← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

DOOR

Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

Charles Darwin zegt in zijn autobiographie (voorkomende in het in 1888 verschenen werk van zijn zoon Francis Darwin „The Life and Letters of Charles Darwin”) omtrent zijn werk over de afstamming van den mensch het volgende:

In het tweede deel van de „Life and Letters of Charles Darwin”, waarin één hoofdstuk geheel en twee hoofdstukken gedeeltelijk aan de „Descent of Man” zijn gewijd, deelt Francis Darwin o.a. nog mede, dat in Februari 1867, toen het handschrift van het boek over „The Variation of Animals and Plants under Domestication” (Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten) naar den drukker was gezonden, zijn vader een „Hoofdstuk over den Mensch” begon te schrijven, maar spoedig bevond, dat het onder zijn handen zoo aangroeide, dat hij besloot het afzonderlijk uit te geven als een „zeer klein boekje.” Die arbeid werd echter afgebroken door de noodzakelijkheid om de proeven van de „Variation of Animals and Plants” te verbeteren en door eenige botanische onderzoekingen, en niet vóór het volgende jaar kon hij hem weder opvatten en zich geheel daaraan wijden.

Uit het bovenstaande volgt de nauwe samenhang van de „Afstamming van den Mensch” met het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, waarvan het oorspronkelijk slechts een hoofdstuk zou zijn. Evenzoo hangt het „Varieeren der Huisdieren enz.” weder ten nauwste zamen met het „Ontstaan der Soorten”, welke het uitbreidt en met nadere bewijzen versterkt. Zoo vormen deze drie werken een ondeelbaar geheel. De seksueele teeltkeus, in de beide eerstverschenen werken slechts ter loops vermeld, wordt in dit derde uitvoerig behandeld.

Ik had, toen de derde druk van mijn Nederlandsche bewerking van de „Afstamming van den Mensch” verscheen, mij niet durven vleien, dat ze reeds in 1889 geheel uitverkocht en een vierde druk noodzakelijk zou zijn. Ik onderstel, dat bijna ieder, die dezen vierden druk leest, eerst de drie eerste deelen dezer serie, bevattende het Ontstaan der Soorten, het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten en eenige kleinere biologische geschriften zal hebben gelezen, hetgeen hem het recht begrip van het onderhavige werk veel gemakkelijker zal maken. Voor hen die deze drie eerste deelen niet hebben gelezen, zullen enkelen der aanteekeningen, welke ik achter de hoofdstukken van dit werk heb bijgevoegd, waarschijnlijk veel verduidelijken. Die aanteekeningen zijn grootendeels de zelfde als in den vorigen druk; zeer enkele zijn naar het „Ontstaan der Soorten” en het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” overgebracht, een paar der minst beduidende geschrapt, een paar andere verplaatst en bijgewerkt en enkele nieuwe bijgevoegd. Al te uitvoerig kon dit echter niet geschieden, om het boek niet al te lijvig te doen worden.

De van Darwin’s meening gedeeltelijk afwijkende gevoelens omtrent den oorsprong der hoogste geestvermogens, welke Wallace in zijn „Darwinism”, 1889, heeft publiek gemaakt, mochten hier wegens de groote beteekenis die Wallace voor het Darwinisme heeft en wegens de belangrijkheid van zijn boven aangehaald werk, waaraan wij in onze aanteekeningen op „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” zoo menige aanvulling en uitbreiding van Darwins leer en zoo menige scherpzinnige opmerking hebben ontleend, hier niet worden doodgezwegen, ofschoon wij in geenen deele met de door Wallace gegeven verklaring van het ontstaan dier vermogens kunnen instemmen.

Ook Wallace’s, van die van Darwin afwijkende, in het zelfde werk uiteengezette meening omtrent de seksueele teeltkeus, en in verband daarmede omtrent de beteekenis der kleur in de organische wereld in het algemeen, vereischten een nadere uiteenzetting.

Verder scheen het ons wenschelijk, een overzicht in dit werk in te lasschen van Julius Lippert’s beschouwingen over den oorsprong der spraak en taal.

Een paar kleine geschriften van Darwin, die totdusver nog niet in het Nederlandsch waren verschenen, zijn ter behoorlijker plaatse ingelascht.

Eindelijk heeft mijne verhandeling over het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen eenige uitbreiding en wijziging ondergaan, waardoor tevens gelegenheid ontstond over eenige in nauw verband daarmede staande vraagstukken eenigszins uitvoeriger te bespreken.

VOORREDE VAN DE 2de ENGELSCHE UITGAAF.

