitbroeden van vogeleieren. Wat intermitteerende koortsen aangaat, staat de intermittentie in verband met de levensperioden van de microbe die de malaria veroorzaakt, en die in den koortsvrijen tijd niet in volwassen toestand in het bloed des lijders voorkomt. Wij voor ons vinden, dat het geen nadere verklaring behoeft, dat een organisme om zich, uitgaande van het zelfde punt onder nagenoeg de zelfde omstandigheden tot nagenoeg de zelfde hoogte te ontwikkelen ook steeds nagenoeg den zelfden tijd noodig heeft; het spreekt daarom van zelf, dat de zwangerschap bij de zelfde zoogdiersoort steeds nagenoeg even lang duurt, en dat het evenzoo gaat bij het uitbroeden der eieren van een bepaalde vogelsoort. Daar wij nu den tijd meten door den omloop der hemellichamen, ontstaat er natuurlijk een schijnbaar verband tusschen deze en den duur der zwangerschap, der uitbroeding, enz. Wij meten echter den tijd ook door middel van uurwerken, en elke zwangerschap of broedtijd zal dus in duur eenigermate overeenstemmen met een zeker aantal omloopstijden van den wijzer onzer pendule, en toch zal niemand op het denkbeeld komen een wezenlijk verband tusschen deze beide verschijnselen te zoeken!
Schedellooze werveldieren 1. Lancetdieren (Acrania).
Schedeldieren (Craniata). Craniata met enkelvoudig reukorgaan 2. Rondmuilen (Monorrhina).
Craniata met dubbel reukorgaan (Amphirrhina) Amnionlooze (Anamnia) 3. Visschen (Pisces).
4. Dipneusta.
5. Amphibia.
Amniondieren (Amniota). 6. Reptilia.
7. Vogels (Aves).
8. Zoogdieren (Mammalia).
De klasse der Acrania of Leptocardii wordt in de hedendaagsche dierenwereld slechts door den slakprik (Amphioxus) vertegenwoordigd. De klasse der Monorrhina omvat de Cyclostomen, die der Dipneusta de Protopteri (de geslachten Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus). Voor de klasse der eigenlijke Visschen blijven dus nog over de onder-klassen der Selachiërs, Ganoïden en Teleostiërs.
De stamboom van den mensch wordt nu door Haeckel ondersteld de volgende te zijn:
A. Eencellige voorouders der gezamenlijke Meercellige Dieren.
Protozoa.
Tweede trap: Lobvoeten of Amoeben, organismen van de morphologische waarde eener eenvoudige cel zonder wand, derhalve slechts uit een vormloos stukje levend protoplasma en een daarin omsloten kern of nucleus gevormd. Waarschijnlijk verschilden deze eencellige oerdieren niet sterk van de tegenwoordige Amoeben, gelijk ook nog heden het menschelijk ei niet wezenlijk van een ingekapselde Amoebe verschilt.
B. Veelcellige voorouders der gezamenlijke Darmdieren.
Metazoa.
Vijfde trap: Oerdarmdieren of Gastraeaden, holle lichamen, wier wand uit twee verschillende cellagen (huidblad of exoderm en darmblad of entoderm) bestaat, met een opening (oermond) aan het eene uiteinde. De binnenste cellaag vormt den oerdarm. Zij geleken op de darm larve (Gastrula), die nog heden bij de meest verschillende dieren, zooals sponzen, polypen, koralen, medusa’s, wormen, weekdieren, manteldieren en den slakprik voorkomt.
C. Voorouders der gezamenlijke Gewervelde Dieren.
Zesde trap: Platwormen of Turbellariën, of ten minste laag ontwikkelde wormen van een zeer eenvoudige samenstelling (Archelminthes), die zich uit de Gastraeaden ontwikkelden, en met welke onder de thans levende wormen de Turbellariën het naast verwant zijn. Tot deze behooren de Nemertinen die volgens Hubrecht en Ray Lankester ’t naast met de laatste voorouders der Gewervelde Dieren verwant zijn.
Achtste trap: Zakwormen of Himategen (Urochorda van Ray Lankester), in de thans levende dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd door de Manteldieren (Tunicata) en bijzonder de Zakpijpen (Ascidiae). De uitgestorven soorten van dezen trap, waarvan de Gewervelde Dieren afstammen, kwamen met deze laatste vooral overeen door de ontwikkeling van den aanleg van het ruggemerg en de daaronder gelegen ruggestreng (chorda dorsalis). Volgens Dohrn, Hubrecht, Ray Lankester enz. een gedegenereerde zijtak der Gewervelde Dieren en dus geen directe voorouders van den mensch.
D. Gewervelde Voorouders der gezamenlijke Schedeldieren (Craniata).
Negende trap: Schedelloozen of Acraniën (de Cephalochorda van Ray Lankester); Werveldieren zonder kop, zonder schedel en hersenen, zonder gecentraliseerd hart, zonder kaken, zonder beenderen; in de tegenwoordige dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd door den slakprik of Amphioxus.
E. Voorouders der gezamenlijke Amphirrhinen.
Tiende trap: Monorrhinen; Werveldieren met kop, schedel en hersenen, met een gecentraliseerd hart; zonder sympathisch zenuwstelsel, zonder kaken, zonder beenderen; met enkelvoudig reukorgaan; gelijkende op de nog heden levende slijmalen (Myxinoïden) en lampreien (Cyclostomata).
F. Voorouders der gezamenlijke Amnionlooze en Amniondieren (Anamnia en Amniota).
G. Voorouders der gezamenlijke Amniondieren (Amniota).
Twaalfde trap: Dipneusten; Werveldieren die het midden houden tusschen Visschen en Amphibieën, met kieuwen en longen; gelijkende op de nog heden levende Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus.
Dertiende trap: Sozobranchiën; Amphibieën met blijvende kieuwen, gelijkende op den nog heden levenden Proteus anguineus uit de Adelsberger grot.
Veertiende trap: Sozuren; Amphibieën met op volwassen leeftijd verdwijnende kieuwen, gelijkende op de nog heden levende salamanders (Triton en Salamandra).
H. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren.
I. Voorouders der gezamenlijke Placentale Zoogdieren.
Zeventiende trap: Buideldieren of Marsupialia; gelijkende op de nog heden levende kangoeroe’s en buidelratten, met buidelbeenderen, zonder cloaca; nog geen moederkoek (Placenta). (Levendbarend, ten gevolge van het ontbreken van een moederkoek worden de jongen in zeer onvolkomen toestand geboren en verblijven dan nog geruimen tijd, zich aan de tepels van het moederdier vastzuigende, in den buidel. Dr. H. H. H. v. Z.)
Achttiende trap: Halfapen of Prosimiën; gelijkende op de nog heden levende Lemuriden, zonder cloaca, zonder buidelbeenderen, met een moederkoek (Placenta).
L. Voorouders van den Mensch uit de Orde der Apen (Simiae).
Negentiende trap: Gestaarte Apen of Menocerken; smalneuzige apen met 32 tanden en een staart, gelijkende op de nog heden levende Slankapen (Semnopithecus en Colobus)
Twintigste trap: Menschapen of Anthropoïden; smalneuzige apen zonder wangzakken en zonder staart, gelijkende op de nog heden levende Orang, Chimpanzee en Gorilla.
Een-en-twintigste trap: Aapmenschen of Oermenschen; gelijkende op de laagst ontwikkelde menschenrassen (Papoea’s, Hottentotten, Nieuw-Hollanders), maar nog zonder het bezit van de menschelijke spraak.
Twee-en-twintigste trap: Menschen, die zich als echte menschen door de vorming der menschelijke spraak en de daarmede verbonden hoogere ontwikkeling der hersenen boven de Oermenschen van den vorigen trap verhieven. De oudste overblijfselen van echte menschen uit het diluvium (Neanderdal, Eguisheim, la Naulette, Spy enz.) worden door Quatrefages, Hamy en de Mortillet gebracht tot een zelfde uitgestorven ras, waaraan de eersten den naam geven van ras van Cannstatt (naar een daar gevonden schedel uit dien tijd) en de laatste den naam van ras van Chelles, naar een plaatsje in Frankrijk, waar men sporen daarvan heeft gevonden.
In zijn „Anthropogenie”, 3de uitgaaf, blz. 412, geeft Haeckel een tabel van de dierlijke voorouders van den mensch, die tevens het geologisch tijdvak aangeeft, waarin zij leefden, waarnaar wij de volgende (met inachtneming der in de noten medegedeelde opgaven in de 8ste uitgaaf der „Nat. Schöpfungsgeschichte”) hebben bewerkt:
STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
Tijdvakken van de organische geschiedenis der aarde. Geologische perioden van de organische geschiedenis der aarde. Dierlijke voorouders van den mensch. Levende naaste verwanten der dierlijke voorouders.
I. Het Archaeolithische of Primordiale tijdvak. 1. Laurentische periode. 2. Cambrische periode. 3. Silurische periode. 1. Moneren (Monera). (? ?) Bathybius. Protamoeba.
2. Eencellige oerdieren (oudste Amoeben of Lobvoeten). Eenvoudige Amoeben (Autamoebae).
3. Veelcellige oerdieren (Synamoebia of Moraeada). Cystophrys. Labyrinthula.
4. Trilhaarzwermers (Planaeada of Blastaeada). Planula-larven.
5. Oerdarmdieren (Gastraeada). Gastrula-larven.
6. Plat wormen (Platoda). Trilwormen (Turbelleria).
7. Snoerwormen. Nemertina.
8. Eikelwormen. Balanoglossus, Cephalodiscus, Rhabdopleuza.
9. Oerchordadieren (Prochordonia). Copelata (Appendicularia), larven der Ascidiën.
10. Schedelloozen (Acrania). Slakprikken (Amphioxi).
11. Rondmuilen (Monorrhina). Lampreien (Petromyzontes).
12. Oervisschen (Selachii). Haaien (Squalacei).
II. Het Palaeolithische of Primaire tijdvak 4. Devonische periode. 5. Steenkoolperiode. 6. Permische periode. 13. Ganoida. Lepidosteus, Polypterus, Amia, Spatularia.
14. Dipneusta. Longvisschen (Protoptera).
15. Stegocephala. Proteus anguineus.
16. Salamandrina. Watersalamander (Triton, Salamander).
III. Het Mesolithische of Secundaire tijdvak. 7. Triasperiode. 8. Juraperiode. 9. Krijtperiode. 17. Prosephelen of Oeramnioten (Protamnia). Hatteria.
18. Zoogdier-reptielen (Theriosauria). Verwanten komen niet meer levend voor
19. Stamzuigers (Promammalia). Snaveldieren (Monotremata).
20. Buideldieren (Marsupialia). Buidelratten (Didelphyes).
IV. Het Coenolithische of Tertiaire tijdvak. 10. Eocene periode. 11. Miocene periode. 12. Pliocene periode. 21. Halfapen (Prosimiae). Lori (Stenops), Maki (Lemur).
22. Gestaarte Apen (Menocerken). Neusapen. Slankapen.
23. Menschapen of Ongestaarte Apen (Anthropoïden). Gorilla, Chimpanzee, Orang, Gibbon.
24. Aapmenschen of Spraaklooze Menschen. Doofstommen, Cretins en Microcephalen.
V. Het Quartaire tijdvak. 13. Diluvium. 14. Alluvium. 25. Menschen (Ras van Cannstatt enz.) Nieuw-Hollanders en Papoea’s.
Dat niet alle volken het denkbeeld om van dieren af te stammen zoo vernederend vinden als vele Europeanen blijkt uit de volgende voorbeelden.
