Note 8 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden eenigszins convergeert naar een punt van den elleboog. Deze merkwaardige rangschikking, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla, chimpanzee, orang, sommige soorten van gibbons (Hylobates) en zelfs bij sommige Amerikaansche apen. Bij Hylobates agilis is echter het haar op de gewone wijze naar beneden of naar den pols toe gericht; en bij H. lar staat het bijna recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat deze laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden betwijfeld, dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en de richting daarvan op den rug dient om den regen te doen afdruipen; zelfs de dwarse haren aan de voorpooten van een hond kunnen daartoe dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer Wallace merkt op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen van den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient om den regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van dit dier is, gebogen en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn geklemd. Volgens Livingstone zit ook de gorilla „als het sterk regent, met zijn handen over zijn kop.”8 Wij moeten echter bedenken, dat de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt bepaald door de richting van het haar, en niet de richting van het haar door de houding. Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang juist is, dan herinnert ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige wijze aan onzen vroegeren toestand; want niemand zal onderstellen, dat het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den regen, en in onze tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe ook niet geschikt. (5)