Gedurende de achtereenvolgende herdrukken van de eerste, in 1871 verschenen uitgaaf van dit werk, was ik in staat om onderscheidene belangrijke verbeteringen aan te brengen; en thans, nu er meer tijd is verloopen, heb ik mijn voordeel gedaan met de vuurproef, die het boek had ondergaan en gebruik gemaakt van al de kritieken die mij gegrond schenen te zijn. Ik ben ook aan een groot aantal correspondenten de mededeeling verschuldigd van een verwonderlijk aantal nieuwe feiten en opmerkingen. Deze zijn zoo talrijk geweest, dat ik alleen de meest belangrijke heb kunnen gebruiken, en van deze, zoowel als van de belangrijkste verbeteringen, zal ik een lijst hierachter laten volgen. Eenige nieuwe houtsneden zijn in het werk opgenomen, en vier der oude zijn vervangen door betere, naar het leven geteekend door den heer T. W. Wood. Ik moet vooral de aandacht vestigen op eenige opmerkingen, die ik aan de vriendelijkheid van Prof. Huxley verschuldigd ben (gegeven als een Supplement op het einde van het Eerste Gedeelte) over den aard der verschillen tusschen de hersenen van den mensch en die der hoogere apen. Ik ben bijzonder blijde geweest, dat ik die opmerkingen kon mededeelen, omdat over dat onderwerp op het vasteland in de allerlaatste jaren onderscheidene verhandelingen zijn verschenen, en dat de belangrijkheid daarvan in sommige gevallen door populaire schrijvers erg is overdreven.

Ik veroorloof mij bij deze gelegenheid op te merken, dat mijn critici dikwijls verzekeren, dat ik alle veranderingen in het lichamelijk maaksel en de geestvermogens uitsluitend daaraan toeschrijf, dat de natuur bepaalde zoogenaamd spontane verscheidenheden voor de voortplanting uitkiest; terwijl ik toch, zelfs in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, duidelijk uitsprak, dat men groot gewicht moet hechten aan de overgeërfde gevolgen van gebruik en onbruik, zoowel ten opzichte van het lichaam als van den geest. Ik schreef ook een zekere hoeveelheid wijzigingen toe aan de rechtstreeksche en voortdurende werking van gewijzigde levensvoorwaarden. Ook moeten wij eenigen invloed toeschrijven aan nu en dan voorkomende atavismen, en moeten ook datgene niet vergeten, wat ik correlatie van groei heb genoemd, waarmede ik bedoelde, dat verschillende deelen van het organisme op de eene of andere onbekende wijze zoodanig met elkander in verband staan, dat als één daarvan verandert, ook de anderen het doen; en indien veranderingen in het eene door natuurlijke teeltkeus worden opgehoopt (en dus grooter gemaakt), ook andere deelen wijzigingen zullen ondergaan. Ook is door verscheidene critici gezegd, dat ik, bevonden hebbende dat vele bijzonderheden in het maaksel van den mensch niet door natuurlijke teeltkeus konden worden verklaard, de seksueele teeltkeus had uitgevonden; ik gaf echter een vrij duidelijke schets van dit beginsel in de eerste uitgaaf van het „Ontstaan der Soorten”, en verklaarde toen reeds, dat het op den mensch kon worden toegepast. Dit onderwerp (de seksueele teeltkeus) wordt in het onderhavige werk uitvoerig behandeld, eenvoudig omdat mij daarin voor het eerst gelegenheid daartoe werd gegeven. Ik ben getroffen geweest door de gelijkenis van velen der halfgunstige critieken omtrent de seksueele teeltkeus met die, welke in het eerst omtrent de natuurlijke teeltkeus verschenen; zooals, dat zij wellicht eenige weinige bijzonderheden kon verklaren, maar zeker niet in zoo uitgebreiden zin toepasselijk was, als ik meende. Mijn overtuiging omtrent het vermogen der seksueele teeltkeus blijft ongeschokt, doch het is waarschijnlijk, of nagenoeg zeker, dat onderscheidenen mijner besluiten later onjuist zullen worden bevonden; dit kan moeilijk anders, wanneer men een onderwerp voor de eerste maal behandelt. Als de natuuronderzoekers gemeenzaam zijn geworden met het denkbeeld van seksueele teeltkeus, zal deze, naar ik vermeen, veel meer algemeen worden aangenomen; en zij heeft reeds een volkomen gunstig onthaal gevonden bij verscheidene bevoegde beoordeelaars.

Down, Beckenham, Kent, September 1874.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings