Note 70 — OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude Egyptenaren voorstellen, op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae boven den eersten waterval van den Nijl toe, zeer duidelijk het zelfde bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking van Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd blijven van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën (zooals Mr. Snellen van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze der Insekten”, „Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A. C. Kruseman, 1870) als een bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten, dat ook de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten, Negers) afzonderlijke scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven kan niemand bewijzen, dat het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige kever of scarabaeus Ateuchus sacer) werkelijk volkomen onveranderd is gebleven.70 Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier grootste roem dikwijls bestaat in het vinden van ééne of meer nieuwe soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd, verloopen sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van de eeuwigheid, die even goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de grootste ontwikkeling is in overvloed verloopen, al ging die ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat het meeste dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is, waarop het is geschreven.”