Van zekeren stam van Madagascar wordt in het Fransche tijdschrift „le Tour du Monde”, 7 Oct. 1871, chronique (op den blauwen omslag), een in verband met de theorie van Darwin omtrent het ontstaan van den mensch niet onaardige bijzonderheid verhaald, namelijk: „Les Betanismena, qui semblent être de la même origine que les Hovas, et dont la peau est d’un brun clair, affirment que leurs ancêtres sont issus des Babacoutes ou grands lémures de la forêt. Récemment un des personages de la cour ayant tué un de ces animaux fut dégradé en punition de son crime et dut solennellement enterrer la victime.” Aan het tegenovergestelde uiteinde van het veronderstelde Lemuria, op het schiereiland Malakka, echter vindt men een dergelijke overlevering. Men leest toch in het „Tijdschrift voor Ind. Taal-, Land-, en Volkenkunde”, X, 4de Serie, I, Batavia, Lange & Co, 1861, blz. 415 („Notice sur les Mantras, Tribu sauvage de la Péninsule Malaise”, par Borie, Missionnaire apostolique): „Je me rappelle avoir entendu plusieurs sauvages raconter fort sérieusement, qu’ils descendent tous de deux singes blancs, de deux ounka puteh. Les deux ounka puteh, ayant engendré leurs petits, se rendirent dans la plaine; ils s’y perfectionnèrent si bien, eux et leurs descendants, qu’ils devinrent des hommes”, etc.
Ook bij de Thibetanen heerscht de overlevering, dat zij van apen afstammen; de Roodhuiden wanen zich met den dierenwereld verwant, en, naar ik meen, ook verschillende stammen van Insulinde, Australië en het vasteland van Afrika. Deze overleveringen van wilden en half-beschaafden bewijzen natuurlijk niets voor het stelsel van Darwin, maar zijn toch, in verband daarmede beschouwd, niet onaardig.
„En somme, pourquoi rougirions-nous d’un tel ancêtre? Si nous devons rougir de notre généalogie, rougissons plutôt de descendre des sauvages cannibales qui ont habité les cavernes de la Belgique et de la Ligurie, de ces races brutales qui faisaient de la guerre, de la rapine et du vol leurs moyens d’existence et leur gloire; de ces Gaulois qui arrosaient de sang humain les autels de leur dieux aussi féroces qu’eux-mêmes; de ces Francs, de ces barbares, qui, ne connaissant que le droit de leur épée, vinrent envahir et étouffer la civilisation gréco-latine, ajouter leurs vices à ses vices, et replonger le monde pour mille ans dans la barbarie à laquelle il commençait à échapper. Rougissons de compter parmi nos ayeux ces barons pillards du moyen âge, qui n’ètaient que des détrousseurs de grands chemins, libres et privilégiés pour commettre tous les crimes sans crainte de châtiment et irresponsables derrière les crénaux de leurs châteaux-forts; mais rougissons aussi d’être les petits-fils de ces Jacques Bonshommes qui, après avoir été longtemps pillés et pendus par leurs barons, ne surent user de leurs droits reconquis que pour piller et pendre à leur tour. Rougissons enfin d’appartenir à cette race chrétienne qui, sous prétexte de venger Dieu, a fait les croisades, les auto-da-fé, la Saint-Barthélemy, les dragonnades, qui a élevé des bûchers aux Vanini, aux Giordano Bruno, aux Jean Huss, aux Servet, emprisonné les Campanella, fait abjurer les Galilée; rougissons de nos pères eux-mêmes, qui n’ont pas su défendre, sans l’ensanglanter, la liberté qu’ils avaient reconquise; mais surtout rougissons de nous-mêmes, qui laissons périr, sans le faire fructitier, sans savoir même le conserver, l’accroître, l’héritage d’héroïsme et de grandes pensées, de victoires et de sacrifices, de vérités nouvelles et d’aspirations généreuses qu’au prix de leur vie ils nous ont légué.
„S’il est vrai que nous comptions des brutes pour ancêtres, que les progrès déjà accomplis par notre race nous donnent la mesure de ceux que nous pourrons accomplir encore, et que notre retour sur notre passé ne serve qu’à nous donner pour l’avenir de plus magnifiques espérances. Après tout, mieux vaudrait descendre, même en droite ligne, d’un orang inoffensif qui n’a jamais fait la guerre à qui ne l’attaquait pas, que d’être fils d’un Timour, d’un Gengis, d’un Attila, voire mème d’un Alexandre ou d’un César, enfin d’un de ces fléaux de l’humanité qui marquent tous leurs pas d’un sillon sanglant, ne comptent leurs jours que par leurs mensonges et ne fondent leurs empires éphémères que sur les débris frémissants de nations libres faites esclaves!”