OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
De aard en waarde van soortkenmerken. Toepassing op de menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras stamt niet af van een enkel paar.—Het uitsterven van rassen.—Het ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele teeltkeus.
Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde menschenrassen te beschrijven; maar te onderzoeken, welke de waarde der tusschen dezelve bestaande verschillen is uit het oogpunt der klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen, of twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als verscheidenheden, worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende overwegingen, te weten: de hoegrootheid van het verschil tusschen hen; of die verschillen op weinige of op vele punten van het maaksel betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt belangrijk, en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der kenmerken wordt door de natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en gezocht. Zoodra kan worden aangetoond, of het waarschijnlijk is, dat de vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak onveranderd zijn gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen twee vormen, als men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt algemeen beschouwd als een beslissend bewijs, dat het twee afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven in een zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt gewoonlijk beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate van wederkeerige onvruchtbaarheid, of bij dieren van een zekeren afkeer om met elkander te paren.
Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het volkomen ontbreken in een goed doorzochte streek van verscheidenheden die twee nauw verwante vormen met elkander verbinden, waarschijnlijk het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk verschil; en dit is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder daarom nog tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te brengen. De geographische verspreiding is dikwijls onbewust en soms ook met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk beschouwt men vormen die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de meeste andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als verschillende soorten; maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om geographische rassen van zoogenaamde goede of ware soorten te onderscheiden.
Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen gerechtigd zou mogen gevoelen om aan de menschenrassen den rang van afzonderlijke soorten toe te kennen; want hij heeft bevonden, dat zij zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel en gesteldheid, waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De verbazende verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is in de klasse der zoogdieren, zoo de mensch als een enkele soort wordt beschouwd, zal ook eenigermate invloed op zijn besluit hebben gehad. Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende zoogenaamde rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere ongetwijfeld soortelijk van elkander verschillende zoogdieren. Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen, dat de wederzijdsche vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen, en zelfs als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat zij tot een enkele soort behoorden.
Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten bestaat, hebben de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten en de polygenisten, zijn verdeeld, in de laatste jaren veel geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet aannemen, moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen, hetzij als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens („entities”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten worden gerangschikt, uit de analogie van andere organische wezens welke gewoonlijk als zoodanig worden beschouwd. Het is echter hopeloos om te trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen, zoolang niet de eene of andere bepaling van de uitdrukking „soort (species)” algemeen is aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten, waaromtrent men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals een scheppingshandeling. Wij zouden even goed kunnen beproeven om zonder eenige bepaling te beslissen, of een zeker aantal huizen een dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele nauw verwante zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in Noord-Amerika en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als geographische rassen moeten worden beschouwd, en evenzoo gaat het met de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand van het naaste vasteland gelegen eilanden.
Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit hun gemeenschappelijken stamvader in verschillende richtingen begonnen te ontwikkelen, zullen zij slechts weinig van elkander hebben verschild en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg zullen zij toen, voor zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak op den rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande zoogenaamde rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige natuuronderzoekers wellicht als verschillende soorten zijn gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien hun punten van verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan tegenwoordig en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.
Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur, haar, schedelvorm, evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen, zoo vindt men toch, als men hun geheele organisatie beschouwt, dat zij in een menigte punten zeer sterk op elkander gelijken. Vele dezer punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat het uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende soorten of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen. De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de talrijke punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen de meest verschillende menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de negers en de Europeanen verschillen in geestesgesteldheid evenveel van elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was, hoevele kleine karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun geest op den onzen geleek, en evenzoo ging het mij met een volbloed neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken voet kwam.
Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke kleine bijzonderheden en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of meer rassen van tamme dieren of tusschen nauw-verwante natuurlijke vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond, dat zij alle van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden gebracht. De zelfde bewijsgrond kan met veel kracht op de menschenrassen worden toegepast.
Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige taalkundigen afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te verspreiden, nog geen sprekend dier was; men mag echter vermoeden, dat wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne dergene die thans worden gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch in latere hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het gebruik van eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig, of het verstand van den mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die zijn heerschende stelling in een vroeg tijdperk medebracht.
Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de ruwste soort bezat, en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was, den naam van mensch verdiende, hangt af van de bepaling die wij gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande van een of ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat, zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de uitdrukking „mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter een zaak van zeer weinig belang. Evenzoo is het een bijna onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen aldus worden genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de laatste uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen wij besluiten, dat, als de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer zal duren, de strijd tusschen monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten dood zal sterven.
Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan, namelijk, of, zooals somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van den mensch uit één enkel paar stamouders is gesproten. Bij onze huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit een enkel paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een enkel aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de zelfde wijze varieeren, met elkander te doen paren, maar onze meeste rassen zijn gevormd, niet met voordacht uit een enkel uitgekozen paar, maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s, die, hoewel in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden. Indien men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of zwaarder gebouwde paarden, en in een ander land aan lichter gebouwde en vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn, dat in den loop der tijden twee verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht, zonder dat het eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die wijze gevormd, en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der natuurlijke soorten. Wij weten ook, dat de paarden die naar de Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het wild de Pampa’s hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben gekregen; en dergelijke veranderingen worden klaarblijkelijk niet daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, dat al de individu’s aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp wellicht van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen dezer gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van vele individu’s, die in verschillende mate, maar allen over het algemeen op de zelfde wijze varieerden, en wij mogen besluiten, dat de menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan, en de wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan verschillende levensvoorwaarden, of het indirecte gevolg van den eenen of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit laatste onderwerp zullen wij echter spoedig terugkomen.
Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt Dr. Story op, dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te beschaven. „Als men hen aan zich zelven had overgelaten, hen had laten omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen niet had gestoord, zouden zij meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer sterfte zijn geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op: „De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun levenswijze, maar meer nog van hun verbanning uit het hoofdland van Van Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte neêrslachtigheid” (Bonwick, blz. 388, 390).
Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft aangetoond van de verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk pleegt te verklaren, zooals nieuwe ziekten, de losbandigheid der vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op zwaarwichtige gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de onvruchtbaarheid der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de kleine kinderen (blz. 31, 34). Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz. 33), dat er in 1844 één onvolwassene was op elke 2,57 volwassenen, terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28 volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een verdere oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der beide seksen aan; want er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op dit laatste punt, dat misschien het gevolg van een geheel andere oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen. De heer Fenton stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de vermeerdering in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat verschillen, terwijl hun bewoners tegenwoordig bijna geheel op de zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven hun achteruitgang tot op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding en de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal, wanneer wij den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de vruchtbaarheid nagaan, zien, dat zij waarschijnlijk gelijk hebben. De vermindering begon tusschen de jaren 1830 en 1840, en de heer Fenton toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr eetbaar te maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote schaal in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een verandering in levenswijze begon te komen onder de inboorlingen, zelfs toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen was bevolkt. Toen ik in 1835 de „Bay of Islands” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der inboorlingen reeds groote wijzigingen ondergaan; zij kweekten aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden die voor Engelsche manufacturen en tabak.
De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even bekend als die in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat waren er over te oordeelen, wordt het aantal inboorlingen, ten tijde dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op 300000 geschat. Volgens een oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds 142050. In 1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een nauwkeurige volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende opgaven kunnen verkrijgen:
JAREN. INLANDSCHE BEVOLKING. (Uitgezonderd gedurende 1832 en 1836, toen de weinige vreemdelingen die op de eilanden waren, er bij werden opgenomen.) Jaarlijksche vermindering in percenten, onderstellende, dat die gelijkmatig is geweest tusschen twee opeenvolgende volkstellingen, daar deze tellingen met onregelmatige tusschenruimten werden gehouden.
1832 130313
4,46
1836 108579
2,47
1853 71019
0,81
1860 67084
2,18
1866 58765
2,17
1872 51531
Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig zijn om veel in hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van levensvoorwaarden of leefwijze worden onderworpen, en niet uitsluitend, als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht. Eenvoudige veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te zijn, schijnen de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene gevallen zijn vooral de kinderen vatbaar om daardoor te lijden. Men heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls gezegd, dat de mensch ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten en andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen. De mensch schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als zijn naaste verwanten, de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn blijven leven, als zij uit hun geboorteland werden verwijderd.
Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden, gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en, naar het schijnt, ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan hun vatbaarheid voor ziekte en dood; want zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere oorzaken welke er naar streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger of later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in sommige gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen (gelijk tot voor korten tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring in geenen deele voldoende is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij de Tasmaniërs.
Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het voortplantingsstelsel voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij doorgaat bij onze naaste verwanten, de Vierhandige Zoogdieren, kan ik moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk is op den mensch in zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of andere ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen, worden zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in gezondheid, op de zelfde wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant en jachtluipaard van Indië, vele apen in Amerika, en een groote menigte dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke levensvoorwaarden worden onttrokken.
Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872 de inboorlingen van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af, terwijl de half-bloedigen, die men voor gezonder houdt, met 847 vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste getal de kinderen van de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de eerste generatie omvat.
De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot inboorlingen die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten gevolge van de immigratie van blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en slechte gezondheid zouden waarschijnlijk volgen, indien wilden door de eene of andere oorzaak, zooals een inval van een veroverenden stam, werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te veranderen. Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste hinderpaal tegen het temmen van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat zij, toen zij voor het eerst werden gevangen, het vermogen bezaten om zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal voor wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te blijven leven en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de onvruchtbaarheid ten gevolge van verandering in de levensvoorwaarden.
Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving der menschenrassen een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien dat zij van vele oorzaken afhangen en op verschillende plaatsen en in verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde moeielijke vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere dieren oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in Zuid-Amerika verdween om spoedig daarna in de zelfde streken door tallooze kudden van Spaansche paarden te worden vervangen. De Nieuw-Zeelander schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij vergelijkt zijn toekomstig lot met dat van de inlandsche rat, die door de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid, hoewel groot in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn, zoolang wij voortdurend bedenken, dat de vermeerdering van elke soort en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan door verschillende hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal of oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker in aantal zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden een grooten afkeer hebben van elke verandering van gewoonten, waardoor nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden opgewogen, zal de afneming van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden, terwijl het einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van vermeerderende veroverende stammen.
Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de kleur van de huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt met een volstrekt beveiligd zijn voor de werking van zekere plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere woekerdieren (parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere donkergekleurde rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen, doordat gedurende een lange reeks van geslachten de donkerste individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van hun geboorteland waren ontsnapt.
Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de wereld zijn verspreid, moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van hun kenmerkende verschillen geen rekenschap kan geven door de directe werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat zij daaraan gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed, en zijn blootgesteld aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch verschillen zij niet uitermate veel van de bewoners van zuidelijk China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna naakt zijn blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat. De ongekleede Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van het binnenland en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch gelijken deze stammen zoozeer op elkander, dat de Vuurlanders aan boord van de „Beagle” door sommige Brazilianen voor Botocudo’s werden aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de tegenovergestelde kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een ongeveer gelijksoortig klimaat zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde levenswijze leiden.
Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven door de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden, noch door de uitwerkselen van het voortdurend gebruik van deelen, noch door het beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om te onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch bij uitnemendheid eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een lange reeks van jaren zijn bewaard gebleven en vermeerderd. Hier stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat alleen voordeelige wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er over kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin dwalen) strekt geen van de uitwendige verschillen tusschen de menschenrassen hun tot eenig direct of bijzonder voordeel. De verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten natuurlijk van deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De vroeger vermelde variabiliteit van al de kenmerkende verschillen tusschen de rassen toont eveneens aan, dat deze verschillen niet van veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk geweest, dan zouden zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard, of geëlimineerd zijn. In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen, welke door de natuuronderzoekers proteïsch of polymorphisch worden genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar het schijnt ten gevolge daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren en bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.
Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap van de verschillen tusschen de menschenrassen te geven; er blijft echter nog één belangrijke invloed over, namelijk die der Seksueele Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt te hebben ingewerkt als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de rassen. Er blijft een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze onwetendheid slechts kunnen zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend worden geboren, bij voorbeeld, met een weinig ronder of smaller hoofden en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke geringe verschillen wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt, indien de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige wijze bleven werken en door lang voortgezette kruisingen werden geholpen. Dergelijke variaties behooren tot de voorloopige afdeeling waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een betere uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin, dat de uitwerkselen der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond; maar het kan worden bewezen, dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch niet was gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren, zoowel hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan worden bewezen, dat de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm enz, van zulk een aard zijn, als men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van de inwerking der seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste wijs te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te beschouwen; ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan gewijd. Aan het einde zal ik tot den mensch terugkeeren, en, na beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever hij door seksueele teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken van dit Eerste Gedeelte geven.
AANTEEKENINGEN.
(1) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij, zoodra ik den voet te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren even groote individueele verschillen vertoonden als de Europeanen. Ook de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental Hôtel te Suez kon ik dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche studenten, die te gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook zeer ongelijk. Evenzoo de negers, en Chineezen en roodhuiden die ik in 1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke ondervinding is dus in strijd met de hier gemaakte opmerkingen.
(2) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen WOLHARIGE MENSCHEN (Homines Ulotriches) en SLUIKHARIGE MENSCHEN (Homines Lissotriches). De eersten worden nog verdeeld in Homines lophocomi, wier wolachtig kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten) en Homines eriocomi, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele schedelhuid is verspreid (b.v. de Kaffers en Negers). De laatsten onderscheidt men in Homines euthycomi, wier haren noch krullen noch lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen) en Homines euplocami, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de Kaukasiërs). Deze verschillen in den aard van het haar zijn voor de vergelijkende anthropologie, voor de studie der menschenrassen, van het hoogste gewicht.
(3) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden waardoor zij van die van andere menschenrassen afwijken („Medizinische Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte”, 1887, blz. 121).
In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11, een paar afbeeldingen van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van een Nubiër, blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten, allen naar afbeeldingen op Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6, vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit Lachish (II Kon. XVIII, 14; Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het paleis van den Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr. Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en aarzelen daaruit te besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor Christus, er even zoo hebben uitgezien, als thans.”
Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad om, als zij voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus, Maria en de Apostelen, of Mozes en andere Joodsche personen uit het Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken van Egyptenaars of Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen in hun schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver Indo-Germaansche gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij, als de „Vierge au Singe” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf aangaat een meesterstuk, waarop Maria afgebeeld is als een Duitsche vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina niet voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den achtergrond een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!
(5) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed onderzocht, welke het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo vond men nabij Nieuw-Orleans in het Mississippi-delta bij diepe boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen, waarin boomen van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120 jaarringen op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar oud zou wezen. In het vierde dier bosschen vond men onder de wortels van een cypres een menschenschedel, waarvan de ouderdom door Dowler op 57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde den typischen vorm van het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij Altaville in Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van neushoorns en andere uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier lagen vulkanische asch van verschillende dikte, die met zandlagen afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie met rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van een Digger-Indiaan” (J. D. Whitney, in „A Human Skull, discovered in California”, Anthrop. Review N°. 20, blz. 119). Ook bij dezen schedel, de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden, vindt men dus het type van het Amerikaansche ras terug!
Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”, Maart 1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den mensch in het tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.
Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker Lund den 21sten Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas Geraes, in Brazilië, te samen met de overblijfselen van uitgestorven diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft gevonden, is het echter eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de volgende resultaten, die hij in de zitting van de Fransche Académie des Sciences van den 28sten November 1881 mededeelde:
1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met zoogdieren samengeleefd, die in de fauna van den tegenwoordigen tijd ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die Lund in de holen van Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze rendierperiode, doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in het tijdperk van den mammouth. 3. Van alle fossiele Europeanen onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa door een reeks van kenmerken, waarvan het meest in het oogvallende de vereeniging der dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië, zoowel als in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht hebben Lacerda en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging van het Lagoa-Santa-type beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog worden bepaald, en tevens of men onder de Lagoa Santa gevonden overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden, maar ten minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook deel aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer of minder duidelijk voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In Peru en Bolivia toont dit type zijn tegenwoordigheid menigmaal even duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit element een minder algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend. 10. Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van Zuid-Amerika dan Peru en Brazilië.
Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke overeenstemming tusschen deze schedels en die der tegenwoordige Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de Quatrefages, dat er in Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan, dat zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland uitstrekte, en zich met brachycephale elementen heeft vermengd, ontvangt door hen een sterken steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa aan een op lagen trap staand ras behoorden, wordt ook bewezen door het bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen (onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot één been), verder door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het opperarmbeen, door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der „ruwe lijn” (linea aspera) en de aanwezigheid van een derden trochanter aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke zijdelingsche afplatting (platycnemie) der scheenbeenderen.
De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de Vereenigde Staten gevonden vuursteenwerktuigen toe aan het ras van Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig in Europa en in Amerika als oudste bevolking optrad.
(6) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het Land van den Orang-oetan en den Paradijs-vogel”, door A. R. Wallace, Ned. vert. van Prof. P. J. Veth, 1870. De grenslijn tusschen de beide menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die tusschen de zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras voor de zeevaart en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat werd gesteld zich over een deel van het aangrenzend gebied te verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te verdringen.
Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij gelegenheid der koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene redevoering, getiteld: „Wissenschaftliche Aufgaben, welche der geologischen Erforschung des Indischen Archipels gestellt sind”, waarin hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische gewest van Insulinde met de oorspronkelijke grens tusschen het Aziatische en Australische vasteland samenvalt.
Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur 1886, blz. 299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit, dat het als hoogstwaarschijnlijk kan worden aangenomen:
1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet worden beschouwd; dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den Indischen Archipel loopende reeks vulkanen samenvalt.
2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van genoemde grenslijn gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet oorspronkelijk bewoonden, doch er zich eerst later over hebben verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het Aziatische continent hoe langer hoe grooter werd.
Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de beide menschenrassen iets oostelijker ligt dan die tusschen de zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger wijze, namelijk doordat de strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare Papoea’s lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.
De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van Azië door die van het kleine vasteland van Australië is echter in strijd met wat wij in Amerika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit het grootere vasteland (Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!
(7) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika voorkomen, is dit alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der noordelijke poolstreken van Azië en Europa de Kamschadalen, Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken, Samojeden, Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken worden echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als takken van het Mongoolsche ras beschouwd. In taalkundig opzicht schijnen van al de genoemde volken alleen de Kamschadalen en Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.
(8) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10, vinden wij in een artikel van Karl Andree, „Zur Kennzeichnung der Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen”, het volgende over de bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers bekend werk over het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige voortbrengselen van den omgang in de struiken”, die slechts zelden bij den stam der zwarten eenigen tijd in het leven blijven. Dikwijls neemt de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel te baat om het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind, dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een vroegtijdigen dood. Al beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden der Nieuw-Hollandsche mulatten een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door de zwarten onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden. Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg, vond onder hen geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van Nieuw-Holland zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de zendeling Schmidt in Queensland weet, „dat het een regel was, die dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson en andere voorsprekers der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip volkomen het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij de Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort, heeft men, wel is waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven gelaten en zulk een geel voortbrengsel wel eens met een zekeren trots, of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de blanken getoond. „That my picaninny,—you gib it sixpence?” zeide een zwarte lachend tot den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen, getuigt echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd laat leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.
„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig omtrent hun bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld; maar Bonwick wederlegt hem met feiten.
„De heer G. A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee, werd officiëel verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten waren vermoord en dat men elk hunner op een afzonderlijk vuur tot asch had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen plaats, zag de overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in zijn district de halfbloed-meisjes somtijds in leven laat, doch de jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden slechts geduld, om als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te worden prijsgegeven.”
In het eerste nummer van de „Memoirs of the Literature of the Imperial University of Japan”, komt een belangrijke verhandeling voor van R. H. Chamberlain over de Aino’s, de oorspronkelijke bevolking van Japan, die thans nog op het eiland Jesso voorkomt en buitengewoon harig is. Bij vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en de bastaarden sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.
(9) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
(10) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790 werd bevolkt door een deel der oproerige bemanning van het Engelsche schip de „Bounty”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden gevoegd. Bij hun aankomst waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten gevolge van twisten tusschen de Engelschen en de Tahitiërs stierven al deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young genaamd, en eenige vrouwen uit Tahiti, een gewelddadigen dood. Van deze weinige overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het eiland Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere bijzonderheden mededeelt.
(11) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo zijn de kleine schaamlippen (nymphae) bij de Hottentotsche vrouwen aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe) en vormen het bekende tablier. Verder ontbreekt bij haar het frenulum, zoodat elke groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze inrichting, die derhalve bij een der laagste menschenrassen normaal voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche pasgeboren kinderen (als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”, Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 en 150. Ook onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich bij haar, vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen ontwikkelen. Zie Virey, „Histoire Naturelle du Genre Humain”, tome I, pl. 2.
Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over Deniker’s en Topinand’s onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie door de gewoonte der bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen, of daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke verworven eigenschap hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat zich in ééne generatie bij vrouwen van ander ras, die aldus de kinderen droegen, steatopygie zou ontwikkelen.
Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen zou volgens Topinard geen verband bestaan.
Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte bijzonderheid van de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten beschreven. Vóór, buiten en iets boven den trochanter vindt men bij haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand in de aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen aanmerkelijk vergroot. De geheele aesthetische indruk dien de vorm eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste breedte bezit, is bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het gedeelte tusschen de taille en het benedenste gedeelte der dijen het breedst. Toch bezitten die vrouwen een even smal bekken als de vrouwen der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige vorm door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.
(12) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die zes rassen omvatten. De eerste soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het blanke ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken en Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras (Maleiers). De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 75°–80° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het zwarte ras (Negers, Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten, Papoea’s). Het is dus eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch twee soorten of rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „Histoire Naturelle du Genre Humain”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.
SYSTEMATISCH OVERZICHT DER 12 MENSCHENSOORTEN.
N.B. De kolom A geeft bij benadering het aantal individu’s in millioenen aan; de kolom B geeft het phyletische ontwikkelingsstadium der soort aan; Pr beteekent: voortgaande uitbreiding, Co: ongeveer gelijkblijven, Re: achteruitgang en uitsterving. De kolom C geeft de verhouding der oorspronkelijke taalstammen aan; Mn (Monoglottonisch) beteekent een enkelen oorspronkelijken taalstam; Pl (Polyglottonisch) meer dan éénen oorspronkelijken taalstam.
Tribus. Menschensoort. A. B. C. Vaderland.
LOPHOCOMI (omtrent 2 millioenen). 1. Papoea’s. 2 Re Mn Nieuw-Guinea en Melanesië, Philippijnsche eilanden, Malakka.
2. Hottentotten. 1⁄20 Re Mn Zuidpunt van Afrika (Kaapland).
ERIOCOMI (omtrent 150 millioenen). 3. Kaffers. 20 Pr Mn Zuid-Afrika (tusschen 30° Zuiderbreedte en 5° Noorderbreedte).
4. Negers. 130 Pr Mn Midden-Afrika (tusschen den aequator en 30° Noorderbreedte).
EUTHYCOMI (bijna 600 millioenen). 5. Maleiers. 30 Co Mn Malakka, Sundanesië, Polynesië, Madagascar.
6. Mongolen. 550 Pr Mn? Het grootste deel van Azië en noordelijk Europa.
7. Poolmenschen. 1⁄25 Co Pl? Noord-oostelijk Azië en het Noorden van Amerika.
8. Amerikanen. 12 Re Mn? Geheel Amerika met uitzondering van het noordelijk gedeelte.
9. Australiërs. 1⁄12 Mn Australië (Nieuw-Holland).
EUPLOCAMI (bijna 600 millioenen). 10. Dravida’s. 34 Co Mn Zuid-Azië (Voor-Indië en Ceylon).
11. Nubiërs. 10 Co Mn? Midden-Afrika (Nubië en Foelaland).
12. Middellanders. 550 Pr Pl In alle werelddeelen, eerst uit Zuid-Azië(?) naar Noord-Afrika en Zuid-Europa getrokken.
13. Bastaarden tusschen de soorten. 11 Pr Pl In alle werelddeelen, doch hoofdzakelijk in Amerika en Azië.
Verder vindt men op blz. 727 van de achtste uitgaaf der „Natürliche Schöpfungsgeschichte” den volgenden
STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.

Op blz. 751 van de achtste uitgaaf der „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men den volgenden
STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.

Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde Haeckel, nader verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke Hoogduitschers.
Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden stamboom te geven, daar in een boek over de afstamming van den mensch en in een hoofdstuk over de menschenrassen wel iets over de lijnen van afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden verwacht, en Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet aanroert. Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld later enkele wijzigingen zullende ondergaan, op het standpunt der tegenwoordige wetenschap over het algemeen (met uitzondering o.a. van de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en juistheid zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!

Fig. 12.
Strottenhoofd (larynx) van een blanke met den keelspiegel (laryngoskoop) gezien.

Fig. 13.
Strottenhoofd (larynx) van den neger met den keelspiegel (laryngoskoop) gezien.
a. Stembanden; b. Bekervormige kraakbeenderen (cartilagines arytaenoideæ); c. Wigvormige kraakbeenderen (cartilagines Wrisbergianae); d. Strotklepje (epiglottis); e. Ingang in de zijdelingsche holten van het strottenhoofd (ventriculi Morgagnii).

Fig. 14.
Frontale doorsnede van het strottenhoofd (larynx) van een blanke.

Fig. 15.
Frontale doorsnede van het strottenhoofd (larynx) van een neger.
a. Stembanden; b. Zijdelingsche holten van het strottenhoofd (ventriculi Morgagnii).
Chudzinsky („Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines” in „Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III, T. 2, blz. 158) heeft vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey gemiddeld 9600 m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den dikken darm komen), bedroeg die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M. De dunne darm van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den blanke, de dikke darm iets korter. De dikte van de lever (van voren naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld 200 m.M., bij den neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de lever bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan 260 m.M. De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den neger 1266 gram. Gemiddeld is de lengte van de milt bij den blanke (volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky) 98 m.M., haar dikte, bij den blanke 82, bij den neger 60 m.M., haar gewicht bij den blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren zijn bij den blanke grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn veel kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is de linker nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn bijnieren zijn grooter dan die van den blanke. In menige bijzonderheid van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar tot de anthropomorphen en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang dan bij den blanke.
(15) „Megalithische monumenten.” Onder dezen algemeenen naam omvat men de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen die men in Frankrijk Dolmen, Menhir en Cromlech, in Duitschland Hünengräber, in onze provincie Drenthe Hunebedden en Steenen Grafkelders noemt.
De Dolmen (Hünengräber, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die overeind in den grond zijn geplaatst, en een meestal ovale ruimte insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de zelfde wijze vervaardigden gang; vele zijn van boven open, andere worden omringd door een of meer concentrische cirkels van rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir noemt en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te Carnac in Bretagne) worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de overblijfselen die men er onder aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn eveneens uit ruwe, ongehouwen steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot tempels schijnen te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (grottes aux fées der Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.
Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als de aard der werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die gedenkteekenen zelven, maar vooral de medegedeelde taalkundige bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk, dat zij, althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en dat men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht door verschillende volken die gelijksoortige uitvindende of verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk, het zoogenaamde Volk der Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der Oostzee te zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een gedeelte over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn overgestoken, terwijl het grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika en trokken vervolgens langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar Indië, in welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er bestaat reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der Dolmen gedurende den steentijd noordwaarts Skandinavië is ingetrokken, en zich in den bronstijd tot Stokholm, in den ijzertijd tot Drontheim heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke richting van de kusten der Oostzee naar de Krim.
(16) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische ras, waartoe ook het grootste deel der bewoners van Europa en een groot deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren tot het zelfde ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië en worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het Mongoolsche ras beschouwd. Rassen die in historischen tijd naar andere continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs en Negers in Amerika, de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk niet in aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken verspreidt en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort blijft leven, kan het niet wel anders, of elk dier afdeelingen moet na eenigen tijd van de andere gaan verschillen, en wel na langen tijd zoo sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen ontstaan. Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich nu reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan onderscheidt, niettegenstaande zijn voorouders eerst sedert hoogstens twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd en de landverhuizing onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen zullen echter steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij juist over verschillende, door wijde zeeën gescheiden werelddeelen verschillende rassen verspreid, die zulk een familietrek hebben, b.v. de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen, de Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de Papoea’s. Hieruit blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen van rassen reeds aanmerkelijk van elkander verschilden, voor zich nog de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en waarschijnlijk ook reeds voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen hadden verspreid.
(17) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de Grieken en Romeinen in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna allen) tot het Kaukasische of blanke ras, dat meer en meer blijkt in den strijd om het bestaan de overwinning over alle andere rassen weg te dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de Angel-Saksers geweken, niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het grootste gedeelte van Frankrijk in de macht der Engelschen was; evenmin hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs), of de Franschen (Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke grenzen van de op den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men zien, dat die grenzen nagenoeg samenvallen met de zuidelijke en westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen en de Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië verdwenen voor de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig voor de blanken terugwijken en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, de Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de Maleiers, noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs); met de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen echter noch de Grieken, noch de Romeinen ooit in aanraking.
Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen wel terugwijken voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische, maar geenszins of veel minder door het Spaansche ras, niettegenstaande de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker hebben bejegend dan de Angel-Saksers.
(18) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. & Cultuurpl.”, Deel II, blz. 82.
(19) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van het recruteeren van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar gedane onderzoekingen hebben bewezen, dat van elke 1000 personen van blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte huidskleur) gemiddeld 385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd, terwijl van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere huidskleur) gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze statistiek zekere gebreken bezit, meent De Candolle er toch uit te mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk opzicht boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en wêerstandsvermogen tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder meent De Candolle te hebben ontdekt, dat de vrouwen van blond ras in Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette bevolking leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen altijd donkere oogen bezit.
Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000 personen bij de blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen (negers en bastaarden van negers en blanken) 17,3 en bij de Indianen 23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een hoogere premie dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te bewijzen, dat de grootere sterfte bij de kleurlingen niet het gevolg is van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun leven verzekeren, behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse, welke in de gunstigste omstandigheden verkeeren—maar in het ras ligt. (Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „Zeitschrift für Ethnologie”, 1888.)